- Arrest van 4 november 2011

04/11/2011 - C.11.0117.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 31, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 staat niet eraan in de weg dat, teneinde de belangen van de failliete boedel te vrijwaren, de curator wordt vervangen als hij, nadat hij werd opgeroepen om uitleg te verschaffen over welbepaalde feiten, niet op de zitting verschijnt en niet vertegenwoordigd wordt (1). (1) Zie Cass. 30 juni 2006, AR C.06.0298.F, AC, 2006, nr. 374.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0117.F

Y. M.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in aanwezigheid van

BRONCKAERT Isabelle, q.q. curator faillissement G. M.

in bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het in laatste aanleg gewezen vonnis van de rechtbank van koophandel te Neufchâteau van 23 november 2010.

Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In zijn cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voert de eiser een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Artikel 31, eerste lid, Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt dat de rechtbank van koophandel te allen tijde de curators of een van hen kan vervangen; het tweede lid bepaalt dat de curators van wie de vervanging wordt overwogen, vooraf worden opgeroepen en, na verslag van de rechter-commissaris, gehoord in raadkamer.

Die bepaling staat er niet aan in de wet dat, teneinde de belangen van de failliete boedel te vrijwaren, de curator wordt vervangen als hij, nadat hij werd opgeroepen om uitleg te verschaffen over welbepaalde feiten, niet op de zitting verschijnt en niet vertegenwoordigd wordt.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat, de rechtbank van koophandel te Neufchâteau bij vonnis van 15 september 1981 de eiser heeft aangesteld als curator in het faillissement van G.M., werd hij op 15 oktober 2010 op grond van de voornoemde wetsbepaling opgeroepen om in raadkamer te verschijnen en moest die verschijning hem de mogelijkheid bieden gehoord te worden over "de neerlegging van de jaarverslagen krachtens artikel 34 van de Faillissementswet, de taken die hij heeft verricht om de schuldvorderingen te aanvaarden, de geschillen te regelen, de roerende en onroerende activa te vereffenen, de verschillende wettelijke verplichtingen met spoed na te komen alsook over de volledige voorlegging van de boekhouding, met bewijskrachtige stukken tot staving, het voorleggen van de afschriften van de consignatierekening, het voorleggen van de attesten van storting van gelden aan de Deposito- en Consignatiekas overeenkomstig artikel 51 van de Faillissementswet, de termijnen en omstandigheden waarin aan die verschillende verplichtingen is voldaan".

Het bestreden vonnis wijst erop dat de eiser, behalve drie brieven, geen enkel verslag heeft neergelegd met toepassing van de oude faillissementswet, dat "hij evenmin het jaarverslag heeft neergelegd met toepassing van artikel 34 van de [nieuwe] faillissementswet sinds die inwerking is getreden", behalve een "erg onvolledig" verslag van 3 augustus 2009 dat "werd neergelegd op aandringen van de rechter-commissaris" en waarbij "noch rekeningafschriften, noch boekhouding, noch spoor van de opening van een consignatierekening waren gevoegd", dat "er nog zes schuldvorderingen openstaan van 29 jaar oud die nog moeten worden vereffend", dat "in hoofdzaak, de transparantie in het beheer van de mandaten van de [eiser] al ontbrak lang vóór [zijn] gezondheidsproblemen" en dat "diezelfde nalatigheden ook steevast voorkomen in de andere dossiers die hem worden toevertrouwd".

Op grond van die overwegingen heeft het bestreden vonnis, zonder daarbij verplicht te zijn de urgentie vast te stellen, eisers mandaat van curator kunnen beëindigen zonder de wetsbepaling en het algemeen rechtsbeginsel die in het middel zijn vermeld, te schenden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Doordat het cassatieberoep wordt verworpen, vertoont de vordering tot bindendverklaring van het arrest geen belang meer.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring van het arrest.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Christine Matray en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 4 november 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Vervanging van de curator

  • Verschijning met het oog op verhoor in raadkamer

  • Oproeping

  • Ontstentenis