- Arrest van 10 november 2011

10/11/2011 - C.11.0210.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De eiser die veroordeeld is in de kosten van de verweerder heeft belang bij een cassatieberoep tegen deze beslissing (1). (1) Zie de (op dit punt andersluidende) concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0210.N

J B,

eiseres,

aan wie rechtsbijstand werd verleend bij beslissing van 24 maart 2011 (G.11.0013.N),

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. CENTRALE AUTORITEIT VOOR BELGIË, zijnde de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, Directoraat Generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Rechtshulp in Burgerlijke zaken, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 115, optredende voor Mance Gilis, wonende te 32605 Gainesville, Florida (USA), 4501 NW, 21st Drive,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest,

2. M G,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 december 2010.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 12 oktober 2011 een conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De Centrale Autoriteit voert een middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen haar aan: ingevolge de vrijwillige tussenkomst van de verweerder (hierna: de vader) kan de Centrale Autoriteit niet meer namens hem optreden.

Minstens vraagt de Centrale Autoriteit dat het Hof zou vaststellen dat zij geen belang meer heeft om in deze zaak op te treden.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres veroordeeld is in de kosten van de verweerster. Ze heeft belang bij een cassatieberoep tegen deze beslissing.

Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep moet worden verworpen.

Eerste middel

3. Artikel 757, § 2, 12°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de gerechtelijke procedures betreffende de bescherming van het grensoverschrijdend hoederecht en bezoekrecht bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk XIIbis van dat wetboek, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, wat de pleidooien en de verslagen betreft, in raadkamer verlopen.

Uit die bepaling volgt dat de openbare orde niet vereist dat de zaken in openbare rechtszitting worden behandeld.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de zaak niet in raadkamer kon worden behandeld.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede middel

5. Artikel 821, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat bij afstand van rechtsvordering de hoofdeiser, de eiser tot vrijwaring of de wedereiser afziet zowel van de rechtspleging als van het recht zelf.

Artikel 823, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat afstand van rechtsvordering slechts mogelijk is met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken.

6. De afstand van een verweer tegen een rechtsvordering is geen afstand van rechtsvordering in de zin van voormelde wetsbepalingen.

7. Uit het bestreden arrest blijkt dat:

- de beroepen beschikking, nadat deze zegde voor recht dat de overbrenging van het kind naar België door de eiseres ongeoorloofd was, de vordering tot terugbrenging naar Florida afwees als ongegrond, gelet op artikel 13 Haags Kinderontvoeringsverdrag,

- de eiseres bij incidenteel beroep de gedeeltelijke hervorming van de beroepen beschikking vorderde, "in die zin dat gevraagd werd te zeggen voor recht dat de overbrenging van [het kind] naar België niet ongeoorloofd was in de zin van art. 3 [Haags] Kinderontvoeringsverdrag".

Aldus blijkt dat het incidentele beroep van de eiseres betrekking had op het verweer betreffende het al dan niet geoorloofde karakter van de overbrenging van het kind naar België.

8. Het middel dat ervan uitgaat dat het arrest, door te oordelen dat de afstand door eiseres van haar incidenteel beroep kan worden gedecreteerd, een ongeoorloofde afstand van rechtsvordering inhoudt, kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Eerste onderdeel

9. Een middel dat aan de feitenrechter niet is voorgelegd en waarover die op eigen initiatief niet heeft beslist, ook al is het gegrond op een wettelijke bepaling, verdragsbepaling of algemene rechtsbeginselen die de openbare orde raken of van dwingend recht zijn, kan slechts voor het Hof worden opgeworpen, wanneer de feitelijke gegevens die voor de beoordeling noodzakelijk zijn, blijken uit de bestreden beslissing of uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. Dat is hier niet het geval.

Het onderdeel is nieuw en dus niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

10. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, beslist het arrest niet dat het Kinderrechtenverdrag niet primeert op het Kinderontvoeringsverdrag, maar enkel dat het de redenering van de eerste rechter dat het Kinderrechtenverdrag zou primeren op het Haagse Kinderontvoeringsverdrag, louter omdat het recenter is, niet volgt.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

11. Voor het overige geeft het arrest te kennen dat de integratie van het kind in zijn nieuwe omgeving niet van die aard is dat het een ernstig risico inhoudt dat het kind door zijn terugkeer zou worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht, zoals bedoeld in artikel 13, b), Haags Kinderontvoeringsverdrag.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vierde middel

12. Artikel 26 Haags Kinderontvoeringsverdrag bepaalt:

"Iedere centrale autoriteit draagt bij de toepassing van dit Verdrag haar eigen kosten.

De centrale autoriteit en de andere openbare diensten van de Verdragsluitende Staten brengen geen kosten in rekening in verband met ingevolge dit Verdrag ingediende verzoeken. In het bijzonder mogen zij niet van de verzoeker betaling eisen van de proceskosten of, indien deze zijn gemaakt, van de kosten veroorzaakt door bijstand van een raadsman. Zij kunnen echter wel betaling verlangen van de kosten die zijn gemaakt of zullen worden gemaakt in verband met de terugkeer van het kind.

Een Verdragsluitende Staat kan echter door het in artikel 42 gemaakte voorbehoud te maken, verklaren dat hij slechts is gehouden tot betaling van de in het voorgaande lid bedoelde kosten verbonden aan de bijstand van een raadsman of een juridisch adviseur dan wel van de gerechtskosten voor zover deze kosten kunnen worden gedekt door zijn stelsel van rechtshulp en rechtsbijstand.

Wanneer de rechterlijke of administratieve autoriteit de terugkeer van het kind gelast of een uitspraak doet betreffende het omgangsrecht in verband met dit Verdrag, kan zij, zo nodig, de persoon die het kind heeft overgebracht of vastgehouden of die de uitoefening van het omgangsrecht heeft verhinderd, verplichten tot de betaling van alle noodzakelijke kosten die door of namens de verzoeker zijn gemaakt, in het bijzonder de reiskosten, de kosten van juridische vertegenwoordiging van de verzoeker en van de terugkeer van het kind, alsmede alle kosten die zijn gemaakt of betalingen die zijn gedaan om vast te stellen waar het kind zich bevindt."

13. Anders dan waarvan het middel uitgaat, verhindert deze bepaling niet dat de gerechtskosten van de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep ten laste worden gelegd van de ouder die het kind heeft overgebracht.

Het middel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 600,00 euro, voor de eerste verweerster op 255,39 euro en voor de tweede verweerster op 255,39 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 10 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Veroordeling tot de kosten

  • Belang