- Arrest van 22 november 2011

22/11/2011 - P.11.0404.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Behoudens de in artikel 5, vierde lid, Strafwetboek genoemde publiekrechtelijke rechtspersonen, kunnen in beginsel alle rechtspersonen, zowel privaat- als publiekrechtelijk, strafrechtelijk verantwoordelijk zijn.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0404.N

VERENIGING VAN OCMW'S ASZ AALST, AUTONOME VERZORGINGSINSTELLING, met kantoor te 9300 Aalst, Merestraat 80,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. G D C,

burgerlijke partij,

2. L B,

burgerlijke partij,

3. M D C,

burgerlijke partij,

4. M D C,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 januari 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Op 3 november 2011 heeft advocaat-generaal Marc Timperman een conclusie neergelegd.

Op de rechtszitting van 22 november 2011 heeft raadsheer Alain Bloch verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest oordeelt dat het hoger beroep niet ontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op de aanwezigheid van bezwaren. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing en doet het evenmin uitspraak in een van de gevallen bedoeld door artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Het tegen die beslissing gerichte cassatieberoep is voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Middel

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en voor zoveel als nodig artikel 5, vierde lid, Strafwetboek: de appelrechters verklaren de strafvordering ten onrechte ontvankelijk; als publiekrechtelijke rechtspersoon kan de eiseres niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden beschouwd; de eiseres exploiteert een ziekenhuis, wat een activiteit is die gelijkaardig is aan deze van een privaatrechtelijke rechtspersoon; er bestaat een nauw verband tussen een OCMW en een vereniging van OCMW's in de zin van artikel 118 OCMW-wet, zoals de eiseres; wanneer een OCMW rechtstreeks een ziekenhuis exploiteert is zij bij toepassing van artikel 5, vierde lid, Strafwetboek niet strafrechtelijk verantwoordelijk; er is geen redelijke verantwoording voor het verschil in behandeling tussen een OCMW en de eiseres; de appelrechters schenden dan ook de artikelen 10 en 11 Grondwet.

De eiseres verzoekt het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt artikel 5, vierde lid, Strafwetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet doordat het de in dit artikel genoemde publiekrechtelijke rechtspersonen waaronder de OCMW's uit het toepassingsgebied van artikel 5 Strafwetboek sluit, terwijl een vereniging van OCMW's, zoals geregeld in de artikelen 118 en volgende OCMW-wet niet uit het toepassingsgebied van artikel 5 Strafwetboek wordt gesloten?"

3. Artikel 5, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat een rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd. Uit die bepaling volgt dat in beginsel alle rechtspersonen zowel privaat- als publiekrechtelijk, strafrechtelijk verantwoordelijk kunnen zijn.

4. Artikel 5, vierde lid, Strafwetboek bepaalt dat voor de toepassing van dit artikel niet als strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon kunnen worden beschouwd: de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Aldus formuleert deze bepaling voor de erin genoemde publiekrechtelijke rechtspersonen een uitzondering op de algemene regel van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen.

5. Het middel dat ervan uitgaat dat een OCMW dat een ziekenhuis exploiteert bij toepassing van artikel 5, vierde lid, Strafwetboek ten onrechte niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld en de eiseres die als OCMW-vereniging in de zin van artikel 118 OCMW-wet wel, kan niet tot cassatie leiden. De in het middel aangevoerde onwettigheid kan immers niet tot gevolg hebben dat de eiseres als OCMW-vereniging niet strafrechtelijk verantwoordelijk zou zijn.

Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Er is geen grond tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag.

Ambtshalve onderzoek

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten op 79,07 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 22 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Uitzonderingen