- Arrest van 24 november 2011

24/11/2011 - F.10.0080.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die ten gronde uitspraak doet over de geldigheid van het dwangbevel dat de verschuldigde BTW vordert, kan de normale waarde van de goederen en diensten die de deskundige heeft bepaald op zijn juistheid toetsen; bij die toetsing mag hij ook rekening houden met stukken die niet aan de deskundige zijn overgelegd (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0080.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie van de btw, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de ontvanger der registratie en domeinen, met kantoor te 3150 Haacht, Remy Van De Sandelaan 2,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. K. D. B.,

2. G. D. B.,

3. R. D. B.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 21 januari 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 21 juni 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift navolgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 189, 190, 191, 192, 195, 196, 197 en 199 Wetboek van Registratierechten (W. Reg.), artikel 199 vóór zijn wijziging bij wet van 9 juli 2004;

- de artikelen 1, 3, 4, 5, 8, 9, 10 en 12 van het KB nr. 15 van 3 juni 1970 tot regeling van de schattingsprocedure waarin artikel 59, § 2, van het Wetboek over de belasting over de toegevoegde waarde voorziet, de artikelen 1, 3 en 12 vóór hun wijziging bij KB van 21 januari 2008;

- de artikelen 32, 36, 59, § 2, van de Wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW-wetboek), artikel 32 vóór zijn wijziging bij wet van 27 december 2006, artikel 36 vóór zijn wijziging bij wet van 27 april 2007, 59, § 2, vóór zijn wijziging bij wet van 27 december 2005;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerders gegrond en hervormt het vonnis van de eerste rechter, behalve in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaarde.

Het bestreden arrest verklaart de vordering van verweerders gegrond en vernietigt het dwangbevel waartegen verzet in die zin dat bij de berekening van het nog verschuldigde bedrag der rechten rekening dient te worden gehouden met de afwerkingsfactuur van 7 juli 2000 ten bedrage van 1.200.000 BEF en 252.000 BEF BTW, uitgereikt door Jeproma nv, en met de facturen betreffende de levering van materialen voor een totaal bedrag van 84.914 BEF en 17.831 BEF BTW, op 18 juni 1999, 30 juni 1999 en 31 juli 1999 uitgereikt door Thiry Paints nv, en in die zin dat de boete op de rechten van het gebouw dienovereenkomstig dient te worden herberekend.

Het bestreden arrest overweegt hierbij als volgt:

"Het schattingsverslag werd aan (verweerders) betekend bij aangetekend schrijven van 21 februari 2002.

Verweerders) tekenden voor de eerste rechter verzet tegen het dwangbevel aan op 9 oktober 2002.

De eerste rechter verwierp de exceptie van onontvankelijkheid wegens laattijdigheid van de vordering, op grond dat het voorwerp van de vordering de vernietiging van het dwangbevel en niet de vernietiging van het schattingsverslag is.

(...)

Verder in zijn vonnis, waar hij de gegrondheid van het verzet beoordeelt, overwoog de eerste rechter: ‘De waardering door de deskundige is bindend voor (verweerders) in toepassing van de artikelen 12, 17 en 21 van het KB nr. 15 van 3 juni 1970. Zij hebben een termijn van één maand na de betekening van het deskundig verslag laten verstrijken zodat ze ook niet langer gerechtigd zijn een rechtsvordering tot nietigverklaring van het schattingsverslag (in te) stellen'.

"In hun verzetakte stellen (verweerders) dat zij de schatting van de deskundige niet aanvechten. (Verweerders) bekritiseren inderdaad niet het schattingsverslag.

Immers, enerzijds schatte de deskundige luidens het dwangbevel waartegen verzet het onroerend goed op 7 juni 1999.

Anderzijds stellen (verweerders) in de verzetakte dat de schattingsdeskundige ‘de waarde van de appartementen heeft geschat in afgewerkte staat, zoals vastgesteld op 7 september 2001 (deskundig verslag, pag. 3)'. Aldus bekritiseren zij het dwangbevel, en dus niet het schattingsverslag, nl. wat betreft de in aanmerking genomen schattingsdatum.

Verweerders bekritiseren niet het schattingsverslag, maar het dwangbevel waar zij in hun verzetakte stellen dat rekening dient te worden gehouden met de BTW ten belope van 252.000 BEF, vermits de afwerkingsdatum dateert van vóór 7 september 2001, datum waarop volgens hen de deskundige zich plaatste.

(...)

Het schattingsverslag bevat in bijlage een schrijven van de deskundige van 12 september 2001 aan (verweerders) naar luid van welk schrijven: ‘Tijdens mijn rondgang op 07.09 ll. heb ik vastgesteld dat alle te schatten appartementen op heden volledig afgewerkt (en in gebruik) zijn. Op het tijdstip van de overdracht van deze goederen zouden deze appartementen nog ‘in opbouw' geweest zijn. Bij middel van dit schrijven vraag ik u dan ook mij de staat van deze appartementen op het moment van de verkoop mede te delen', alsmede het antwoordschrijven van de fiscale raadgever van (verweerders) van 25 september 2001, in welk schrijven een overzicht wordt gegeven van de afwerking en facturatie, o.m. de afwerkingfactuur van 7 juli 2000 ten bedrage van 1.200.000 BEF.

Aan dit antwoordschrijven was kennelijk geen kopie van de afwerkingfactuur gevoegd.

In een schrijven van 22 oktober 2002 aan de ontvanger van de registratie gaf de deskundige zijn standpunt omtrent de aantijgingen van de verzetakte, en wees hij erop dat de afwerkingfactuur hem inderdaad niet werd bezorgd, tenzij drie maanden na neerlegging van het verslag.

De deskundige bevestigde in zijn voormeld schrijven dat hij de waarde van de appartementen in afgewerkte staat had geraamd.

(Eiser) houdt verkeerdelijk voor, hierin gevolgd door de eerste rechter, dat de deskundige de waarde van de appartementen raamde, niet op datum van 7 september 2001, maar op datum van 8 juni 1999.

De deskundige had van de vrederechter wel opdracht tot schatting op datum van 8 juni 1999.

In zijn verslag stelde de deskundige echter uitdrukkelijk dat ‘hij de normale waarde van de appartementen (zal) ramen in de toestand zoals door mij vastgesteld op 7 september 2001' (blz. 4, nr. 2.5 van het verslag) (het hof onderlijnt).

(Verweerders) stellen dan ook terecht dat rekening dient te worden gehouden met de afwerkingfactuur van 7 juli 2000.

De deskundige kon er zich niet van afmaken met te stellen dat hij de betreffende factuur niet ontving. De eerste rechter volgde hem daarin verkeerdelijk. Als een partij de aandacht van de deskundige op een belangrijk stuk vestigt, zoals in deze, moet de deskundige dat stuk desgevallend opvragen.

De fiscale raadgever van (verweerders) maakte in zijn voormeld antwoordschrijven van 25 september 2001 geen gewag van de facturen van Thiry Paints nv ten bedrage van 84.914 BEF.

Dit belet nochtans niet bij de berekening van de verkoopwaarde van het gebouw ook met die facturen rekening te houden".

(arrest, p.3-8).

Grieven

1. Krachtens artikel 36, § 1, BTW-wetboek, mag de maatstaf van heffing niet lager zijn dan de normale waarde zoals die bepaald is door artikel 32, tweede lid, ten aanzien van: a) de met voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde vervreemde gebouwen; b) werk in onroerende staat, wanneer het betrekking heeft op op te richten gebouwen.

Onder normale waarde wordt verstaan de prijs die hier te lande, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt, in dezelfde handelsfase voor ieder van de prestaties kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen (artikel 32, tweede lid, BTW-wetboek).

De Koning kan het tijdstip bepalen dat in aanmerking dient te worden genomen voor de vaststelling van de normale waarde (artikel 36, § 3, BTW-wetboek).

2. Overeenkomstig artikel 59, § 2, BTW-wetboek en 1 van het KB nr. 15 van 3 juni 1970, kan de ontvanger der registratie in wiens ambtsgebied het gebouw is gelegen een schatting door een deskundige vorderen om de normale waarde van de in artikel 36, §§ 1 en 2, bedoelde goederen en diensten te bepalen (cf. artikel 189 W. Reg.).

De schatttingsprocedure inzake BTW, zoals geregeld in voormeld KB nr. 15, is geïnspireerd op de schattingsprocedure inzake registratierechten, zoals geregeld door de artikelen 189 tot en met 200 W. Reg.

3. In de vordering tot schatting, die ter kennis wordt gebracht van de verkrijger van de met voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde vervreemde gebouwen, hierna "tegenpartij" genoemd, wordt onder meer vermeld: het tijdstip waarop de deskundigen zich moeten plaatsen om de normale waarde van het gebouw te bepalen, zijnde de datum van de overeenkomst (artikel 3 KB nr. 15; cf. artikel 190 W. Reg.).

In geval van vervreemding, voor een niet gesplitste prijs, van een onroerend goed bestaande uit een nog op te richten, een in oprichting zijnde of een opgericht gebouw, en de grond, vermeldt de vordering tot schatting bovendien de waarde onderscheidenlijk van de grond en van het gebouw, zoals zij door de administratie overeenkomstig de artikelen 30 en 36, § 1, a, van het Wetboek, is geschat.

4. Artikel 4 van het KB nr. 15 bepaalt dat de ontvanger en de tegenpartij, binnen de 15 dagen na de kennisgeving bedoeld in artikel 1, kunnen overeenkomen de schatting op te dragen aan één of aan drie door hen gekozen deskundigen (cf. artikel 191 W. Reg.).

Bij gemis van het onder artikel 4 van het KB nr. 15 voorzien akkoord, richt eiser, overeenkomstig artikel 5 van het KB nr. 15, aan de vrederechter in wiens ambtsgebied het gebouw is gelegen, een verzoekschrift waarin de feiten worden uiteengezet en dat de vordering tot schatting inhoudt. Het verzoekschrift wordt aan de tegenpartij betekend. De rechter beslist binnen vijftien dagen na het verzoekschrift; hij beveelt de schatting en benoemt, naar vereiste van omstandigheden, een of drie deskundigen (artikel 5 van het KB nr. 15, cf. artikel 192 W. Reg.).

5. De deskundige of, in voorkomend geval, de drie gezamenlijk optredende deskundigen, die door de ontvanger in kennis worden gesteld van de opdracht die hen is toevertrouwd, gaan de normale waarde na die het in de vordering tot schatting vermelde gebouw heeft op het erin vermelde tijdstip. In het geval bedoeld in artikel 3, tweede lid, KB nr. 1, gaan ze bovendien de verkoopwaarde na van de grond, alsmede de verkoopwaarde van het gehele onroerende goed (artikel 9 KB nr. 15; cf. artikel 196 W. Reg.).

De door de deskundigen gegeven waardering, en, in geval zij het onder elkaar niet eens zijn, de waardering van de meerderheid of, indien er geen meerderheid is, de tussenliggende waardering, bepaalt de waarde voor de heffing van de belasting (artikel 10 KB nr. 15; cf. artikel 197 W. Reg.).

6. Tegen de beslissing van de deskundigen kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend. De ontvanger of de tegenpartij kan echter de nietigverklaring van de schatting vorderen wegens overtreding van de wet, wegens stoffelijke vergissing of wegens schending van de hoofdzakelijke vormen. De rechtsvordering dient op straffe van verval te worden ingeleid binnen de termijn van één maand na de betekening van het verslag; ze wordt gebracht voor de volgens de gewone regelen bevoegde rechtbank van de in artikel 5 bepaalde plaats. Wordt de nietigheid uitgesproken, dan wordt door de rechtbank van ambtswege, bij hetzelfde vonnis, een nieuwe schatting bevolen (artikel 12 KB nr. 15; cf. artikel 199 W. Reg.).

Het Grondwettelijk Hof oordeelde bij arrest van 7 december 1999 (nr. 132/99) dat de artikelen 197 en 199 van W. Reg. de artikelen 10 en 11 Grondwet schenden doordat zij er niet in voorzien dat, in tegenstelling tot wat het geval is met een deskundigenonderzoek geregeld in het Gerechtelijk Wetboek, de rechter een toetsing kan uitoefenen over de waardebepaling door de deskundigen.

7. Uit de artikelen 3, 9, 10 KB nr. 15, 36 BTW-wetboek, 190, 196 en 197 W. Reg. volgt dat het tijdstip waarop de deskundigen zich moeten plaatsen bij de schatting een wezenlijk element is voor de bepaling van de maatstaf van de heffing.

Wanneer de deskundigen bij het schatten van de goederen een andere datum in aanmerking hebben genomen dan het tijdstip waarop de grondslag voor de heffing van de belasting moet worden bepaald, zijnde inzake BTW het tijdstip van de overeenkomst van vervreemding, is er sprake van een overtreding van de wet in de zin van de artikelen 12 KB nr. 15 en 199 W. Reg.

Het schatten van de goederen op datum van de controleschatting in plaats van op datum van de overeenkomst van vervreemding, of het schatten van de goederen op datum van de controleschatting zonder rekening te houden met de waarde van de goederen in afgewerkte staat, kan aldus een oorzaak van nietigheid van de schatting vormen in de zin van voormelde bepalingen, minstens kan de waardebepaling op die gronden worden aangevochten, één en ander op voorwaarde dat deze rechtsvordering wordt ingeleid binnen de termijn van één maand na de betekening van het verslag.

8. Het bestreden arrest stelt vast dat verweerders in hun verzetsakte aanvoerden dat de schattingsdeskundige de waarde van de appartementen heeft geschat in afgewerkte staat, zoals vastgesteld op 7 september 2001, doch zonder rekening te houden met de afwerkingsfactuur van 7 juli 2000 ten bedrage van 1.200.000 BEF en 252.000 BEF BTW, uitgereikt door Jeproma nv (arrest, p. 5, vierde en vijfde alinea).

Het verwijt dat de deskundige geen rekening hield met deze afwerkingsfactuur, ofschoon die dateert van vóór 7 september 2001, datum waarop volgens verweerders de deskundige zich plaatste bij de schatting van de gebouwen, komt neer op een kritiek tegen het schattingsverslag zelf.

Hoewel het verzet van de verweerders ertoe strekte het dwangbevel dd. 22 augustus 2002 ongeldig en zonder enige waarde te doen verklaren, steunde dit verzet hoofdzakelijk op motieven die rechtstreeks tegen het schattingsverslag zijn gericht.

De kritiek dat de deskundige naliet rekening te houden met de waarde van de gebouwen in afgewerkte staat op datum van 7 september 2001, in zoverre geen rekening was gehouden met de afwerkingsfactuur van 7 juli 2000 ten bedrage van 1.200.000 BEF en 252.000 BEF BTW, uitgereikt door Jeproma nv, betreft derhalve geen kritiek die gericht is tegen het dwangbevel, maar tegen het schattingsverslag zelf.

Hetzelfde geldt voor de kritiek dat de deskundige geen rekening hield met de facturen betreffende de levering van materialen voor een totaal bedrag van 84.914 BEF en 17.831 BEF BTW, op 18 juni 1999, 30 juni 1999 en 31 juli 1999 uitgereikt door Thiry Paints nv, en met de waarde van het eigen werk ten belope van 84.914 BEF voor de schilderwerken die verweerders zelf uitvoerden (arrest, p. 6, vierde alinea).

9. Het bestreden arrest beaamt de kritiek van de verweerders tegen het schattingsverslag dat de deskundige ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de afwerkingsfactuur van 7 juli 2000 ten bedrage van 1.200.000 BEF en 252.000 BEF BTW, en met de facturen betreffende de levering van materialen voor een totaal bedrag van 84.914 BEF en 17.831 BEF BTW, op 18 juni 1999, 30 juni 1999 en 31 juli 1999 uitgereikt door Thiry Paints nv, en stelt vast dat de deskundige er zich niet van (kon) afmaken met te stellen dat hij de betreffende factuur niet ontving. De eerste rechter volgde hem daarin verkeerdelijk. Als een partij de aandacht van de deskundige op een belangrijk stuk vestigt, zoals in deze, moet de deskundige dat stuk desgevallend opvragen" (arrest, p. 8, vijfde alinea).

Het bestreden arrest geeft aldus ook zelf in duidelijke bewoordingen te kennen dat het schattingsverslag door een gebrek was aangetast.

10. Aangezien het schattingsverslag op 21 februari 2002 aan verweerders was betekend (arrest, p. 4, tweede alinea), was de vervaltermijn om een rechtsvordering in te dienen tegen de schatting van de deskundige, overeenkomstig de artikelen 12 KB nr. 15 en 199 W. Reg., op 21 maart 2002 definitief vervallen.

De vordering van verweerders, ingeleid bij dagvaarding van 9 oktober 2002, was derhalve niet ontvankelijk in zoverre het verzet van verweerders gericht was tegen de schatting van de deskundigen.

Het ingetreden verval op grond van de artikelen 12 KB nr. 15 en 199 W. Reg. kan niet worden omzeild via een verzetsprocedure tegen het dwangbevel waarin de betaling wordt gevorderd van de bijkomende rechten, berekend op basis van het definitief geworden schattingsverslag.

11. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, door te oordelen dat de kritiek gericht tegen het feit dat de deskundige heeft nagelaten rekening te houden met de afwerkingsfactuur van 7 juli 2000 ten bedrage van 1.200.000 BEF en 252.000 BEF BTW, uitgereikt door Jeproma nv, en met de facturen betreffende de levering van materialen voor een totaal bedrag van 84.914 BEF en 17.831 BEF BTW, op 18 juni 1999, 30 juni 1999 en 31 juli 1999 uitgereikt door Thiry Paints nv, niet gericht is tegen het schattingsverslag, maar tegen het dwangbevel, eerste onderdeel, de bewijskracht heeft miskend van de akte van verzet van verweerders dd. 9 oktober 2002, nu die kritiek wel degelijk was gericht tegen de wijze waarop de deskundige de gebouwen heeft geschat (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek), tweede onderdeel, het wettelijk begrip "overtreding van de wet" in de zin van de artikelen 12 KB nr. 15 en 199 W. Reg., heeft miskend, in zoverre de bedoelde kritiek, die betrekking heeft op het tijdstip van de schatting, minstens op de waardebepaling door de deskundige, wel degelijk een gebrek van de schatting tot voorwerp had die overeenkomstig voormelde bepalingen, binnen de vervaltermijn van één maand na de betekening van het verslag, diende te worden aangevoerd (schending van de artikelen 1, 3, 9, 10, 12 KB nr. 15, 36, 59, § 2, BTW-wetboek, 190, 196, 197 en 199 W. Reg.).

12. In de mate dat de kritiek van verweerders buiten de vervaltermijn van de artikelen 12 KB nr. 15 en 199 W. Reg. was aangevoerd, heeft het bestreden arrest, derde onderdeel, niet wettig, zonder schending van deze bepalingen, de vordering van de verweerders ontvankelijk verklaard, minstens zich niet wettig ten gronde over deze betwisting uitgesproken, dienvolgens niet wettig het dwangbevel vernietigd in die zin dat bij de berekening van het nog verschuldigde bedrag der rechten rekening dient te worden gehouden met de afwerkingsfactuur van 7 juli 2000 ten bedrage van 1.200.000 BEF en 252.000 BEF BTW, uitgereikt door Jeproma nv, en met de facturen betreffende de levering van materialen voor een totaal bedrag van 84.914 BEF en 17.831 BEF BTW, op 18 juni 1999, 30 juni 1999 en 31 juli 1999 uitgereikt door Thiry Paints nv, en in die zin dat de boete dienovereenkomstig dient te worden herberekend (schending van de artikelen 32, 36, 59, § 2, BTW-wetboek, 1,3, 4, 5, 9, 10 en 12 van het KB nr. 15, 189, 190, 191, 192, 196, 197 en 199 W. Reg.).

13. Krachtens de artikelen 8 van het KB nr. 15 en 195 W. Reg. kunnen de partijen aan de deskundige "beweringen en opmerkingen" doen aanhoren, terwijl van ieder stuk dat door een van de partijen aan de deskundige wordt medegedeeld meteen door haar aan de andere partij, bij ter post aangetekend schrijven, een afschrift moet worden gezonden.

Uit deze bepalingen volgt dat de deskundige enkel rekening kan houden met de stukken die hem tijdig door de partijen worden bezorgd, vóór het verslag overeenkomstig de artikelen 9 KB nr. 15 en 196 W. Reg. wordt neergelegd ter griffie van het vredegerecht.

Wanneer een partij beslist een bepaald stuk niet te bezorgen aan de deskundige, ofschoon zij daartoe door de deskundige was aangezocht, gebeurt dit op eigen risico van die partij en mag niet van de deskundige worden verwacht dat hij dit stuk alsnog bij die partij moet opvragen.

Met stukken die de deskundige niet of niet tijdig werden bezorgd, kan de rechter evenmin rekening houden bij de berekening van de verkoopwaarde van een gebouw.

14. Uit het bestreden arrest blijkt dat de deskundige bij schrijven van 12 september 2001 aan de verweerders had gevraagd hem de staat van de appartementen op het moment van de verkoop mede te delen, waarop de fiscale raadgever van verweerders, bij schrijven van 25 september 2001, had geantwoord met een overzicht van de afwerking en facturatie, onder meer met vermelding van de afwerkingsfactuur van 7 juli 2000 ten bedrage van 1.200.000 BEF, afkomstig van Jeproma nv, doch zonder dat een kopie van de afwerkingsfactuur was gevoegd (arrest, p. 7, punt 2, eerste en tweede alinea).

Het bestreden arrest stelt vast dat de deskundige in een schrijven van 22 oktober 2002 aan de ontvanger der registratie aangaf dat de afwerkingsfactuur van 7 juli 2000, hem niet werd bezorgd, tenzij drie maanden na neerlegging van het verslag (p. 7, voorlaatste alinea).

Het bestreden arrest stelt tevens vast dat de fiscale raadgever van verweerders in zijn voormeld schrijven van 25 september 2001 geen gewag heeft gemaakt van de facturen van Thiry Paints nv ten bedrage van 84.914 BEF.

15. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, vierde onderdeel, niet wettig, zonder schending van de artikelen 8, 9 van het KB nr. 15, 195 en 196 W. Reg., heeft kunnen beslissen dat de deskundige, wiens aandacht was gevestigd op het bestaan van de bedoelde afwerkingsfactuur, er zich niet kon van afmaken met te stellen dat hij de betrokken factuur niet ontving en zelf dit stuk had moeten opvragen, noch wettig heeft beslist dat het feit dat aan de deskundige geen melding was gedaan van de facturen van Thiry Paints nv, niet belet bij de berekening van de verkoopwaarde van het gebouw ook met die facturen rekening te houden, mitsdien niet wettig het dwangbevel heeft vernietigd in die zin dat bij de berekening van het nog verschuldigde bedrag der rechten rekening dient te worden gehouden met deze afwerkingsfactuur, alsook met de facturen van Thiry Paints nv, en in die zin dat de boete dienovereenkomstig dient te worden herberekend (schending van de artikelen 32, 36, 59, § 2, BTW-wetboek, 1,3, 4, 5, 8, 9, 10 en 12 van het KB nr. 15, 189, 190, 191, 192, 195, 196, 197 en 199 W. Reg.).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert aan dat de appelrechter onterecht oordeelt dat het verzet van de verweerders tegen het dwangbevel was gericht en niet tegen het schattingverslag, waartegen de verweerders niet tijdig een rechtsmiddel hebben aangewend; de appelrechter oordeelt immers dat het schattingverslag met een gebrek is behept, omdat het geen rekening heeft gehouden met de afwerkingfactuur van 7 juli 2000, opgemaakt voor 1.200.000 frank in hoofdsom en 252.000 frank btw, en met de facturen betreffende levering van materialen voor een totaal bedrag van 84.919 frank in hoofdsom en 17.831 frank btw; aldus miskent de appelrechter de bewijskracht van de verzetakte.

2. De appelrechter oordeelt dat:

- volgens het dwangbevel de deskundige het onroerend goed heeft geschat volgens de waarde op 7 juni 1999;

- de verweerders in de verzetakte de schatting van de deskundige niet aan-vechten;

- de verweerders hebben aangevoerd dat de deskundige de waarde van het appar-tement heeft geschat in afgewerkte staat, zoals vastgesteld op 7 september 2001;

- de verweerders aldus het dwangbevel bekritiseren, namelijk de daarin vermelde schattingdatum.

3. De appelrechter geeft aldus van de verzetakte van de eiser een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Hij miskent dus de bewijs-kracht ervan niet.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede en derde onderdeel

4. Het hier toepasselijke artikel 59, § 2, Btw-wetboek bepaalt:

"§ 2. Onverminderd de in § 1 genoemde bewijsmiddelen, is de door de Koning aangewezen ambtenaar of de belastingplichtige bevoegd een deskundige schatting te vorderen om de normale waarde van de in artikel 36, §§ 1 en 2, bedoelde goederen en diensten te bepalen.

Die bevoegdheid bestaat eveneens ten aanzien van de goederen bedoeld in artikel 12, § 2, en de diensten bedoeld in artikel 19, § 2, wanneer ze betrekking hebben op de oprichting van een gebouw.

Als minimummaatstaf van heffing geldt de normale waarde van het goed of van de dienst, zoals ze door de deskundige is bepaald.

De Koning geeft regelen in verband met de schattingsprocedure. Hij bepaalt de termijn waarbinnen die procedure moet worden ingesteld en wijst aan wie de kosten ervan moet dragen".

5. Die wetsbepaling verbiedt de rechter niet de waarde die de deskundige heeft bepaald, op zijn juistheid te toetsen. Ze machtigt evenmin de Koning die rechterlijke controle op onevenredige wijze in te perken.

Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel vereist dat, zoals in het gemeen recht, de rechter de schatting van de deskundige moet kunnen toetsen.

Indien de Koning in uitvoering van artikel 59, § 2, derde en vierde lid, Btw-wet-boek, de rechter dit toetsingsrecht ontzegt, dan overschrijdt Hij de grenzen van die wetsbepaling en is dergelijke regeling strijdig met de artikelen 10 en 11 Grond-wet.

6. Het hier toepasselijke artikel 10, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970 tot regeling van de schattingprocedure waarin artikel 59, § 2, Btw-wetboek voorziet (hierna: KB nr. 15), bepaalt: "De door de deskundigen gegeven waardering, en, in geval zij het onder elkaar niet eens zijn, de waardering van de meerderheid of, indien er geen meerderheid is, de tussenliggende waardering, bepaalt de waarde voor de heffing van de belasting."

Het hier toepasselijke artikel 12 KB nr. 15 bepaalt: "Tegen de beslissing van de deskundigen kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend. De ontvanger of de tegenpartij kan echter de nietigverklaring van de schatting vorderen wegens overtreding van de wet, wegens stoffelijke vergissing of wegens schending van de hoofdzakelijke vormen. De rechtsvordering dient op straffe van verval te worden ingeleid binnen de termijn van één maand na de betekening van het verslag; ze wordt gebracht voor de volgens de gewone regelen bevoegde rechtbank van de in artikel 5 bepaalde plaats. Wordt de nietigheid uitgesproken, dan wordt door de rechtbank van ambtswege, bij hetzelfde vonnis, een nieuwe schatting bevolen."

7. Uit voornoemde artikelen 10, tweede lid, en 12 KB nr. 15 volgt dat de rechter de waarde-bepaling van de deskundige niet kan herzien. Hij kan enkel een nieuwe schatting bevelen indien de wet is overtreden, een materiële vergissing is begaan of een hoofdzakelijk vormvoorschrift is miskend.

Die regeling is in strijd met de artikelen 10 en 11 Grondwet, zodat de rechter op grond van artikel 159 Grondwet deze bepalingen buiten toepassing moet laten.

8. De voormelde ongrondwettelijkheid van die artikelen heeft tot gevolg dat de rechter wel de waardebepaling in het deskundigenverslag op zijn juistheid kan toetsen.

De onderdelen die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen naar recht.

Vierde onderdeel

9. Uit het antwoord op het tweede en derde onderdeel volgt dat de rechter die ten gronde uitspraak doet over de geldigheid van het dwangbevel dat de verschuldigde btw vordert, de waardebepaling in het deskundigenverslag op zijn juistheid kan toetsen.

Bij die toetsing mag hij ook rekening houden met stukken die niet aan de deskundige zijn overgelegd.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 248,36 euro en voor de verweerders op 146,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 24 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Maatstaf van heffing

  • Controleschatting

  • Waardebepaling door de deskundige

  • Toetsingsrecht van de rechter