- Arrest van 8 november 2011

08/11/2011 - P.10.1633.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6.1 E.V.R.M., zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, vereist slechts dat een verdachte toegang tot een advocaat wordt verleend bij zijn verhoor door de politie, in zoverre hij van zijn vrijheid werd beroofd (1). (1) E.H.R.M., 18 feb. 2010, nr. 39660/02, Zaichenko t./ Rusland (§§ 47 en 48); E.H.R.M., 13 okt. 2009, nr. 7377/03, Dayanan t./ Turkije (§ 32); E.H.R.M., 2 maart 2010, nr. 54729/00, Adamkiewicz t./ Polen (§ 84); E.H.R.M., 21 dec. 2010, nr. 31814/03, Hovanesian t./ Bulgarije (§ 34); E.H.R.M., 14 okt. 2010, nr. 1466/07, Brusco t./ Frankrijk; zie ook Cass. 5 april 2011, AR P.10.1651.N, AC, 2011, nr. 247.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1633.N.

M. H. H.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie te te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 september 2010.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart de eiser niet schuldig aan de feiten vermeld onder de telastleggingen A.I.b tot en met A.I.f, B.I.a tot en met B.I.e, C.I, C.II, E.I en E.II.

In zoverre het tegen deze beslissingen is gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, Probatiewet: het arrest weigert ten onrechte aan de eiser het voordeel van het uitstel van de uitvoering van zijn straf toe te kennen op grond dat de eiser dit uitstel niet meer kan genieten; die beslissing is niet voldoende gemotiveerd en de aangenomen reden is dubbelzinnig.

3. Het arrest oordeelt "de hierna opgelegde straf vormt een juiste en afdoende bestraffing rekening houdende enerzijds met de ernst en de omvang van de feiten, en anderzijds met het feit dat [de eiser] gedurende geruime tijd heeft getracht om zoveel mogelijk inkomsten te vergaren teneinde zijn schulden terug te betalen en met het feit dat hij nog gedurende vele jaren bezig zal zijn met het afbetalen van de schulden van de vennootschappen waarvoor hij persoonlijk borg stond".

Gelet op die redenen is het oordeel dat de eiser "de gunst van het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf niet meer (kan) genieten" voor twee lezingen vatbaar. Ofwel bedoelt het arrest daarmee dat gelet op de vermelde gegevens van de persoonlijkheid van de eiser, het niet aangewezen is hem het voordeel van het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf te verlenen, in welk geval de beslissing wettig is.

Ofwel bedoelt het arrest dat de eiser de voorwaarden niet vervult om te genieten van het voordeel van het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf. In dat geval is de beslissing over de straf onwettig daar uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de bewezen verklaarde feiten gepleegd zijn toen de eiser reeds bij in kracht van gewijsde getreden beslissing veroordeeld werd tot een straf die hem uitsluit van een latere toekenning van het uitstel van de tenuitvoerlegging van de veroordeling. De aangevochten reden is bijgevolg dubbelzinnig.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest verklaart ten onrechte de eiser schuldig op grond van zijn verklaringen afgelegd zonder de bijstand van een advocaat; de verbalisanten hebben bewust nagelaten de fundamentele grondrechten van de eiser na te leven door hem de bijstand van een raadsman te ontzeggen, minstens hem niet de kans te bieden zich van de daadwerkelijke bijstand van een raadsman te verzekeren; het arrest diende de strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren, minstens moest het de verklaringen afgelegd zonder de bijstand van een advocaat als bewijs uitsluiten.

5. In zoverre het middel niet gericht is tegen het arrest maar tegen het gerechtelijk onderzoek, is het niet ontvankelijk.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor het hof van beroep heeft aangevoerd dat hij niet ervan in kennis werd gesteld dat hij het recht had om een beroep te doen op een raadsman alvorens een verklaring af te leggen.

In zoverre is het middel nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

7. Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, vereist slechts dat een verdachte toegang tot een advocaat wordt verleend bij zijn verhoor door de politie, in zoverre hij van zijn vrijheid werd beroofd.

8. Het arrest stelt vast: "[De eiser] werd in het kader van huidige feiten verhoord op 15 februari 2006, nadat hij niet was ingegaan op een uitnodiging tot verhoor van 9 februari 2006. Hij werd nooit van zijn vrijheid beroofd in het kader van de huidige feiten en kon voorafgaandelijk aan zijn verhoor een raadsman raadplegen."

9. In zoverre het middel aanvoert dat artikel 6 EVRM werd geschonden doordat bij de beoordeling van de schuldvraag rekening werd gehouden met de verklaringen die de eiser zonder bijstand van een raadsman heeft afgelegd, kan het niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de straf en over de bijdrage ter financiering van het Bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten. Laat de andere helft ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten op 210,84 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch en op de openbare rechtszitting van 8 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Recht op een eerlijk proces

  • Recht op toegang tot een advocaat

  • Verdachte

  • Politieverhoor