- Arrest van 9 november 2011

09/11/2011 - P.11.1027.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 187, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat hij die bij verstek is veroordeeld, tegen het vonnis in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend; die termijn is substantieel zodat het verzet dat na het verstrijken ervan is ingesteld, niet ontvankelijk is tenzij de vertraging voortvloeit uit een omstandigheid buiten de wil om van de partij die verzet doet en zij die noch kon voorzien noch kon afwenden (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1027.F

Y. V.,

Mrs. Joëlle Vossen en Olivier Martins, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

MAI RENAULT nv,

Mr. Florence Clip, advocaat bij de balie te Nijvel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 11 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 28 oktober 2011 een conclusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 9 november 2011 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. De afstand

De bestreden beslissingen zijn eindbeslissingen in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.

Aangezien de afstand op de bewering van het tegendeel steunt, berust zij op een vergissing en dient bijgevolg geen akte ervan te worden verleend.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die het hoger beroep van de eiser tegen de strafrechtelijke beschikkingen niet ontvankelijk verklaart

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

C. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die het verzet van de eiser tegen de burgerrechtelijke beschikkingen niet ontvankelijk verklaart

Artikel 187, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat hij die bij verstek is veroordeeld, tegen het vonnis in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Die termijn is substantieel, zodat het verzet dat na het verstrijken ervan is ingesteld, niet ontvankelijk is tenzij de vertraging voortvloeit uit een omstandigheid buiten de wil om van de eiser en hij die noch kon voorzien noch afwenden.

De beklaagde die verzet wil aantekenen tegen een tegen hem bij verstek uitgesproken burgerrechtelijke veroordeling moet een bevoegd gerechtsdeurwaarder opdracht geven het exploot op te stellen en het te betekenen aan de partijen waartegen zijn rechtsmiddel is gericht.

Het monopolie dat artikel 516, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wat dat betreft aan de gerechtsdeurwaarders toekent, alsook de beperkingen die, wat de keuze van de instrumenterende deurwaarder betreft, voortvloeien uit de regels inzake territoriale bevoegdheid die in artikel 513 van datzelfde wetboek zijn bepaald, houden in dat de fout of de nalatigheid van die ministeriële ambtenaar als overmacht kan worden beschouwd waardoor de wettelijke termijn om verzet aan te tekenen kan verlengd worden met de tijdsduur waarin het voor de veroordeelde volstrekt onmogelijk was om zijn rechtsmiddel in te stellen.

De appelrechters hebben bijgevolg niet zonder daarbij artikel 6.1 EVRM te schenden, kunnen beslissen dat de vertraging die te wijten is aan een vergissing van de gerechtsdeurwaarder geen geval van overmacht kan uitmaken waardoor het verzet dat buiten de termijn is ingesteld, ontvankelijk zou kunnen worden verklaard.

Het middel is wat dat betreft gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit het verzet dat de eiser, op de door de verweerster tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering, had ingesteld tegen de beslissing van 19 mei 2010, niet ontvankelijk verklaart.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en de verweerder in de andere helft.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 9 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Termijn

  • Substantieel karakter

  • Betekening na het verstrijken van de wettelijke termijn

  • Overmacht