- Arrest van 10 november 2011

10/11/2011 - C.11.0456.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit de afzonderlijke regelingen en de onderscheiden aard van de kosten waarvoor tweedelijns juridische bijstand en rechtsbijstand wordt verleend, volgt dat de afwijkende regeling van artikel 1022, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is op de in het ongelijk gestelde partij die enkel rechtsbijstand geniet.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0456.N

D C,

eiser,

aan wie rechtsbijstand werd verleend bij beslissing van 26 mei 2011 (G.11.0007.N),

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. DUCATILLON nv, met zetel te 9700 Oudenaarde, Jan Jozef Raepsaetplein 1,

2. G C, wonende te 9700 Oudenaarde, Wortegemstraat 44,

3. CHECO nv, met zetel te 8700 Tielt, Brugstokwegel 2, bus 1, failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge van 4 oktober 1995 en waarvan het faillissement werd afgesloten,

verweersters.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 oktober 2010.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1022, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek wordt, indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van kennelijk onredelijke situatie; de rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

2. De artikelen 508/1 e.v. Gerechtelijk Wetboek regelen de juridische tweedelijnsbijstand. De artikelen 664 e.v. Gerechtelijk Wetboek regelen de rechtsbijstand.

3. Uit deze afzonderlijke regelingen en de onderscheiden aard van de kosten waarvoor tweedelijns juridische bijstand en rechtsbijstand wordt verleend, volgt dat de afwijkende regeling van artikel 1022, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is op de in het ongelijk gestelde partij die enkel rechtsbijstand geniet.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 577,66 euro in debet.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 10 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding

  • Minimum

  • Juridische tweedelijnsbijstand

  • Rechtsbijstand

  • Toepasselijkheid