- Arrest van 25 november 2011

25/11/2011 - D.11.0016.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Genicot.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.11.0016.F

D. M.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

DE STAFHOUDER VAN DE FRANSTALIGE ORDE VAN ADVOCATEN VAN DE BALIE TE BRUSSEL,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van 18 mei 2011 van de Franstalige en Duitstalige tuchtraad van beroep.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert vier middelen aan in zijn cassatieverzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het algemeen beginsel van het recht van verdediging, de artikelen 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 14.3, g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten impliceren met name dat de beklaagde of de vervolgde het recht heeft niet aan de bewijsvoering van de hem ten laste gelegde feiten te moeten meewerken en niet aan zijn veroordeling te moeten bijdragen.

Die bepalingen zijn in de regel van toepassing op tuchtzaken, zelfs als de beroepsbeoefenaar trouw, oprechtheid en eerbied aan de tuchtrechtelijke overheid verschuldigd is.

Het stilzwijgen of de passieve houding van de vervolgde advocaat kunnen op zich dus geen tuchtsanctie of verzwaring van die sanctie tot gevolg hebben.

De in het middel bedoelde bepalingen en algemene rechtsbeginselen impliceren echter niet dat de verklaring die een advocaat in het kader van een tuchtonderzoek vrij heeft afgelegd ten overstaan van de tuchtrechtelijke overheid van de balie, hem niet ten laste kan worden gelegd.

Het middel, volgens hetwelk de eiser de hem ten laste gelegde verklaringen te dezen zou hebben afgelegd omdat zijn plicht tot trouw, oprechtheid en eerbied ten aanzien van de tuchtrechtelijke overheid van de balie hem dat gebood, zou het Hof verplichten feitelijke gegevens na te gaan, waartoe het niet bevoegd is.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De bestreden beslissing citeert passages - uit de bladzijden 1 en 4, zevende paragraaf - van het verslag van het onderhoud dat op 17 november 2008 heeft plaatsgevonden tussen de eiser en de verslaggever van de tuchtraad en stelt vast dat "[de eiser], in de brief die hij op 25 november 2008 naar de verslaggever van de tuchtraad heeft gestuurd na de kennisgeving van het ontwerp van verslag van het onderhoud van 17 november 2008, niet betwist heeft dat hij het lied 'aangeheven' had en preciseert dat 'dit onderhoud volledig en waarheidsgetrouw is weergegeven' (hoofdconclusie [van de eiser], p. 15)".

Luidens de beslissing is "het in de eerste grief weergegeven feit boven elke redelijke twijfel aangetoond door het verband tussen de gegevens uit de allereerste verklaringen die [de eiser] vrij heeft afgelegd bij het begin van zijn onderhoud met de verslaggever van de tuchtraad (cf. hierboven), uit [eisers] brief van 25 november 2008 aan die verslaggever, uit de memorie die [de eiser] heeft neergelegd op de zitting van 17 september 2009 van de tuchtraad van het hof van beroep te Brussel en uit de verklaringen die [de eiser] heeft afgelegd op de zitting van 8 december 2010 van de tuchtraad van beroep" en dat "die bovenvermelde feitelijke gegevens niet op onregelmatige wijze zijn verzameld en geen enkel gebrek vertonen waardoor ze niet betrouwbaar zouden zijn of het recht op een eerlijk proces in het gedrang zouden brengen".

Luidens de beslissing zijn "de kritieken van [de eiser] op de vragen die hem door de verslaggever van de tuchtraad zijn gesteld in het tweede gedeelte van het onderhoud van 17 november 2008 (vanaf de negende paragraaf van bladzijde 4 van het verslag) alsook op het verslag van het tuchtonderzoek, dat door mr. C. op 9 april 2009 is opgesteld, niet relevant, aangezien de tuchtraad van beroep het bewijs van het feit baseert noch op het antwoord [van de eiser] op die vragen noch op de desbetreffende gegevens uit het onderzoeksverslag".

Aangezien de beslissing niet gegrond is op het onderzoeksverslag maar op andere bewijzen, is het middel, dat het arrest verwijt dat het dat onderzoeksverslag in aanmerking neemt, niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Het middel preciseert niet in hoeverre de passage uit het verslag van het onderhoud van 17 november 2008, die door de bestreden beslissing in aanmerking wordt genomen, zijn vermoeden van onschuld zou miskennen. Het feit dat een andere passage uit dat document, waarop de bestreden beslissing niet gegrond is, zou aantonen dat de verslaggever van de tuchtraad niet onpartijdig tewerk is gegaan, impliceert op zich niet dat het voormelde verslag in zijn geheel partijdig zou zijn.

Het middel, in zoverre het ontvankelijk is, kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de beslissing één enkele grief aan de eiser ten laste legt, met name de eerste grief, die als volgt is verwoord: "U zou op een gegeven ogenblik de [litigieuze] woorden gezongen hebben op de melodie van het lied L'eau vive van Guy Béart : [...]".

De vergeefs bekritiseerde redenen van de bestreden beslissing, die in antwoord op het tweede middel zijn weergegeven, verantwoorden de beslissing volgens welke die grief is aangetoond, op afdoende wijze.

Het middel, dat gericht is tegen de overtollige overweging van de bestreden beslissing dat "het litigieuze feit bevestigd wordt door de beelden van de videocassette, die bekeken werd op de rechtszitting van 19 januari 2011, waarop te zien is hoe [de eiser] samen met anderen het litigieuze lied zingt", is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Vierde middel

Door de verwerping van de eerste drie middelen wordt de bestreden beslissing definitief.

Het vierde middel, dat gericht is tegen de beslissing dat het cassatieberoep geen opschortende werking zal hebben, heeft bijgevolg geen reden van bestaan meer.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 25 november 2010 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Recht van verdediging

  • Tuchtzaken

  • Toepasselijkheid

  • Draagwijdte

  • Advocaat

  • Verklaring t.a.v. de tuchtrechtelijke overheid