- Arrest van 8 november 2011

08/11/2011 - P.11.0647.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een schending van artikel 6.3 E.V.R.M. wegens de afwezigheid van de bijstand van een advocaat bij het verhoor leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering; het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt (1). (1) Cass. 30 maart 2010, AR P.09.1789.N, AC, 2010, nr. 231 met concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0647.N

C. J. L. D.,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Dirk Vanbiervliet, advocaat bij de balie te Kortrijk.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 maart 2011.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Eisers hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer was eveneens gericht tegen zijn verwijzing naar de correctionele rechtbank en de vaststelling van voldoende bezwaren daartoe. Het arrest verklaart het hoger beroep in zoverre niet ontvankelijk. Dit is geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 90ter Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat mogelijks nog andere derden betrokken zijn bij de feiten zodat het procesrechtelijk volledig verantwoord was om ook te vorderen lastens X en dat het ook zonder X mogelijk was toepassing te maken van artikel 90ter Wetboek van Strafvordering; hier werden ook de bijzondere opsporingsmethoden zoals observatie en infiltratie, alsmede inkijkoperaties en direct afluisteren gebruikt, welke niet vallen onder de toepassing van artikel 90ter Wetboek van Strafvordering.

3. Het arrest oordeelt niet dat gebruik gemaakt werd van de bijzondere opsporingsmethoden zoals observatie en infiltratie, of van opsporingsmethoden zoals inkijkoperaties en direct afluisteren.

In zoverre het onderdeel hiervan uitgaat, mist het feitelijke grondslag.

4. In zoverre het onderdeel aanvoert dat die opsporingsmethoden werden gebruikt, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers argumentatie met betrekking tot artikel 324bis Strafwetboek geen hout snijdt daar er geen vervolging is wegens dat misdrijf; de eiser kan dat niet controleren middels een consultatie van het dossier; eiser werd in het kader van zijn verhoren medegedeeld dat er wel degelijk onderzoeksmethoden werden toegepast wegens misdrijven bedoeld in artikel 324 Strafwetboek; het arrest beantwoordt eisers verweer niet.

6. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

7. Het onderdeel preciseert niet op welk in conclusie aangevoerde verweer het arrest niet antwoordt.

In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

8. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

9. Het onderdeel voert aan dat uit de twee vorige onderdelen blijkt dat er een oneigenlijk gebruik geweest is van de wet op de bijzondere opsporingsmethoden.

10. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste en tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden en is daarenboven niet gericht tegen het arrest.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt met betrekking tot de door de eiser aangevoerde argumentatie dat geen bijzondere opsporingsmethoden noch opsporingsmethoden zoals inkijkoperaties en direct-afluisteren, werden toegepast; aldus beantwoordt het arrest eisers verweer niet.

12. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

13. Het arrest oordeelt enkel dat het procesrechtelijk volledig verantwoord was om toepassing te maken van artikel 90ter Wetboek van Strafvordering en dat er geen onderzoeksmethoden werden toegepast die op het misdrijf bepaald in artikel 324 Strafwetboek zouden kunnen aansluiten.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

14. Voor het overige preciseert het onderdeel niet welke het in conclusie aangevoerde verweer is waarop het arrest niet antwoordt.

In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

15. Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging: tijdens het verhoor van de eiser werden gegevens medegedeeld die enkel konden vernomen zijn door het gebruik van opsporingsmethoden andere dan deze bepaald in artikel 90ter Wetboek van Strafvordering.

16. Het onderdeel is niet gericht tegen het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Derde middel

Eerste onderdeel

17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beweerde nietigheid wegens het gebrek aan bijstand van een advocaat bij het eerste verhoor en latere verhoren, ongegrond is; het arrest beantwoordt eisers verweer niet.

18. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

19. Het onderdeel dat algemene beschouwingen uiteenzet over het recht op bijstand van een advocaat bij elk verhoor en over de naleving van de cautieplicht, preciseert evenwel niet welke het in conclusie aangevoerde verweer van de eiser was, waarop het arrest niet antwoordt.

Het onderdeel is in zoverre onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

20. Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging: de eiser werd daadwerkelijk van zijn vrijheid beroofd.

21. Het onderdeel is niet gericht tegen het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest erkent dat er schending van dat artikel is, maar laat na daaruit de gevolgen te trekken; van zodra een verdachte gehoord wordt zonder bijstand van zijn raadsman, moet besloten worden tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering.

23. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, leidt een schending van artikel 6.3 EVRM wegens de afwezigheid van de bijstand van de advocaat bij het verhoor, niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering. Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

24. Voor de feitenrechter zal de verdachte met de bijstand van zijn advocaat alle verklaringen die hij nodig acht kunnen afleggen en zijn eerder afgelegde verklaringen kunnen verduidelijken, vervolledigen of intrekken. Het zal dan aan de feitenrechter staan om, in het licht van het geheel van het proces, na te gaan of de bewijswaarde van alle hem voorgelegde gegevens aangetast is door het enkele feit dat bepaalde verklaringen tijdens het onderzoek afgelegd werden zonder de bijstand van een advocaat en, in voorkomend geval, te beslissen tot de niet-toelaatbaarheid of de uitsluiting van deze bewijsmiddelen.

Het onderdeel faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek

25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 82,20 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch en op de openbare rechtszitting van 8 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Bewijs

  • Onwettig of onregelmatig bewijs

  • Verhoor van de verdachte tijdens het onderzoek

  • Verhoor zonder bijstand van een advocaat

  • Schending van artikel 6.3.c, E.V.R.M.

  • Ontvankelijkheid