- Arrest van 3 november 2011

03/11/2011 - C.10.0289.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit geldt voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgaven uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een andere, bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen; dit artikel sluit de toepassing uit van de gemeenschappelijke verjaringstermijnen, waaronder deze van artikel 2262bis, §1, Burgerlijk Wetboek (1). (1) Zie Cass. 3 sept. 2010, AR C.09.0339.N, AC, 2010, nr. 498, met concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0289.N

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen Roeselare, met kantoor te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 80,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athenée 9, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. Lieven DECALUWE, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hendrik Consciencestraat 29, als curator van het faillissement van J. De Wever & C°- Suavis pvba, met zetel te 8870 Izegem-Rumbeke, Sasstraat 10,

verweerder,

2. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 27 april 2009.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Volgens artikel 1, a), van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, dat artikel 100, eerste lid, 1°, vormt van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 (hierna: Wet Rijkscomptabiliteit), zijn verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan ze zijn ontstaan.

2. De verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteitgeldt voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgaven uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een andere, bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen.

Dit artikel sluit de toepassing uit van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, waaronder deze van artikel 2262bis, § 1, Burgerlijk Wetboek.

3. De appelrechter oordeelt dat de vordering van de eerste verweerder niet te situeren is binnen het fiscale recht, maar wel binnen het gemeen recht, zodat de verjaringstermijnen van het gemeen recht van toepassing zijn, en niet die van vermeld artikel 100.

4. Door op die grond de toepassing van de regeling met betrekking tot de verjaring van schuldvorderingen ten laste van de Staat uit te sluiten, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 3 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Duur

  • Schuldvordering ten laste van de Staat

  • Vijfjarige verjaring

  • Toepasselijkheid