- Arrest van 4 november 2011

04/11/2011 - D.10.0007.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bestreden beslissing die vaststelt dat de eiser de opdracht uitoefent van vaste vertegenwoordiger van een bestuurder bij een naamloze vennootschap zonder voor die opdracht een loon te ontvangen, dat hij verklaart de adviezen voor die vennootschap voor eigen rekening te factureren en daaruit een onrechtstreeks financieel voordeel haalt, maar die noch de aard van de door de eiser verstrekte consultancy, noch de voorwaarden voor de uitoefening en de verloning ervan omschrijft, stelt het Hof niet in staat de wettigheid te toetsen van de beslissing die hem een blaam oplegt wegens de niet-naleving van artikel 21, eerste lid, en is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.10.0007.F

D. V.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BEROEPSINSTITUUT VAN ERKENDE BOEKHOUDERS EN FISCALISTEN,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de uitspraak van de Franstalige kamer van beroep van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten van 17 maart 2010.

Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1, 2, 2bis en 3 van het Wetboek van Koophandel;

- artikel 2, 5°, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen;

- de artikelen 61, 517, 521 en 522 van het Wetboek van vennootschappen;

- de artikelen 38, 49 en 50, § 1, 2°, van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;

- artikel 21 van het reglement van plichtenleer van het Beroepsinstituut van Boekhouders, waaraan het koninklijk besluit van 23 december 1997 (artikel 1) bindende kracht heeft verleend, en, voor zoveel als nodig, artikel 1 van voornoemd koninklijk besluit van 23 december 1997 tot goedkeuring van het reglement van plichtenleer van het Beroepsinstituut van Boekhouders.

Aangevochten beslissingen

De bestreden beslissing "bevestigt de uitspraak van de uitvoerende kamer van 30 november 2009 waarbij een blaam als straf wordt opgelegd" aan de eiser.

Zij steunt op de onderstaande redenen:

"De problematiek betreffende de richtlijn van 8 mei 1998 van de nationale raad van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten die verder gaat dan de machtigingswet ervan, namelijk artikel 21 van het reglement van plichtenleer, wordt in de kamer van beroep uiteengezet door meester G. C..

De kamer van beroep neemt akte van dat argument en ondervraagt (de eiser) meer in het bijzonder over zijn rol bij de vennootschap Residentia Management.

(De eiser) voert aan dat hij geen vergoeding ontvangt voor de opdracht van vaste vertegenwoordiger van de bestuurder Anzac Real Estate bij de vennootschap Residentia Management, maar hij verklaart wel dat hij de consultancy voor de vennootschap voor eigen rekening factureert.

Overeenkomstig de conclusie van meester G. C. en diens toelichting op de terechtzitting van 4 maart 2010, stelt het Wetboek van vennootschappen de functie van bestuurder gelijk met die van vaste vertegenwoordiger (artikel 61, § 2, van het Wetboek van vennootschappen).

[De eiser] en zijn raadsman betogen dat de bewuste opdracht onder het verbod valt van artikel 21 van het reglement van plichtenleer als zij een economisch voordeel oplevert.

De vervolgde boekhouder die verklaart zijn consultancy aldus te factureren aan de vennootschap Residentia Management, geeft ter zitting toe dat hij een onrechtstreeks financieel voordeel haalt uit de opdracht bij die vennootschap, naast het probleem van het gebrek aan zelfstandigheid dat door die toestand wordt veroorzaakt, maar in deze rechtspleging niet wordt aangeklaagd..

In deze zaak geniet (de eiser) een economisch voordeel, dat zowel hijzelf als zijn raadsman toegeven maar dat door artikel 21 van het reglement van plichtenleer wordt verboden.

Bijgevolg, en gelet op [eisers] verklaringen en op de argumentatie van zijn raadsman, beslist de kamer van beroep de door hen voorgestane restrictieve zienswijze te volgen.

De door de uitvoerende kamer als straf opgelegde blaam moet eveneens bevestigd worden, met name rekening houdend met de duur van de gelaakte gedraging".

Grieven

1. Artikel 21 van het reglement van plichtenleer dat door het Beroepsinstituut van Boekhouders is opgesteld en verbindende kracht heeft verkregen ingevolge artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1997 bepaalt weliswaar dat "het beroep van boekhouder BIB onverenigbaar is met elke ambachtelijke of handelsactiviteit welke rechtstreeks of onrechtstreeks, individueel of in verenigings- of vennootschapsverband als zelfstandige wordt uitgeoefend".

Die tekst moet echter op beperkende wijze worden uitgelegd. Hij legt de boekhouder BIB enkel het verbod op om een ambachtelijke of handelsactiviteit persoonlijk uit te oefenen, ofwel rechtstreeks in eigen naam en voor eigen rekening, ofwel via een tussenpersoon die handelt voor rekening van die boekhouder of, althans, op zijn minst gedeeltelijk in zijn economisch belang.

Voor het overige moeten de begrippen ambachtelijke of handelsactiviteiten in de zin van artikel 21 van het reglement van plichtenleer, bij gebrek aan een specifieke begripsomschrijving, begrepen worden in de gangbare betekenis van de artikelen 1 tot 3 van het Wetboek van koophandel en van artikel 2, 5°, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.

2. Noch de uitoefening van een opdracht van bestuurder van een naamloze vennootschap (artikelen 61, § 1, 517 en 522 van het Wetboek van vennootschappen) noch de uitoefening van een opdracht van vaste vertegenwoordiger van een rechtspersoon die bestuurder is van een naamloze vennootschap (artikel 61, § 2, van het Wetboek van vennootschappen) verlenen echter aan degene die ze uitoefent de hoedanigheid van koopman. De uitoefening van dergelijke opdrachten is dus evenmin een daad van koophandel.

Enkel "zij die daden uitoefenen, bij de wet daden van koophandel genoemd, en daarvan, hoofdzakelijk of aanvullend, hun gewoon beroep maken" hebben immers de hoedanigheid van koopman (artikel 1 van het Wetboek van Koophandel). De opdracht van bestuurder van een naamloze vennootschap of die van vaste vertegenwoordiger van een rechtspersoon die bestuurder is van een naamloze vennootschap, worden echter niet vermeld in de opsomming in de artikelen 2, 2bis en 3 van het Wetboek van Koophandel die de daden van koophandel omschrijven. Dienaangaande maakt het niet uit of die opdrachten tegen betaling of gratis worden uitgeoefend.

De bestuurder van een naamloze vennootschap of de vaste vertegenwoordiger van een dergelijke bestuurder, die een rechtspersoon is, die handelen in naam van die vennootschap zijn immers niet persoonlijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap (artikel 61, § 1 in fine, van het Wetboek van vennootschappen voor de leden van de raad van bestuur en artikel 61, § 2, derde lid, van het Wetboek van vennootschappen voor de vaste vertegenwoordigers, in samenhang gelezen met de artikelen 517, 521 en 522 van het Wetboek van vennootschappen).

3. De uitoefening van dergelijke opdrachten verleent aan degene die ze uitoefent evenmin de hoedanigheid van ambachtsman.

Zij vormt immers als zodanig geen ambachtelijke activiteit in de zin van artikel 2, 5°, van de wet van 16 januari 2003, namelijk een "onderneming opgericht door een private persoon die in België gewoonlijk, krachtens een contract van huur van diensten, hoofdzakelijk materiële prestaties levert, voor zover daarmee geen leveringen van waren of slechts toevallige leveringen van waren gepaard gaan en aldus vermoed wordt de hoedanigheid van ‘ambachtsman' te hebben". Bovendien zou een dergelijke activiteit, zelfs als de bewuste vennootschap zelf een ambachtelijke activiteit zou hebben gehad, quod non, eigen zijn aan die vennootschap en niet aan die van haar bestuurders of aan de vaste vertegenwoordigers van haar bestuurders die niet persoonlijk verbonden zijn voor de verbintenissen van de vennootschap (artikelen 61, § 1, in fine en 2, derde lid, 517, 521 en 522 van het Wetboek van vennootschappen).

4. Tot slot, enerzijds, impliceert de functie van bestuurder van een naamloze vennootschap of van vaste vertegenwoordiger geenszins dat degene die ze uitoefent zijn adviezen en zijn ervaring aan die vennootschap ten goede laat komen (artikelen 61, 517, 521 en 522 van het Wetboek van vennootschappen). Anderzijds mag een lid van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten volstrekt wettelijk, in eigen naam, bezoldigd advies geven aan klanten, natuurlijke personen of rechtspersonen, voor zover ze niet onverenigbaar is met zijn statuut van lid van dat instituut (artikelen 38 en 49 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen).

Het feit alleen dat een erkende boekhouder, bestuurder van een naamloze vennootschap of vaste vertegenwoordiger van een bestuurder, die een rechtspersoon is, van een dergelijke vennootschap, bezoldigd wordt voor de adviezen die hij aan die vennootschap geeft, impliceert dus niet dat hij een verboden activiteit zou uitoefenen in de zin van artikel 21 van het reglement van plichtenleer van het Beroepsinstituut van Boekhouders. Een dergelijk "financieel voordeel" impliceert immers niet dat de bewuste vennootschap slechts een tussenpersoon zou zijn via wie hij een handels- of ambachtelijke activiteit zou uitoefenen of dat hij, zelfs ten dele, de economische begunstigde van die activiteit zou zijn. Bovendien is het nastreven van een economisch of financieel voordeel niet kenmerkend voor een handelsactiviteit (artikelen 1 tot 3 van het Wetboek van Koophandel) of een ambachtelijke activiteit (artikel 2, 5°, van de wet van 16 januari 2003) en is het verenigbaar met de uitoefening van een vrij beroep zolang maximalisatie van de winst niet het enige doel is.

5. Daaruit volgt dat de bestreden uitspraak, die louter uit de omstandigheid dat de eiser de functie uitoefende van vaste vertegenwoordiger van een bestuurder, die een rechtspersoon is, van de naamloze vennootschap Residentia Management en dat hij zijn consultancyopdracht aan die vennootschap factureerde, zodat hij van die vennootschap een economisch voordeel ontving, afleidt dat die eiser artikel 21 schendt van het reglement van plichtenleer van het Beroepsinstituut van Boekhouders, dat is goedgekeurd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1997, de draagwijdte miskent van artikel 21 van de voornoemde plichtenleer door er een ruimere betekenis aan toe te kennen dan het heeft (schending van voornoemd artikel 21 en, voor zoveel als nodig, van artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1997 tot goedkeuring van het reglement van plichtenleer van het Beroepsinstituut van Boekhouders en van artikel 50, § 1, 2°, van de wet van 22 april 1999 dat de erkende boekhouders en fiscalisten verplicht de regels van de plichtenleer na te leven), op zijn minst de wettelijke draagwijdte van de functies van een bestuurder van een naamloze vennootschap miskent (schending van de artikelen 61, § 1, 517, 521 en 522 van het Wetboek van vennootschappen) of van een vaste vertegenwoordiger van een dergelijke bestuurder die een rechtspersoon is (schending van de artikelen 61, § 2, 517, 521 en 522 van het Wetboek van vennootschappen), de wettelijke begrippen koopman (schending van de artikelen 1 tot 3 van het Wetboek van Koophandel), daden van koophandel (schending van de artikelen 2, 2bis en 3 van het Wetboek van Koophandel), ambachtsman en ambachtelijke activiteiten miskent (schending van artikel 2, 5°, van de wet van 16 januari 2003) en de wettelijke bepalingen schendt die de beroepsactiviteiten omschrijven welke de erkende boekhouders en fiscalisten mogen uitoefenen overeenkomstig hun statuut van lid van het Instituut (schending van de artikelen 38 en 49 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen). [Zij] is dus niet regelmatig met redenen omkleed (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet).

6. De bestreden uitspraak vermeldt in zijn redenen niet de aard van de adviezen die eiser geeft aan de naamloze vennootschap Residentia Management noch de voorwaarden waaronder ze worden gegeven en bezoldigd, zodat zij het Hof op zijn minst niet de mogelijkheid biedt de wettigheid van die beslissing te toetsen aan artikel 21 van het reglement van plichtenleer van het Beroepsinstituut van Boekhouders en aan de overige wettelijke en verordenende bepalingen die in de aanhef van het middel worden vermeld. Zij is dus niet regelmatig met reden omkleed en schendt zodoende artikel 149 van de Grondwet.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 21, eerste lid, van het reglement van plichtenleer van het Beroepsinstituut van Boekhouders waaraan artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1997 bindende kracht heeft verleend, is het beroep van boekhouder BIB onverenigbaar met elke ambachtelijke of handelsactiviteit welke rechtstreeks of onrechtstreeks, individueel of in verenigings- of vennootschapsverband als zelfstandige wordt uitgeoefend.

De bestreden beslissing stelt vast dat de eiser de opdracht uitoefent van "vaste vertegenwoordiger van de bestuurder Anzac Real Estate bij de naamloze vennootschap Residentia Management" zonder voor die opdracht "een vergoeding te ontvangen" en dat hij "verklaart de adviezen voor die vennootschap voor eigen rekening te factureren".

De bestreden uitspraak oordeelt dat "voornoemde opdracht valt onder het verbod van artikel 21 van het reglement van plichtenleer als zij een economisch voordeel oplevert" en dat "de vervolgde boekhouder [...] die verklaart zijn consultancy aldus te factureren aan de vennootschap Residentia Management, een onrechtstreeks financieel voordeel haalt uit de opdracht die hij bij die vennootschap uitoefent".

De bestreden uitspraak die noch de aard van de door de eiser verstrekte consultancy, noch de voorwaarden voor de uitoefening van de consultancyopdrachten en de toekenning van een vergoeding daarvoor omschrijft, stelt het Hof niet in staat de wettigheid te toetsen van de beslissing die hem een blaam oplegt wegens de niet-naleving van voornoemd artikel 21, eerste lid.

De bestreden uitspraak is niet regelmatig met redenen omkleed.

In zoverre is het middel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt de bestreden uitspraak.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde uitspraak.

Veroordeelt de verweerder in de kosten.

Verwijst de zaak naar de anders samengestelde Franstalige kamer van beroep van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten, opdat zij een beslissing wijst die het Hof in staat stelt zijn toetsing uit te oefenen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Christine Matray en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 4 november 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Tucht

  • Opdracht van vertegenwoordiger van bestuurder van een vennootschap bij een andere vennootschap

  • Geen loon

  • Consultancyopdrachten voor de vennootschap in eigen naam gefactureerd

  • Tuchtrechtelijke tekortkoming

  • Onrechtstreeks financieel voordeel uit de opdracht bij de vennootschap

  • Toetsing van de wettigheid van de beslissing door het Hof