- Arrest van 9 november 2011

09/11/2011 - P.11.1616.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De in artikel 62bis van het Wetboek van Strafvordering bedoelde regels inzake de territoriale bevoegdheid van de onderzoeksrechter zijn van openbare orde (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1616.F

DE PROCUREUR DES KONINGS TE CHARLEROI,

eiser tot verwijzing van de zaak van een rechtbank naar een andere, wegens gewettigde verdenking,

in de zaak van

1. J.-J. V.,

2. Ph. B.,

mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

In zijn verzoekschrift van 4 oktober 2011 vraagt de eiser dat de zaak die het notitienummer 25.99.337/11 draagt bij zijn parket, aan de rechtbank van eerste aanleg te Charleroi zou worden onttrokken wegens gewettigde verdenking.

In een arrest van 12 oktober 2011 heeft het Hof geoordeeld dat het verzoek niet kennelijk onontvankelijk is.

De voorzitter van de rechtbank te Charleroi heeft in overleg met de met naam genoemde leden van het rechtscollege de verklaring afgelegd die voorgeschreven is in artikel 545, vierde lid, 1°, b, Wetboek van Strafvordering.

Ph. B. heeft op 31 oktober 2011 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op de griffie een conclusie neergelegd op 3 november 2011.

Op de rechtszitting van 9 november 2011 heeft raadsheer Françoise Roggen verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het dossier heeft betrekking op twee personen wier echtgenotes respectievelijk ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Charleroi en rechter in de politierechtbank te Charleroi zijn.

Aangezien de in artikel 62bis Wetboek van Strafvordering bedoelde regels inzake de territoriale bevoegdheid van de onderzoeksrechter van openbare orde zijn, kon de eiser alleen een onderzoeksrechter van zijn arrondissement gelasten met een onderzoek van de feiten.

In strijd met wat één van de niet-verzoekende partijen beweert, heeft de eiser bijgevolg niet vrijwillig geprocedeerd voor de onderzoeksrechter te Charleroi, in de zin van artikel 543 van het voormelde wetboek.

Het verzoek is bijgevolg ontvankelijk.

De professionele en private relaties tussen de ambtgenoten van dit rechtscollege kunnen bij de partijen en bij derden een gewettigde verdenking doen ontstaan omtrent de strikte onpartijdigheid van de rechters die uitspraak zullen moeten doen in de zaak van een magistraat van dat rechtscollege of van haar echtgenoot.

Zoals blijkt uit de verklaring die zij in overleg met hun voorzitter hebben opgesteld, wordt de vrees voor een schijn van partijdigheid, die gewekt wordt door de verwantschap tussen één van de verdachten en de ondervoorzitter van de rechtbank, gedeeld door de leden van het betrokken rechtscollege.

Het verzoek is dus gegrond ten aanzien van J.-J. V., maar die reden geldt niet ten aanzien van Ph. B., daar zijn echtgenote geen deel uitmaakt van hetzelfde rechtscollege.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt evenwel dat een band van ondeelbaarheid of samenhang kan bestaan tussen de in de vordering tot onderzoek bedoelde misdrijven die, in het belang van een goede rechtsbedeling en onder voorbehoud van de eerbiediging van het recht van verdediging, vereist dat die misdrijven samen worden behandeld en, als daartoe grond bestaat, tegelijkertijd ter berechting aan dezelfde strafrechtbank worden voorgelegd.

Er is grond om het verzoek toe te wijzen.

Dictum

Het Hof,

Gelet op artikel 542 Wetboek van Strafvordering,

Onttrekt de zaak die het nummer 25.99.337/11 draagt in de notities van het parket van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Charleroi, en het nummer 47/11 van het kabinet van onderzoeksrechter Baeckeland, aan dat gerecht.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Territoriale bevoegdheid

  • Regel van openbare orde