- Arrest van 25 november 2011

25/11/2011 - C.09.0415.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek impliceert dat de bewaarder van het dier ten tijde van het schadelijke feit niet alleen het meesterschap erover heeft, maar daarop ook een onverminderd recht van leiding en toezicht, zonder medewerking van de eigenaar, alsmede van gebruik, zoals de eigenaar (1). (1) Zie andersl. concl. O.M. in Pas. 2011, AR C.09.0415.F, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.09.0415.F

L. M.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ETHIAS nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 12 maart 2009 van het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan in het cassatieverzoekschrift, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de eiseres, toen 16 jaar, op het ogenblik van het ongeval deelnam aan een stage paardrijden, les volgde onder leiding van een instructrice en dat zij, in opdracht van de instructrice, over een rij hindernissen van 50 centimeter moest springen en haar paard vervolgens naar rechts moest sturen, maar dat het paard naar links uitweek zodat de paardrijdster uit balans raakte en zwaar ten val kwam.

Enerzijds beslist het arrest dat "de overwegingen van [de eiseres] met betrekking tot de invloed, in dit geval, van de aanwezigheid van de instructrice niet kunnen worden aangenomen" en "dat dit zou betekenen dat geen enkele ruiter het volledige meesterschap over zijn paard zou kunnen hebben zodra een instructeur aanwezig is".

Het arrest beantwoordt aldus de conclusie van de eiseres, door deze tegen te spreken, waarin zij aanvoerde dat zij het meesterschap over haar paard was verloren omdat zij de bevelen van de instructrice diende op te volgen.

Anderzijds bepaalt artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek dat de eigenaar van een dier, of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die zich ervan bedient, aansprakelijk is voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was.

Die bepaling impliceert dat de bewaarder van het dier ten tijde van het schadelijke feit niet alleen het meesterschap erover had, maar ook recht van leiding en toezicht, zonder medewerking van de eigenaar, alsmede van gebruik, zoals de eigenaar.

Hoewel de feitenrechter in feite oordeelt of de persoon de bewaarder van een dier is, moet het Hof evenwel nagaan of die rechter uit de vastgestelde feiten het bestaan van de bewaring naar recht heeft kunnen afleiden.

Het arrest beslist dat de eiseres "geen beginner was", dat "zij het brevet ‘Etrier d'Or' behaald had, dat bestaat uit een theoretische proef met betrekking tot, met name, de gedragspatronen van het paard, en een praktische proef inzake dressuur en het springen over bepaalde hindernissen", dat "de situatie van [de eiseres] dus niet vergeleken kan worden met die van een onervaren of weinig ervaren ruiter", dat "het brevet ‘Etrier d'Or' aantoont dat zij, in evenwicht en in de stijgbeugels, over een rij cavaletti's van 40 centimeter hoogte kan springen, gevolgd door sprongen, in galop, over drie of vier hindernissen van 60 centimeter hoog, met een overgang in galop/draf/galop", en dat "het ongeval zich haast aan het einde van een stage paardrijden van vier dagen heeft voorgedaan, tijdens welke [de eiseres] herhaaldelijk heeft moeten rijden op het paard waarmee ze het ongeval heeft gehad".

De appelrechters hebben op grond van die redenen wettig kunnen beslissen dat "de bewaring van het paard was overgegaan naar [de eiseres], die er op het ogenblik van het ongeval de meesterschap over had".

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Christine Matray, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 25 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bewaarder

  • Macht van leiding, toezicht en gebruik