- Arrest van 3 november 2011

03/11/2011 - C.08.0496.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in de mogelijkheid in antwoord op een memorie van antwoord een 'anticipatieve pleitnota' in te dienen (1). (1) Zie Cass. 22 sept. 2011, AR C.10.0003.N, nr. ..., www.cass.be .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0496.N

GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR, bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Agentschap Ruimtelijke Ordening en Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, inspectie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

N V,

verweerder,

aan wie rechtsbijstand werd verleend bij beslissing van 18 december 2008, nummer G.08.0237.N,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 maart 2007.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de pleitnota

1. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in de mogelijkheid in antwoord op een memorie van antwoord een "anticipatieve pletitnota" in te dienen.

2. De verweerder heeft op 16 januari 2009 een memorie van antwoord neergelegd. Op 19 juni 2009 heeft de eiser in antwoord daarop een "anticipatieve pleitnota" neergelegd.

Die "anticipatieve pleitnota" is niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

3. Luidens artikel 26 Gerechtelijk Wetboek blijft het gezag van gewijsde bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.

4. Artikel 27, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter niet ambtshalve de exceptie van gewijsde kan opwerpen.

5. In zoverre dat het onderdeel ervan uitgaat dat het gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing niet enkel wordt ongedaan gemaakt door een vernietiging of hervorming van deze beslissing, maar ook door een rechtsmiddel dat ertegen werd ingesteld en dat op de rechter ambtshalve de verplichting rust om, wanneer een van de partijen melding maakt van een rechtsmiddel tegen een rechterlijke beslissing, vast te stellen of op dit rechtsmiddel een beslissing werd gewezen die de eerdere beslissing ongedaan maakt, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

6. Voor het overige hebben de appelrechters geoordeeld zoals zij hadden moeten doen zonder de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat het vonnis van 26 april 2006 geen gezag van gewijsde meer had ingevolge de wijziging ervan door het arrest van 2 maart 2007.

Het onderdeel is nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 482,47 euro en voor de verweerder op 83,05 euro in debet.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 3 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Memorie van antwoord

  • Anticipatieve pleitnota

  • Ontvankelijkheid