- Arrest van 24 november 2011

24/11/2011 - F.10.0118.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Van “een vergissing van de douaneautoriteiten zelf” welke recht geeft op niet-navordering in de zin van artikel 5, tweede lid, van de E.G.-verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 en van artikel 220.2, b), van het Communautair Douanewetboek, is geen sprake wanneer de overheden die het onjuist certificaat afleveren, misleid zijn met betrekking tot de oorsprong van de goederen door onjuiste verklaringen waarvan zij de geldigheid niet behoeven te controleren of te beoordelen; het feit dat een exporteur een onjuiste aangifte voorlegt aan de bevoegde overheid sluit weliswaar niet noodzakelijk uit dat de overheid een actieve vergissing heeft begaan, maar deze voorwaarde kan niet vervuld worden geacht en er ontstaat derhalve geen recht op niet-navordering, wanneer de bevoegde autoriteiten klaarblijkelijk niet wisten noch moesten weten dat de door de exporteur gegeven informatie onjuist was (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0118.N

T.C.H. IMPORT bvba, met zetel te 1000 Brussel, Hoogstraat 97,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de Gewestelijke Directeur der Douane en Accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 29 juni 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 30 maart 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, heeft de eiseres voor de appelrechters niet aangevoerd dat aan de voorwaarden van artikel 220.2, b), CDW voldaan was omdat niet alleen de autoriteiten van Macou wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet in aanmerking konden komen voor preferentiële behandeling maar ook omdat de Europese commissie en de nationale douaneautoriteiten vergissingen hebben begaan.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

2. Artikel 5, tweede lid, van de verordening 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, bepaalt: "De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot de navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte."

Dezelfde regel, toepasselijk op een deel van de invoeren, is overgenomen in artikel 220. 2, b), eerste lid, van de verordening 2913/92 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek (CDW), dat bepaalt: "Behalve in de gevallen (...) wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer: (...) b) het wettelijk verschuldigd bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan".

3. Artikel 220.2, b), tweede en derde lid, CDW, ingevoegd bij de verordening 2700/2000 van 16 november 2000 tot wijziging van de verordening 2913/92, bepaalt dat wanneer de preferentiële status van de goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij instanties van een derde land betrokken zijn, de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat wordt aangemerkt als een vergissing die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt, in de in het eerste lid van artikel 220.2, b), bedoelde zin. De afgifte van een onjuist certificaat wordt echter niet als een vergissing aangemerkt, wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.

4. Er ontstaat geen recht op niet-navordering, wanneer de overheden die het onjuist certificaat afleveren misleid zijn met betrekking tot de oorsprong van de goederen door onjuiste verklaringen waarvan zij de geldigheid niet behoeven te controleren of te beoordelen. Het feit dat een exporteur een onjuiste aangifte voorlegt aan de bevoegde overheid sluit weliswaar niet noodzakelijk uit dat de overheid een actieve vergissing heeft begaan, maar deze voorwaarde kan niet vervuld worden geacht en er ontstaat derhalve geen recht op niet-navordering, wanneer de autoriteiten die het onjuist certificaat afgaven, klaarblijkelijk niet wisten noch moesten weten dat de door de exporteur gegeven informatie onjuist was.

5. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat aan de eerste voorwaarde voor niet-navordering bepaald in artikel 220.2,b), CDW, met name een vergissing van de bevoegde autoriteiten, is voldaan wanneer ten aanzien van de afgifte van het oorsprongcertificaat de bevoegde Europese autoriteiten of de autoriteiten van de invoerstaat wisten of behoorden te weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op de som van 241,51 euro en voor de verweerder op de som van 84,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 24 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Invoer van goederen in een land van de Europese Gemeenschappen

  • Controle van oorsprong

  • Recht van niet-navordering

  • Vergissing van de bevoegde autoriteiten

  • Actieve gedraging

  • Onjuiste aangifte vanwege de exporteur