- Arrest van 28 november 2011

28/11/2011 - C.10.0725.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 3.1, eerste tot zesde lid van de Pachtwet volgt dat de exploitant van een landeigendom die het bestaan van een pachtovereenkomst wenst te bewijzen door middel van een aanbod van betaling niet alleen een aanbod van betaling moet doen, maar dat hij ook een bevestigingsbrief moet sturen, waarin hij het bestaan van de pacht bevestigt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0725.N

1. K. S.,

2. L. B.,

eisers,

aan wie rechtsbijstand werd verleend bij beslissing van 7 oktober 2010 (nr. G.10.0167.N),

vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. G. C.,

2. C. M.,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 31 mei 2010.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 27 september 2011 verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De appelrechters verwerpen het verweer dat is aangehaald in het onderdeel niet alleen met de reden erin vermeld, maar zij oordelen tevens:

"De eerste rechter liet de eisers toe met alle middelen van recht het bestaan van een pachtovereenkomst te bewijzen.

Terecht oordeelde hij dat het getuigenbewijs niet in het minst het bestaan van een pachtovereenkomst aan het licht heeft gebracht. De enige onafhankelijke en onpartijdige getuige was de heer L. en hij wist helemaal niets te vertellen over enige pachtprijs".

Het onderdeel, dat uitgaat van een onvolledige lezing, mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

2. Omtrent de getuigenverklaringen die de eisers voorlegden, heeft de eerste rechter geoordeeld dat zij onvoldoende bewijswaarde hebben vermits niet is geweten in welke omstandigheden en met welke drijfveer zij zijn opgemaakt.

De eisers hebben deze geschreven getuigenverklaringen aan het oordeel van de appelrechters onderworpen en de partijen hebben hieromtrent geconcludeerd.

3. Door te oordelen over de bewijswaarde van de getuigenverklaringen die de eisers hebben voorgelegd, hebben de appelrechters geen uitspraak gedaan over niet gevorderde zaken en hebben zij evenmin meer toegekend dan gevorderd.

Zij hebben daardoor evenmin het beschikkingsbeginsel miskend.

In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en de miskenning van het beschikkingsbeginsel, kan het niet worden aangenomen.

4. In zoverre het onderdeel de miskenning van het recht van verdediging aanvoert, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en miskenning van het beschikkingsbeginsel.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

5. Het verweer waar het onderdeel naar verwijst gaat ervan uit dat de verweerders niet alleen de eiseres, maar ook de eiser in minnelijke schikking hadden dienen op te roepen, omdat het aanbod van betaling gebeurde langs de gemeenschappelijke bankrekening van de eisers en omdat de eisers gehuwd zijn onder het stelsel van de gemeenschap van goederen.

De appelrechters verwerpen het bedoelde verweer met de in het onderdeel vermelde redenen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

6. Artikel 3.1°, eerste tot zesde lid, Pachtwet bepaalt dat:

- de pacht schriftelijk moet worden vastgesteld. Bij ontstentenis van een nauwkeurige datum voor de aanvang van de overeenkomst, wordt deze geacht te zijn ingegaan op de vervaldag van het eerste pachtgeld;

- bij ontstentenis van een dergelijk geschrift, degene die een landeigendom exploiteert het bewijs kan leveren van het bestaan van een pacht en van de pachtvoorwaarden door alle middelen, met inbegrip van getuigen en vermoedens;

- hij daarenboven het bewijs kan leveren van het bestaan van een pacht door voorlegging van een bewijs van persoonlijk aanbod van betaling, verricht overeenkomstig artikel 23, derde lid, en waartegen de verpachter niet heeft gereageerd door een oproeping in verzoening voor de bevoegde vrederechter binnen zes maanden na het aanbod;

- dit aanbod van betaling uitdrukkelijk het woord ‘pacht' en het jaar waarop de betaling betrekking heeft vermeldt;

- binnen vijftien dagen dit aanbod moet worden bevestigd bij ter post aangetekende brief waarin het bestaan van een pacht wordt vermeld, evenals het jaar en het perceel waarop de betaling betrekking heeft;

- de brief eveneens uitdrukkelijk moet vermelden dat de betaling geldt als bewijs van een pacht, tenzij de verpachter binnen de zes maanden na de dag van de betaling reageert door een oproeping in verzoening voor de bevoegde vrederechter.

7. Uit deze bepaling volgt dat de exploitant van een landeigendom die het bestaan van een pachtovereenkomst wenst te bewijzen door middel van een aanbod van betaling niet alleen een aanbod van betaling moet doen, maar dat hij ook een bevestigingsbrief moet sturen, waarin hij het bestaan van de pacht bevestigt.

8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat na de betaling van een gemeenschappelijke rekening van de eisers, de bevestigingsbrief waarvan sprake in het vijfde lid van dit artikel, enkel uitging van de eiseres.

De appelrechters konden dan ook zonder schending van artikel 3, 1°, Pachtwet, oordelen dat het niet relevant was dat de betaling gebeurde van een rekening die aan de eisers gemeenschappelijk is.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 455,58 euro in debet en voor de verweerders op 266,51 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare rechtszitting van 28 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Bestaan van een pacht

  • Bewijs

  • Bewijs van persoonlijk aanbod van betaling