- Arrest van 8 november 2011

08/11/2011 - P.10.1747.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 221.3 Communautair Douanewetboek, in de versie vóór de vervanging ervan bij artikel 1, 17 Verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 tot wijziging van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek, volgt dat de regel dat de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van verschuldigde rechten dient te gebeuren binnen drie jaar na de datum van het ontstaan van de douaneschuld, niet geldt wanneer de douaneautoriteiten ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen; die uitzondering vereist niet dat de autoriteiten niet in staat waren om binnen de termijn van drie jaar het juiste bedrag vast te stellen (1). (1) Cass. 8 nov. 2005, AR P.05.0698.N, AC, 2005, nr. 570; Cass. 9 jan. 2009, AR C.07.0188.N, AC, 2009, met concl. adv.-gen. Thijs.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1747.N

G. C. D.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Karel Wille, advocaat bij de balie te Antwerpen,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22,

vervolgende partij,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 6 oktober 2010, gewezen op verwijzing na arrest van het Hof van 8 december 2009.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 234 EG-verdrag, de artikelen 217, 218, 221.1, 221.2 en 221.3 CDW in de versie vóór de vervanging bij artikel 1, 17 Verordening (EEG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 tot wijziging van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek (hierna artikel 221.3 (oud) CDW), en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek: het arrest legt artikel 221.3 (oud) CDW wederrechtelijk uit; het ontslaat ten onrechte de verweerder van de op hem wegende last te bewijzen dat hij niet in staat was om binnen de drie jaar het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen.

2. Artikel 221.3 (oud) CDW bepaalt: "De mededeling aan de schuldenaar mag niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Wanneer de douaneautoriteiten evenwel ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, mag de vorenbedoelde mededeling, voor zover de geldende bepalingen daarin voorzien, nog na het verstrijken van de genoemde termijn van drie jaar worden gedaan."

3. Uit die bepaling volgt dat de regel dat de mededeling aan de schuldenaar dient te gebeuren binnen de drie jaar na de datum van het ontstaan van de douaneschuld, niet geldt wanneer de douaneautoriteiten ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen.

Die uitzondering vereist niet dat de autoriteiten niet in staat waren om binnen de termijn van drie jaar het juiste bedrag vast te stellen.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

4. De eiser verzoekt het Hof aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Dient de tweede zin in artikel 221.3 (oud) CDW in die zin te worden begrepen dat wanneer de douaneautoriteiten ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet meer in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen binnen de drie jaar na het ontstaan van de douaneschuld, de vorenbedoelde mededeling, voor zowel de geldende bepalingen daarin voorzien, nog na het verstrijken van de genoemde termijn van drie jaar mag worden gedaan?".

De voorgestelde prejudiciële vraag berust op een onjuiste rechtsopvatting. Ze wordt niet gesteld.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 234 EG-verdrag, de artikelen 217, 218, 221.1, 221.2 en 221.3 (oud) CDW en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek: het arrest legt de zinsnede "voor zover de geldende bepalingen daarin voorzien" van artikel 221.3 (oud) CDW wederrechtelijk uit; die zinsnede heeft geenszins enkel betrekking op de mededeling van het bedrag van de verschuldigde rechten, maar kan slechts worden toegepast als de nationale regelgeving de mogelijkheid bepaalt om na het verstrijken van de driejarige termijn het bedrag van verschuldigde rechten alsnog aan de schuldenaar mee te delen.

6. De zinsnede "voor zover de geldende bepalingen daarin voorzien" in artikel 221.3 (oud) CDW, maakt de toepassing van de in dat artikel vastgelegde uitzonderingsbepaling niet afhankelijk van het bestaan van een specifieke internrechterlijke bepaling die uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid tot mededeling van een douaneschuld buiten de vervaltermijn van drie jaar ingeval van strafrechtelijk vervolgbare handeling.

7. Indien de mededeling van de douaneschuld plaatsvindt na het verstrijken van de in artikel 221.3, eerste zin, (oud) CDW bedoelde termijn van drie jaar, moet de tijdigheid van deze mededeling worden beoordeeld op grond van de in het interne recht geldende regels met betrekking tot de vaststelling van de overtredingen van de AWDA en de verjaring van de navordering van de verschuldigde rechten wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen.

8. De artikelen 267, 270 en 271 AWDA laten toe bij de vaststelling van overtredingen van deze wet, proces-verbaal op te stellen en dit binnen de vijf dagen ter kennis te brengen van de overtreder. Die bepalingen bevatten geen beperking in de tijd betreffende de vaststelling en laten derhalve toe de vaststelling en de daarop volgende mededeling nog te verrichten na het verstrijken van de door artikel 221.3, eerste zin, (oud) CDW bedoelde termijn van drie jaar.

De artikelen 279 tot en met 285 AWDA regelen onder meer de navorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven inzake douane en accijnzen. Bij afwezigheid van een door de AWDA specifiek bepaalde verjaringstermijn is de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen van het burgerlijk recht toepasselijk en dit is de verjaring ingesteld door artikel 2262bis¸§ 1, Burgerlijk Wetboek.

Het interne recht bevat aldus een regeling voor de mededeling van de bij een strafrechtelijk vervolgbare handeling verschuldigde rechten en wat betreft de verjaring ervan.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

9. Het arrest oordeelt dat de douaneschuld voor de invoer van vleesproducten tussen 24 maart 1994 en 25 mei 1995 die werd geboekt in het proces-verbaal van 5 juni 1998, op 23 november 1999 tijdig aan de eiser werd medegedeeld.

Die beslissing is op grond van de in de randnummers 6 tot 8 in de plaats gestelde redenen naar recht verantwoord.

Het onderdeel dat voor het overige, ook al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, is in zoverre niet ontvankelijk.

10. De eiser verzoekt het Hof aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Betekent de voorwaarde in artikel 221.3 (oud) CDW krachtens dewelke de mededeling van de douaneschuld nog mag geschieden na de termijn van drie jaar na het ontstaan van de douaneschuld ‘voor zover de geldende bepalingen daarin voorzien' dat wanneer de geldende nationale bepalingen daarin niet voorzien de verjaring intreedt drie jaar na het ontstaan van de douaneschuld?".

De voorgestelde prejudiciële vraag berust op een onjuiste rechtsopvatting. Ze wordt niet gesteld.

Derde onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 234 EG-verdrag, de artikelen 217, 218, 221.1, 221.2 en 221.3 (oud) CDW en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de strafbare feiten die werden bewezen verklaard in hoofde van de eiser en deze die werden vastgesteld en bewezen verklaard in hoofde van bepaalde oorspronkelijke medebeklaagden tot gevolg hebben gehad dat de douaneautoriteiten niet in staat waren het bedrag van de verschuldigde rechten vast te stellen op het ogenblik dat deze zijn ontstaan of verschuldigd werden, zodat de mededeling ten deze tijdig geschiedde; op de verweerder rust nochtans de last te bewijzen dat hij niet in staat was ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling het juiste bedrag van de rechten vast te stellen en de verweerder heeft voor de appelrechters op verwijzing niet beweerd en evenmin bewezen dat hij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat was het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen.

12. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde schending en is mitsdien niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 57,12 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch en op de openbare rechtszitting van 8 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Communautair Douanewetboek

  • Artikel 221.3 (oud), CDW

  • Verplichting van mededeling van het bedrag van de verschuldigde rechten binnen drie jaar

  • Uitzondering

  • Strafrechtelijk vervolgbare handeling

  • Onmogelijkheid het juiste bedrag van de verschuldigde rechten vast te stellen

  • Toepasselijkheid van de uitzondering