- Arrest van 18 november 2011

18/11/2011 - C.09.0521.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Werquin.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0521.F

FRANSE GEMEENSCHAP,

mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. D. G.,

2. AG INSURANCE nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Luik van 18 februari 2009.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis beslist dat de schade van de eiseres bestaat in de derving van de arbeidsprestaties van haar personeelslid, welke schade "bij ontstentenis van nadere gegevens, (...) begroot zal worden op basis van de wedde die de tegenprestatie blijkt te zijn die [de eiseres] genoten zou hebben indien het ongeval zich niet had voorgedaan, zijnde de door [de eiseres] betaalde brutowedde, met uitsluiting van de werkgeversbijdragen die geen tegenprestatie zijn voor de diensten die [de eiseres] heeft gederfd".

Het verantwoordt die beslissing om al zijn redenen die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven, en inzonderheid om de onderstaande redenen:

"Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, meer bepaald vanaf zijn arresten van 9 maart 1984 en 15 maart 1985, die werd hernomen door zijn arresten van 19 en 20 februari 2001 en sindsdien meermaals werd bevestigd, sluit het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting niet uit dat degene die daartoe gehouden is, schade lijdt in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek door die verplichting na te komen, ‘tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten' (zie noot Cass., 19 februari 2001, A.C., 2001, nr. 97).

Hoewel de [eiseres] wettelijk verplicht is aan haar personeelslid zijn volledige wedde te betalen tijdens de periodes van tijdelijke ongeschiktheid, mag zij aldus van de aansprakelijke derde en van diens aansprakelijkheidsverzekeraar het geheel of een gedeelte van de bedragen terugvorderen die zij uitbetaald heeft ter uitvoering van haar wettelijke en reglementaire verplichtingen, zonder dat haar het argument [kan] worden tegengeworpen dat het oorzakelijk verband verbroken is wegens het bestaan van een juridische oorzaak die eigen is aan de betalingen die zij heeft gedaan, mits zij evenwel bewijst een schade te hebben geleden die in oorzakelijk verband staat met de begane fout.

In deze zaak levert [de eiseres] het op haar rustende bewijs, daar:

- de [eiseres], door aan te tonen dat zij aan haar personeelslid de wedde en de daarop rustende lasten heeft betaald die zij krachtens haar wettelijke en reglementaire verplichtingen diende te betalen zonder daarvoor de arbeid van dat personeelslid als tegenprestatie te ontvangen, voldoende verantwoordt dat zij een schade heeft geleden (zie Cass., 9 april 2003, A.C., 2003, nr. 235) die in oorzakelijk verband staat met de begane fout die het arbeidsongeval heeft veroorzaakt;

- de wet die de werkgever in de overheidssector de verplichting oplegt om aan zijn personeelslid dat door een arbeidsongeval getroffen is, zijn volledige wedde te betalen en de lasten erop te dragen, hoewel hij geen arbeid van zijn personeelslid als tegenprestatie heeft ontvangen, niet tot doel heeft die schade definitief ten laste van de werkgever te laten, aangezien artikel 14, § 3, van de wet van 3 juli 1967 aan de werkgever in de overheidssector een wettelijk subrogatierecht toekent dat, binnen de perken die het vermeldt, uitsluit dat de betaalde bedragen definitief ten laste van de werkgever in de overheidssector blijven.

De [eiseres] toont, wat de omvang betreft van haar rechtstreekse vordering, niet aan dat zij een andere schade heeft geleden dan die welke voortvloeit uit de derving van de arbeidsprestaties van haar personeelslid waarvoor zij een wedde heeft betaald, zodat enkel die derving van arbeidsprestaties te dezen kan worden vergoed, met uitsluiting van de bedragen die de werkgever in de overheidssector heeft betaald als wedden en als daarbij horende sociale en fiscale lasten die, indien het schadeveroorzakende feit zich niet had voorgedaan, betaald hadden moeten worden zoals ze werden betaald en bijgevolg, overeenkomstig de equivalentieleer, niet kunnen worden geacht in onderling verband te staan met de fout van [de eerste verweerster].

Bij gebrek aan gegevens op grond waarvan de derving van prestaties nauwkeuriger had kunnen worden geraamd, zal die derving evenwel worden geraamd op basis van de wedde die de tegenprestatie blijkt te zijn die [de eiseres] genoten zou hebben indien het ongeval zich niet had voorgedaan, zijnde de door [haar] betaalde brutowedde, met uitsluiting van de werkgeversbijdragen die geen tegenprestatie zijn voor de diensten die [zij] heeft gederfd (zie B. Dubuisson, ‘L'inflation des recours directs fondés sur l'article 1382 du Code civil ou la transfiguration des tiers-payeurs, in La rupture du lien causal ou l'avènement de l'action directe et le déclin du recours subrogatoire ? Éd. Jeune Barreau de Liège, 2007, p. 247, nr. 13).

De [eiseres] zal daartoe de schade die zij aanvoert, moeten opsplitsen tussen de brutowedde, zonder werkgeversbijdragen, enerzijds, en die werkgeversbijdragen, anderszijds".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, verplicht deze te vergoeden.

Uit die wetsbepaling volgt dat de vergoedbare schade door de rechter in concreto moet worden beoordeeld. Hij beoordeelt het bestaan en de omvang van de door de fout veroorzaakte schade in feite. Het staat echter aan het Hof van Cassatie om na te gaan of de door de rechter op onaantastbare wijze vastgestelde feiten de gevolgtrekkingen verantwoorden die de rechter naar recht eruit heeft gemaakt en of die gevolgtrekkingen het wettelijke begrip vergoedbare schade niet miskennen.

In deze zaak stelt het bestreden vonnis op onaantastbare wijze in feite vast dat na het litigieuze ongeval:

- de eiseres aan haar personeelslid tijdens diens periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn wedde heeft betaald en alle daarop rustende lasten;

- de eiseres geen arbeidsprestaties heeft ontvangen als tegenprestatie voor de betaling van die wedden en van de daarop rustende lasten.

Uit die vaststellingen volgt dat de betaling van de wedde en van alle daarbij horende sociale en fiscale lasten, die werd gedaan zonder dat als tegenprestatie arbeid werd verricht wegens een arbeidsongeval waarvoor een schuldige derde aansprakelijk wordt geacht, overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek moet worden aangemerkt als vergoedbare schade.

Op grond van die vaststellingen is de schade immers veroorzaakt door het ontbreken van een tegenprestatie voor de derving van de arbeidsprestaties, en niet uitsluitend door die derving.

Het bestreden vonnis dat, op grond van die vaststellingen overweegt dat de schade, in deze zaak, bestaat in de derving van de arbeidsprestaties van het personeelslid, met uitsluiting van de bedragen die de werkgever uit de overheidssector heeft betaald als wedden en als daarbij horende sociale en fiscale lasten, schendt het aldus uitgelegde artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek in zoverre het de schade verkeerd omschrijft op grond van de feiten die het op onaantastbare wijze vaststelt.

Het bestreden vonnis erkent overigens dat dit het geval is in een van de bekritiseerde redenen, in tegenstelling tot de beslissing die de werkgeversbijdragen uitsluit van de vergoedbare schade, aangezien het overweegt als volgt: "In deze zaak levert [de eiseres] het op haar rustende bewijs, daar [zij], door aan te tonen dat zij aan haar personeelslid de wedde en de daarop rustende lasten heeft betaald die zij krachtens haar wettelijke en reglementaire verplichtingen diende te betalen zonder daarvoor de arbeid van dat personeelslid als tegenprestatie te ontvangen, voldoende verantwoordt dat zij een schade heeft geleden (zie Cass., 9 april 2003, A.C., 2003, nr. 235) die in oorzakelijk verband staat met de begane fout die het arbeidsongeval heeft veroorzaakt".

Aldus beschouwt het bestreden vonnis, in die reden, "de op de wedde rustende lasten" als een integraal onderdeel van de vergoedbare schade van de eiseres.

Die tegenstelling impliceert, naast de schending van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die van artikel 149 van de Grondwet.

Tweede onderdeel

Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, verplicht deze te vergoeden.

Uit die wetsbepaling volgt dat degene die aan een ander schade berokkent, verplicht is deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schadeveroorzakende daad niet was gesteld.

Welnu, indien in deze zaak de schadeveroorzakende daad niet was gesteld, dan waren er twee toestanden mogelijk geweest:

- het personeelslid zou arbeidsprestaties hebben verricht voor de werkgever in de overheidssector die hem als tegenprestatie een wedde zou hebben betaald alsook alle sociale lasten, waaronder de werkgeversbijdragen, en fiscale lasten, waaronder de bedrijfsvoorheffing, op die wedde;

- indien het personeelslid voor de werkgever in de overheidssector geen arbeidprestaties had verricht, dan zou laatstgenoemde de wedde en de daarbij horende sociale en fiscale lasten niet langer betaald hebben.

De beslissing waaruit, zoals hier, wordt afgeleid dat de schadelijder, door de werkgeversbijdragen te dragen op een wedde waarvoor hij geen enkele arbeidsprestatie ontvangt, opnieuw in de toestand is geplaatst waarin hij zich zou hebben bevonden indien de schadeveroorzakende daad niet was gesteld, schendt bijgevolg artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

De schadevergoeding, als bepaald in de bestreden beslissing kan immers de schade niet integraal herstellen, overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, zoals ze had moeten worden omschreven op grond van de op onaantastbare wijze en in feite gedane vaststellingen.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis, dat eerst overweegt dat "de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst bindend is (...) voor de werkgever in de overheidssector", beslist daarna dat de schade van de eiseres in oorzakelijk verband met de fout van de eerste verweerster niet kan worden bewezen op grond van die beslissing.

Het verantwoordt die beslissing om alle redenen die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven en inzonderheid om de onderstaande redenen:

"De [eiseres] dient de omvang van de schade in oorzakelijk verband met de aan haar verweten fout aan te tonen door in deze zaak het bewijs te leveren van de op haar personeelslid toepasselijke percentages en periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid.

Hoewel die beslissing van de administratieve gezondheidsdienst wel degelijk bindend is voor de werkgever in de overheidssector, kan die beslissing niet bindend zijn voor de aansprakelijke derde die geen mogelijkheid heeft om de omvang ervan te betwisten. Het is dus niet voldoende dat [de eiseres] de beslissingen overlegt van de administratieve gezondheidsdienst, die opgetreden is zonder dat de schadeveroorzaker of diens verzekeraar zijn opmerkingen over de toestand van de getroffene heeft kunnen maken (zie Bergen, 3 november 2003, J.L.M.B., 2004, 256).

Aangezien het algemeen beginsel van het recht van verdediging onderstelt dat de aansprakelijke derde of diens aansprakelijkheidsverzekeraar zijn opmerkingen kan maken bij de raming van de schade die te wijten is aan de hem verweten tekortkoming, is het aangewezen een geneesheer-deskundige aan te wijzen om te bepalen in welke mate de periodes en de percentages van arbeidsongeschiktheid die de administratieve gezondheidsdienst in aanmerking heeft genomen, in oorzakelijk verband staan met het ongeval van 30 maart 1999.

Het argument van [de eiseres] dat de aanwijzing van een geneesheer-deskundige met de voornoemde opdracht zal leiden tot de raming van de door M. L. M. geleden schade in plaats van de door de [eiseres] geleden schade, kan niet worden aangenomen.

Aangezien enkel de percentages en periodes van arbeidsongeschiktheid van het personeelslid van [de eiseres] de omvang van de door de [eiseres] geleden derving van arbeidsprestaties kunnen bepalen, en in samenhang met de brutowedde, zonder werkgeversbijdrage, die door de werkgever in de overheidssector is betaald, de raming van die schade mogelijk kunnen maken, is het gevorderde deskundigenonderzoek ongetwijfeld van belang voor de bepaling van de schade die [de eiseres] daadwerkelijk heeft geleden ten gevolge van het aan [de eerste verweerster] ten laste gelegde schadeveroorzakende feit".

Grieven

Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, verplicht deze te vergoeden.

Uit die wetsbepaling volgt, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat het oorzakelijk verband tussen een fout en een schade bewezen is als de rechter vaststelt dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zonder die fout in concreto is ontstaan. Op het zoeken naar de oorzaken staan geen grenzen. Ongeacht de ernst van de fout en de mate waarin die verband houdt met de schade, moet zij, als zij een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van de schade, geacht worden in oorzakelijk verband te staan met die schade, ook als de fout slechts in samenloop met andere factoren de schade heeft veroorzaakt.

De rechter beoordeelt het bestaan van een oorzakelijk verband in feite. Het staat evenwel aan het Hof van Cassatie om na te gaan of de feiten die de rechter op onaantastbare wijze heeft vastgesteld, de gevolgtrekkingen verantwoorden die hij daaruit in rechte heeft gemaakt, meer bepaald of die gevolgtrekkingen het wettelijk begrip oorzakelijk verband niet miskennen.

In deze zaak overweegt het bestreden vonnis dat "de door [de eerste verweerster] begane fout niet betwist wordt" en dat "de [eiseres] het afdoende bewijs levert schade te hebben geleden (...) die in oorzakelijk verband staat met de begane fout die het arbeidsongeval heeft veroorzaakt".

Uit die overwegingen volgt dat de eiseres, zonder de fout van de eerste verweerster, niet verplicht zou zijn geweest om aan haar personeelslid, tijdens de periode en voor de percentages die vastgesteld werden in de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst, die, volgens het bestreden vonnis, "bindend is voor de werkgever in de overheidssector" zijn wedde en de daarbij horende lasten door te betalen zonder daarvoor arbeidsprestaties te ontvangen.

Zonder de fout van de eerste verweerster zou er immers geen arbeidsongeval zijn geweest, en bijgevolg ook geen grond tot toepassing van de wetgeving van openbare orde betreffende die ongevallen, die onder meer het verplichte optreden van de administratieve gezondheidsdienst impliceert die op een voor de eiseres bindende wijze, het percentage en de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid in oorzakelijk verband met het ongeval moet bepalen.

Het bestreden vonnis, waaruit valt af te leiden dat uit het verslag van de administratieve gezondheidsdienst niet kan worden opgemaakt of de schade van de eiseres al dan niet in oorzakelijk verband staat met de fout van de eerste [verweerster], schendt artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, aangezien zij moet worden afgeleid uit de op onaantastbare wijze vastgestelde feiten dat, zonder de fout van de eerste verweerster, die schade niet in concreto zou zijn ontstaan zoals zij zich heeft voorgedaan.

Met de overweging volgens welke enkel de percentages en periodes van arbeidsongeschiktheid van het personeelslid van [de eiseres] de omvang van de door de [eiseres] geleden derving van arbeidsprestaties kunnen bepalen, schendt het bestreden vonnis, om dezelfde redenen, dezelfde wetsbepaling.

Zonder de fout van de eerste verweerster zou de schade zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan immers niet zijn ontstaan, zodat de eigen schade van de eiseres in oorzakelijk verband met de fout van de eerste verweerster bewezen is, zonder dat acht moet worden geslagen op de percentages en periodes van arbeidsongeschiktheid die door een gerechtelijk deskundigenonderzoek zouden worden bepaald.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld.

De overheid die ten gevolge van de fout van een derde, krachtens de op haar rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen, de wedde en de op die wedde rustende bijdragen moet doorbetalen aan een van haar personeelsleden, zonder daarvoor arbeidsprestaties te ontvangen, heeft recht op een vergoeding die de aldus geleden schade herstelt, voor zover uit de toepasselijke wettelijke en reglementaire verplichtingen volgt dat de voornoemde betalingen waartoe zij gehouden is, niet definitief voor haar rekening moeten blijven.

Het bestreden vonnis stelt vast dat de schade van het personeelslid van de eiseres te wijten is aan een ongeval waarvoor de eerste verweerster, de verzekerde van de tweede, aansprakelijk is, en dat de eiseres tegen die verweersters, op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, beroep heeft ingesteld om de brutowedde die aan haar personeelslid betaald is tijdens de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, alsook het bedrag van de daarop verschuldigde werkgeversbijdragen terug te vorderen.

Het bestreden vonnis overweegt eerst dat "[de eiseres] [...] niet aan[toont] dat zij een andere schade heeft geleden dan die welke voortvloeit uit de derving van de arbeidsprestaties van haar personeelslid waarvoor zij een wedde heeft betaald, zodat enkel die derving van arbeidsprestaties te dezen kan worden vergoed" en beslist vervolgens "dat die derving evenwel [zal] worden geraamd op basis van de wedde die de tegenprestatie blijkt te zijn die [de eiseres] genoten zou hebben indien het ongeval zich niet had voorgedaan, zijnde de [...] betaalde brutowedde, met uitsluiting van de werkgeversbijdragen die geen tegenprestatie zijn voor de diensten die [de eiseres] heeft gederfd".

De schade van de werkgever, namelijk de derving van de arbeidsprestaties, staat gelijk met de wedde en de daarbij horende sociale en fiscale lasten die hij moet betalen.

Het bestreden vonnis dat weigert de eiseres te vergoeden voor de betaling van de werkgeversbijdragen op de wedde die zij aan haar personeelslid diende te betalen tijdens de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, kent de eiseres geen volledige vergoeding van haar schade toe en schendt bijgevolg artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel

Wanneer de publieke rechtspersoon aan het door een arbeidsongeval getroffen personeelslid de wedde en de daarop rustende lasten heeft doorbetaald, zonder arbeidsprestaties te ontvangen die daarvoor de tegenprestatie zijn, en op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, van de derde die aansprakelijk is voor het ongeval de terugbetaling ervan vordert, dient hij, krachtens de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek te bewijzen dat hij, door die bedragen te betalen, een schade heeft geleden die in oorzakelijk verband staat met de fout van de derde.

Hij dient bijgevolg, overeenkomstig het gemeen recht, niet alleen het bedrag te bewijzen van hetgeen hij betaald heeft, maar ook dat die bedragen betaald zijn tijdens een periode waarin zijn personeelslid, door de daad van de derde, arbeidsongeschikt was terwijl hij hem die bedragen moest doorbetalen.

Uit de wet van 3 juli 1967 betreffende preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, alsook uit het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, inzonderheid uit artikel 8, volgt, enerzijds, dat de administratieve gezondheidsdienst uitspraak doet over de toepassing van die wet op het door een ongeval getroffen personeelslid, over het percentage en de duur van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, over de consolidatiedatum, het bestaan van blijvende letsels en over het percentage van blijvende ongeschiktheid dat eruit voortvloeit, anderzijds, dat de beslissingen van die dienst bindend zijn voor de werkgever in de overheidssector en het door het ongeval getroffen personeelslid dat echter tegen die beslissingen beroep kan instellen.

Het algemeen beginsel van het recht van verdediging staat trouwens eraan in de weg dat die beslissingen van de administratieve gezondheidsdienst bindend zijn voor derden, die deze kunnen betwisten.

In het geschil tussen, enerzijds, de werkgever en, anderzijds, de veroorzaker van het ongeval en diens BA-verzekeraar, over de eigen schade van de werkgever, gelden de beslissingen van de administratieve gezondheidsdienst, thans Medex, slechts als feitelijke vermoedens die de rechter beoordeelt.

Het bestreden vonnis stelt vast dat "[de eiseres], die zich baseert op het verslag van de administratieve gezondheidsdienst [...], de terugbetaling vordert van de wedde die zij heeft betaald tijdens de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid die [door die dienst] werden bepaald" en dat "[de verweerders] die de door de administratieve gezondheidsdienst bepaalde periodes van ongeschiktheid betwisten en de nadruk leggen op het eenzijdig karakter van het verslag van die dienst, vorderen dat een geneesheer-deskundige wordt aangewezen".

Het bestreden vonnis overweegt dat "hoewel die beslissing van de administratieve gezondheidsdienst wel degelijk bindend is voor de werkgever in de overheidssector, [...] die beslissing niet bindend [kan] zijn voor de aansprakelijke derde die geen mogelijkheid heeft om de omvang ervan te betwisten" en dat "het algemeen beginsel van het recht van verdediging onderstelt dat de aansprakelijke derde of diens aansprakelijkheidsverzekeraar zijn opmerkingen kan maken bij de raming van de schade die te wijten is aan de hem verweten tekortkoming".

Met die overwegingen verantwoordt het bestreden vonnis naar recht zijn beslissing om "een geneesheer-deskundige aan te wijzen om te bepalen in welke mate de periodes en de percentages van arbeidsongeschiktheid die de administratieve gezondheidsdienst in aanmerking heeft genomen, in oorzakelijk verband staan met het ongeval".

Het middel kan niet worden aangenomen.

Overige grieven

Het eerste onderdeel van het eerste middel dient niet te worden onderzocht, het kan immers niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het beslist dat de derving van de prestaties geraamd zal worden op basis van het door de eiseres betaalde brutoloon, met uitsluiting van de werkgeversbijdragen;

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis;

Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten, houdt de overige kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Verviers, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, raadshaer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 18 november 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Personeelslid

  • Getroffene

  • Ongeval veroorzaakt door een derde

  • Administratieve gezondheidsdienst

  • Beslissingen