- Arrest van 8 november 2011

08/11/2011 - P.11.0531.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens de artikelen 135, §2 en 235bis, §§3, 5 en 6, Wetboek van Strafvordering, moet de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging van het voltooide gerechtelijk onderzoek, over het in conclusie aangevoerde middel van verval van de strafvordering door verjaring oordelen (1). (1) Cass. 11 mei 2004, AR P.04.0247.N, AC, 2004, nr. 250; Cass. 20 okt. 2004, AR P.04.0742.F, AC, 2004, nr. 492; Cass. 28 juni 2005, AR P.05.0658.N, AC, 2005, nr. 380, met concl. adv.-gen. Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0531.N

RENAULT TRUCKS sas, vennootschap naar Frans recht, met zetel te F-69800 Saint-Priest (Frankrijk), route de Lyon 99,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Vorstlaan 36, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. BEDRIJFSWAGENS FOCKEDEY bvba, met zetel te 2220 Heist-op-den-Berg, Lostraat 41,

burgerlijke partij,

2. F. F.,

burgerlijke partij,

3. S. V. H.,

burgerlijke partij,

4. L. V. M.,

burgerlijke partij,

5. J. M., wonende te 2235 Hulshout, Industriepark 24,

burgerlijke partij,

6. ROELANDT Willy bvba, met zetel te 1480 Saintes, avenue Zénobe Gramme 9,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 februari 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest oordeelt dat het hoger beroep niet ontvankelijk is in zoverre de verwijzingsbeschikking uitspraak doet over eiseres' verweer met betrekking tot de afwezigheid van bedrieglijk opzet en de afwezigheid van onderzoek à décharge. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het geen uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 21, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat enkel de correctionele rechtbank kan oordelen over een verweer inzake het verval van de strafvordering wegens verjaring; de redenen van het arrest zijn zodanig slordig dat ze onbegrijpelijk zijn zodat het Hof zijn wettigheidstoezicht niet kan uitoefenen.

3. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die, zoals hier, geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het onderdeel schending van die grondwettelijke bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

4. Met de in het onderdeel bekritiseerde redenen oordeelt het arrest niet dat enkel de correctionele rechtbank kan oordelen over een verweerargument inzake het verval van de strafvordering wegens verjaring. Het oordeelt dat het verweer van de eiseres dat geen bedrieglijk opzet noch eenheid van bedrieglijk opzet tussen de ten laste gelegde feiten zijn aangetoond, de feiten zelf betreffen waarvoor de beroepen beschikking het bestaan van voldoende bezwaren heeft vastgesteld en dat enkel de correctionele rechtbank daarover kan oordelen. Hierdoor geeft het arrest te kennen dat de verwijzingsbeschikking heeft vastgesteld dat er voldoende bezwaren zijn dat het bedrieglijk opzet geduurd heeft tot het einde van de strafbare periode, en dat het de feitenrechter zal staan te oordelen over het al dan niet bewezen zijn van dat bedrieglijk opzet gedurende die hele periode, daar dat gegeven betrekking heeft op de feiten die het voorwerp zijn van de ten laste gelegde misdrijven. Aldus is de beslissing die duidelijk en begrijpelijk is, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan in zoverre niet aangenomen worden.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat enkel de correctionele rechtbank ten gronde over eiseres' verweer dat de verjaring is ingetreden kan oordelen; de eiseres heeft voor de kamer van inbeschuldigingstelling regelmatig aangevoerd dat de strafvordering vervallen was door verjaring en het stond de kamer van inbeschuldigingstelling om daarover uitspraak te doen.

6. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt het arrest niet dat enkel de feitenrechter te oordelen heeft over het verval van de strafvordering wegens verjaring. Het gaat integendeel na of de verjaring is ingetreden en oordeelt dat dit niet het geval is zodat de strafvordering niet is vervallen.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

7. Krachtens de artikelen 135, § 2, en 235bis, §§ 3, 5 en 6, Wetboek van Strafvordering, moet de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging van het voltooide gerechtelijk onderzoek, over het in conclusie aangevoerde middel van verval van de strafvordering door verjaring oordelen.

8. De datum van de feiten of de periode gedurende dewelke het feit werd gepleegd, behoort tot het debat over het bestaan zelf van het feit en de daartoe bestaande bezwaren.

Het staat de raadkamer om over deze bezwaren te oordelen en niet de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet op grond van artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering. Na verwijzing oordeelt enkel de feitenrechter over het bewezen zijn van dat feit.

9. Inzake gebruik van valse stukken, heeft het debat over de verjaring van de strafvordering voor de kamer van inbeschuldigingstelling niet tot voorwerp de afwezigheid van bedrieglijk opzet bij het gebruik van valse stukken of van eenheid van opzet tussen de verschillende feiten van gebruik. Dit zijn feitelijke gegevens die bepalend zijn voor de duur van het gebruik en bijgevolg voor de einddatum van het strafbare gebruik, waarvoor de raadkamer in de verwijzingsbeschikking bij een niet voor hoger beroep vatbare beslissing het bestaan van voldoende bezwaren vaststelt zodat ingevolge de verwijzing, enkel de feitenrechter daarover nog kan oordelen. Het arrest dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan in zoverre niet aangenomen worden.

Ambtshalve onderzoek

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op 223,28 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch en op de openbare rechtszitting van 8 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Raadkamer

  • Beschikking van verwijzing

  • Hoger beroep van de inverdenkinggestelde

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Conclusie

  • Verweer waarbij de verjaring van de strafvordering wordt aangevoerd

  • Opdracht van het onderzoeksgerecht