- Arrest van 17 november 2011

17/11/2011 - C.10.0497.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Ingeval van wijziging van de vordering in de loop van het geding wordt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepaald door het bedrag van de vordering zoals dit in de laatste conclusie in die aanleg wordt gevorderd.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0497.N

K. V. B.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. M. D. J.-G.,

2. W. D. G.,

3. BOCA bvba, met zetel te 2530 Boechout, Binnensteenweg 216A,

4. QUARES RESIDENTIAL nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Leopold De Waelplaats 8,

verweersters.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 april 2010.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt, tenzij bijzondere wetten anders bepalen.

Ingevolge artikel 1018, eerste lid, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.

Het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (hierna: KB 26 oktober 2007), bepaalt in artikel 1, tweede lid, dat de bedragen worden vastgesteld per aanleg.

Luidens artikel 2, eerste lid, KB 26 oktober 2007 wordt, voor de geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding onder meer vastgesteld als volgt:

- waarde geschil van 60.000,01 euro tot 100.000,00 euro: 3.000,00 euro;

- waarde geschil van 500.000,01 euro tot 1.000.000,00 euro: 10.000,00 euro.

2. Artikel 2, tweede lid, KB 26 oktober 2007 bepaalt dat voor de toepassing van dit artikel het bedrag van de vordering vastgesteld wordt overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Gerechtelijk Wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg.

Artikel 557 Gerechtelijk Wetboek preciseert dat onder het bedrag van de vordering wordt verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest en van alle gerechtskosten alsook van de dwangsommen.

Artikel 618 Gerechtelijk Wetboek preciseert dat indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, de aanleg wordt bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.

3. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat, ingeval van wijziging van de vordering in de loop van het geding, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald door het bedrag van de vordering zoals dit in de laatste conclusie in die aanleg wordt gevorderd.

4. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat, ingeval van hoger beroep, het bedrag van de laatste conclusie in hoger beroep het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg bepaalt, faalt het naar recht.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de vierde verweerster de appelrechters heeft verzocht de eiser te veroordelen tot de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg te vereffenen op 10.000,00 euro en dat de eiser de vereffening van die rechtsplegingsvergoeding op 10.000,00 euro niet heeft betwist.

6. In zoverre het middel de appelrechters verwijt bij de vereffening van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg geen rekening te hebben gehouden met het bedrag dat in de laatste conclusie van de eiser werd gevorderd, is het nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 641,34 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Edward Forrier en Eric Dirix, de raadsheren Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en op de openbare rechtszitting van 17 november 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding

  • Basisbedrag

  • Bepaling

  • Bedrag van de vordering

  • Begrip

  • Wijziging in de loop van het geding