- Arrest van 29 november 2011

29/11/2011 - P.10.1766.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Aangezien het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht, dat het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling beoogt ten aanzien van de betrokken personen en niet is ingesteld in het persoonlijk belang van de betrokkenen, maar wel in het algemeen belang, afwijkt van het gemeen recht, is de opsomming van de in de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering vermelde personen die onder de toepassing ervan vallen limitatief; dit limitatief karakter staat evenwel niet eraan in de weg dat, in de mate dat een plaatsvervangende rechter één van de in de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering vermelde personen vervangt, hij ook aan deze wetsbepalingen is onderworpen (1). (1) Zie conclusie OM.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.10.1766.N

I

T D,

beklaagde,

eiser.

II

J L,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2 en mr. Luc Gheysens, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8560 Wevelgem, Lode de Boningestraat 39, waar de eiser woonplaats kiest.

III

G B,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie.

IV

N W,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Filiep Deruyck, advocaat bij de balie te Antwerpen.

V

W V A,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Bart Spriet en mr. Karolien Van De Moer, advocaten bij de balie te Turnhout.

VI

T S,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2, waar de eiser woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen van de eisers I, II, IV, V en VI zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 september 2010.

Het cassatieberoep van de eiser III is gericht tegen de tussenarresten van 21 mei 2007, 26 juni 2007, 25 oktober 2007 (nr. 99.235), 25 oktober 2007 (nr. 99.236) en 29 september 2008 en tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 september 2010.

De eiser II voert in een memorie en in een aanvullende memorie die aan dit arrest zijn gehecht, in totaal tien middelen aan.

De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, tien middelen aan.

De eiser VI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, tien middelen aan.

Op 23 september 2011 heeft advocaat-generaal Marc Timperman ter griffie een conclusie neergelegd.

Op de rechtszitting van 11 oktober 2011 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

I. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Nietigheid van de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie

1. De eiser III voert in zijn door artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot aan dat de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie niet in aanmerking kan worden genomen, omdat ze in de voetnoten 8, 9, 13, 14, 15, 79, 80, 99 en 110 passages bevat in een andere taal dan het Nederlands, welke niet werden vertaald en waarvan de zakelijke inhoud evenmin werd weergegeven in het Nederlands.

2. Volgens artikel 27 Taalwet Gerechtszaken wordt de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in het Nederlands gevoerd als dit de taal is van de bestreden beslissing.

Artikel 35, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat het openbaar ministerie adviseert en vordert in de taal van de rechtspleging.

3. Een akte van rechtspleging wordt geacht in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld.

4. De conclusie van het openbaar ministerie is, behoudens de in voetnoten 8, 9, 13, 14, 15, 79, 80, 99 en 110 in de Franse of Engelse taal opgenomen citaten van rechtspraak en rechtsleer, in het Nederlands opgesteld. De in de conclusie ontwikkelde zienswijze is ook zonder deze in een andere taal dan het Nederlands gestelde voetnoten, die slechts dienen ter ondersteuning van deze zienswijze, voor elke lezer begrijpbaar. Bijgevolg moet de conclusie worden geacht in het Nederlands te zijn opgesteld.

De exceptie kan niet worden aangenomen.

Ontvankelijkheid van de door artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot van de eiser V

5. De eisers dienden de in artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek bedoelde noten neer te leggen vóór 8 november 2011. De noot van de eiser V werd pas op 8 november 2011 neergelegd, dit is buiten de door het Hof op 11 oktober 2011 bij toepassing van artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn.

De noot van de eiser V is niet ontvankelijk.

Cassatieberoep van de eiser I

6. De eiser I is blijkens een door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Asse uitgereikt uittreksel van de akte van overlijden op 26 september 2010 overleden.

Het overlijden van een beklaagde vooraleer de bestreden beslissing op de strafvordering in kracht van gewijsde is gegaan, heeft het verval van de strafvordering tot gevolg.

Die beslissing blijft mitsdien zonder uitwerking.

Het cassatieberoep heeft geen bestaansreden meer.

Afstand van de cassatieberoepen van de eisers II, III en VI

7. De eisers II en VI doen afstand van hun cassatieberoep tegen het arrest van 20 september 2010 voor zover dit verwijst naar de in het proces-verbaal van de rechtszitting van 29 september 2008 vervatte beslissing om de afhandeling van de burgerlijke belangen aan te houden en de verdere behandeling ervan onbepaald uit te stellen, het een termijn toekent aan elke in het geding zijnde partij om onder meer conclusies in te dienen en het beslist dat daarna een rechtsdag zal worden bepaald voor verdere afhandeling op burgerrechtelijk gebied, en in de mate dat deze beslissingen geen eindbeslissingen zijn.

De eiser III doet afstand van het cassatieberoep in zoverre gericht tegen de tussenarresten van 21 mei 2007, 26 juni 2007, 25 oktober 2007 (nr. 99.235) en 25 oktober 2007 (nr. 99.236). Hij doet tevens zonder berusting afstand van het cassatieberoep in zoverre gericht tegen het tussenarrest van 29 september 2008 waarbij onder meer werd beslist de afhandeling van de burgerlijke belangen aan te houden en tegen het arrest van 20 september 2010 op burgerlijk gebied in de mate dat dit arrest niet definitief is in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en het geen uitspraak doet in een van de gevallen bepaald in het tweede lid van hetzelfde artikel.

Deze afstanden kunnen worden verleend.

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eisers II, III, IV en VI

8. Het arrest verklaart de strafvordering voor sommige telastleggingen niet ontvankelijk, zegt dat het zich over sommige telastleggingen niet dient uit te spreken, verklaart sommige telastleggingen niet bewezen en ontslaat daarvoor de eisers van rechtsvervolging en het wijst de vordering tot bijzondere verbeurdverklaring gedeeltelijk af.

De tegen de beschikkingen gerichte cassatieberoepen zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiser II

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet het door de eiser II overgenomen verweer van de eiser VI dat de strafvordering onontvankelijk en ongegrond diende te worden verklaard wegens miskenning van het recht van verdediging en het onterecht gebruik van de procedure van voorrecht van rechtsmacht; het arrest is bovendien intern tegenstrijdig en ook tegenstrijdig met het tussenarrest van 26 juni 2007 vermits het enerzijds niet heeft geantwoord op het middel van onontvankelijkheid van de strafvordering van de eiser VI om reden dat dit middel slechts werd opgeworpen bij diens conclusie van 18 maart 2008, terwijl het arrest anderzijds bij het oordeel dat de eiser VI een eerlijk proces heeft genoten waarin hij zowel in rechte als in feite uitgebreid verweer heeft kunnen voeren, ook rekening houdt met het feit dat hij tot 18 maart 2008 de tijd had om conclusies neer te leggen.

10. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, beantwoordt het arrest (p. 522) het bedoelde verweer door te oordelen dat het desbetreffende middel "niet ontvankelijk (is) in de mate dat het beoogt de strafvordering wegens het toepassen van de procedure van voorrecht van rechtsmacht onontvankelijk te doen verklaren".

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

11. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 13 juni 2007 blijkt dat het hof van beroep op die rechtszitting het debat in verband met de opgeworpen excepties gesloten verklaarde en de zaak in dat verband voor uitspraak stelde op de buitengewone en openbare terechtzitting van 26 juni 2007. Met het tussenarrest van 26 juni 2007 werd over die excepties uitspraak gedaan.

12. Het is niet tegenstrijdig om eensdeels te oordelen dat het door de eiser VI ingeroepen verweer omtrent de onontvankelijkheid van de strafvordering wegens het toepassen van de procedure van voorrecht van rechtsmacht, diende te worden aangevoerd vóór ieder ander verweer en dit verweer bijgevolg niet ontvankelijk is en anderdeels met betrekking tot de aangevoerde ongelijkheid van middelen en tijdsbesteding tussen het openbaar ministerie en de eiser VI te beslissen dat de eiser VI wel voldoende tijd heeft gekregen om zijn verdediging te organiseren en om conclusies neer te leggen, ermee rekening houdend dat hij "nog tot 26.02.2008 de mogelijkheid (heeft) gehad om het dossier te lezen en zijn verdediging verder te organiseren en zelfs tot 18.03.2008 om conclusies neer te leggen" en dat de eiser VI "op de terechtzitting van 01.12.2008 nogmaals de kans (heeft) gekregen om zijn verdediging te voeren en nog tot 30.01.2009 om aanvullende conclusies neer te leggen" (p. 523).

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

13. Voor het overige wordt artikel 6.1 EVRM niet geschonden en het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging niet miskend door het rechtscollege dat een verweermiddel wegens laattijdigheid niet ontvankelijk verklaart, indien dat rechtscollege het debat omtrent in te roepen excepties voordien reeds had gesloten en daarover reeds bij tussenvonnis of -arrest uitspraak had gedaan.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

Tweede onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 40, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de door de eiser VI aangevoerde nietigheid van de deskundigenverslagen krachtens artikel 40 Taalwet Gerechtszaken is gedekt door het op tegenspraak gewezen arrest van 26 juni 2007; artikel 40 Taalwet Gerechtszaken verhindert immers niet de nietigheid op te werpen indien de bodemrechter bij tussenarrest met het oog op het vrijwaren van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, een termijn heeft gelaten om alle verweer, zowel in feite als in rechte, te doen gelden.

15. Met de in het onderdeel weergegeven redenen beantwoordt het arrest (p. 548) het verweer dat de deskundigenverslagen nietig zouden zijn omdat ze niet in het Nederlands vertaalde passages bevatten.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

16. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, laat het tussenarrest van 26 juni 2007 de eiser VI geen termijn om alle verweer, zowel in rechte als in feite, te laten gelden. Het tussenarrest (p. 323) oordeelt dat:

- de eiser VI reeds vanaf 20 maart 2003 in de mogelijkheid werd gesteld om toelating tot inzage te vragen, maar dit in tegenstelling tot verschillende van de medebeklaagden heeft nagelaten;

- de eiser VI ten laatste eind oktober 2006 in de mogelijkheid was gesteld om zich een kopie van het eigenlijke strafdossier te doen bezorgen, doch pas in april 2007 van die mogelijkheid heeft gebruik gemaakt;

- de eiser VI zodus tijdens een periode van vier jaar heeft nagelaten om inzage in het strafdossier te vragen en zodoende zelf de voorbereiding van zijn verdediging op lange baan heeft geschoven;

- de eiser VI thans slecht geplaatst is om een langdurig uitstel van behandeling van de zaak te vragen teneinde alsnog kennis te kunnen nemen van het strafdossier;

- gelet op de complexiteit van de zaak het procesverloop kennelijk nog verschillende maanden in beslag zal nemen, zodat de eiser VI hoe dan ook voldoende mogelijkheid zal krijgen om zijn verdediging naar behoren voor te bereiden.

Het in het onderdeel aangehaalde oordeel kan evenmin worden afgeleid uit de vaststelling door het arrest dat de eiser VI gelet op het door hem gevoerde mondeling verweer en de neergelegde conclusies, een uitgebreid concreet verweer heeft gevoerd, zowel in feite als in rechte (p. 523).

Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het tussenarrest en van het arrest, mist inzoverre eveneens feitelijke grondslag.

17. Artikel 40, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat elk niet zuiver voorbereidend vonnis of arrest dat op tegenspraak werd gewezen, de nietigheid dekt van het exploot en van de overige akten van rechtspleging die het vonnis of arrest zijn voorafgegaan.

Het op tegenspraak gewezen tussenarrest van 26 juni 2007 besliste over de aangevoerde excepties.

Het arrest kon bijgevolg oordelen dat dit niet zuiver voorbereidend arrest de aangevoerde nietigheid heeft gedekt. De omstandigheid dat met het tussenarrest van 26 juni 2007 (p. 323), nadat op 13 juni 2007 het debat over de opgeworpen excepties gesloten was verklaard, werd geoordeeld dat gelet op de complexiteit van de zaak de behandeling ervan kennelijk nog verschillende maanden zou in beslag nemen zodat de eiser VI hoe dan ook voldoende mogelijkheid zou krijgen om zijn verdediging naar behoren voor te bereiden, doet daaraan geen afbreuk. De beslissing is dan ook naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser II

18. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 14 EVRM, de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet, de artikelen 127, 130, 182, 479, 482bis en 483 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verklaart ten onrechte de op het voorrecht van rechtsmacht gestoelde dagvaarding ontvankelijk; de hoedanigheid van plaatsvervangend rechter in de rechtbank van koophandel te Ieper van een medebeklaagde liet dit nochtans niet toe; er is daartoe geen wettelijke basis aangezien de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering geen melding maken van plaatsvervangende rechters; bijgevolg kon ook artikel 482bis Wetboek van Strafvordering dat verwijst naar artikel 479 niet worden toegepast; de eiser werd derhalve niet berecht door het bij wet ingesteld gerecht; minstens is het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat de eiser II als dader van een misdrijf dat samenhangend is met een door een plaatsvervangende rechter gepleegd misdrijf, werd vervolgd volgens de procedure van voorrecht van rechtsmacht.

De eiser II verzoekt het Hof om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

- "Schendt artikel 479 juncto artikel 482bis Wetboek van Strafvordering, zo geïnterpreteerd dat de procedure van voorrecht van rechtsmacht ook moet worden toegepast bij de berechting van een beklaagde die wordt vervolgd wegens een misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een plaatsvervangend rechter, zijnde een hoedanigheid die niet vermeld is in voornoemd artikel 479 Wetboek van Strafvordering, artikel 13 Grondwet en artikel 6.1 EVRM?"

- "Schendt artikel 479 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat het van toepassing is op een plaatsvervangend rechter in de rechtbank van koophandel die niet noodzakelijk effectief zetelt, terwijl het niet van toepassing is op een rechter in sociale zaken, die nochtans wel effectief zetelt?"

- "Schendt artikel 479 juncto artikel 482bis Wetboek van Strafvordering, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij tot gevolg hebben dat de beklaagde van een met correctionele straffen bestraft misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een plaatsvervangend en dus niet noodzakelijk effectief zetelend rechter in de rechtbank van koophandel wordt berecht door het hof van beroep in eerste en laatste aanleg, terwijl de beklaagde van een met correctionele straffen bestraft misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een effectief zetelend rechter in sociale zaken berecht wordt volgens de gemeenrechtelijke procedure en dus over twee aanleggen beschikt?"

19. Artikel 13 Grondwet houdt een recht in van toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt tevens gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM en door artikel 14.1 IVBPR. Het door de eiser II ingeroepen grondrecht is op geheel of gedeeltelijk analoge wijze gewaarborgd door de voormelde bepaling uit titel II van de Grondwet en door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR.

Het Hof kan overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of de betwiste wetsbepalingen artikel 13 Grondwet klaarblijkelijk niet schenden.

20. Artikel 479 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Grondwettelijk Hof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, de procureur-generaal bij het hof van beroep hem laat dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld.

Artikel 483 Wetboek van Strafvordering bepaalt met betrekking tot dezelfde personen dat, wanneer zij ervan beschuldigd worden in hun ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, dat misdrijf wordt vervolgd en gevonnist zoals in artikel 479 is bepaald.

21. Het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht beoogt het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van de betrokken personen. Het is niet ingesteld in het persoonlijk belang van de betrokkenen, maar wel in het algemeen belang. Aangezien het afwijkt van het gemeen recht is de opsomming van de in de voormelde wetsbepalingen vermelde personen limitatief.

Dit limitatief karakter staat evenwel niet eraan in de weg dat, in de mate dat een plaatsvervangende rechter één van de in de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering vermelde personen vervangt, hij ook aan deze wetsbepalingen is onderworpen.

Daaruit volgt dat de toepassing van de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering op een plaatsvervangend rechter in de rechtbank van koophandel artikel 13 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt.

22. Uit het voorgaande volgt dat er evenmin schending is van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR.

Het middel faalt naar recht.

23. De eerste voorgestelde prejudiciële vraag dient overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet te worden gesteld.

Hetzelfde geldt voor de twee aanvullende prejudiciële vragen die de eiser II voorstelt in zijn door artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot.

24. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 134/2001 van 27 juli 2011 (B.7.1.1-B.7.3) geoordeeld dat de regels betreffende de wijze van aanwerving en de duur van het ambt, alsook de aard en het veld van de van de rechtsbedeling losstaande beroepsactiviteiten die mogen worden uitgeoefend door enerzijds een raadsheer in sociale zaken en anderzijds een plaatsvervangend vrederechter, dermate verschillend zijn dat zij verantwoorden dat alleen die laatste het voorrecht van rechtsmacht geniet.

Daaruit volgt dat de regels betreffende de wijze van aanwerving en de duur van het ambt, alsook de aard en het veld van de van de rechtsbedeling losstaande beroepsactiviteiten die mogen worden uitgeoefend door enerzijds een rechter in sociale zaken wiens statuut vergelijkbaar is met dit van een raadsheer in sociale zaken en anderzijds een plaatsvervangend rechter in de rechtbank van koophandel wiens statuut vergelijkbaar is met dat van een plaatsvervangend vrederechter, dermate verschillend zijn dat zij verantwoorden dat alleen die laatste categorie het voorrecht van rechtsmacht geniet.

Er is geen grond om de tweede en derde voorgestelde prejudiciële vragen te stellen.

Derde middel van de eiser II

25. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 14 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 479, 480, 482bis, 483 en 484 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het beginsel van de wapengelijkheid: het arrest heeft ten onrechte uitspraak gedaan en heeft de eiser II veroordeeld op grond van een strafonderzoek dat werd gevoerd volgens de procedure van voorrecht van rechtsmacht en dit op basis van de hoedanigheid van een medebeklaagde als plaatsvervangend rechter in de rechtbank van koophandel, terwijl de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering de plaatsvervangende rechters niet vermelden en er dus geen wettelijke grondslag bestaat om de procedure van voorrecht van rechtsmacht toe te passen op plaatsvervangende magistraten; er is minstens schending van het gelijkheidsbeginsel doordat er geen regeling van rechtspleging plaatsvond noch een zuivering van nietigheden en de eiser II als inverdenkinggestelde slechts de beschikking had over beperkte rechten, meer bepaald wat betreft de in de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering bepaalde procedure, de teruggave van in beslag genomen goederen en de controle van het onderzoek.

Het Hof wordt bovendien gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:

"1. Schenden de artikelen 480, 483 en 484 Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 479 van datzelfde wetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat de erin bedoelde procedure om het onderzoek te voeren van toepassing is op een plaatsvervangend rechter in de rechtbank van koophandel die niet noodzakelijk effectief zetelt, terwijl het niet van toepassing is op een rechter in sociale zaken, die nochtans wel effectief zetelt?"

"2. Schendt artikel 479 juncto artikel 482bis Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met de artikelen 480, 483 en 484 van datzelfde wetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat zij tot gevolg hebben dat het misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een plaatsvervangend en dus niet noodzakelijk effectief zetelend rechter in de rechtbank van koophandel, onderzocht wordt door een raadsheer-onderzoeksrechter in een procedure die voor de inverdenkinggestelde van dat misdrijf met minder waarborgen is omkleed dan het gemeenrechtelijk gerechtelijk onderzoek, terwijl dat niet geldt voor een misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een effectief zetelend rechter in sociale zaken?"

"3. Schendt artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met de artikelen 479, 480, 482bis, 483, 484 en 502 van datzelfde wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de inverdenkinggestelde van een misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een plaatsvervangend en dus niet noodzakelijk effectief zetelend rechter in de rechtbank van koophandel geen recht heeft op hoger beroep tegen een weigering van de raadsheer-onderzoeksrechter om de opheffing van een onderzoekshandeling te bevelen, terwijl de dader van een misdrijf dat niet samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een persoon met een hoedanigheid zoals bedoeld in de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering en zelfs een dader van een misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een effectief zetelend rechter in sociale zaken wel over dat recht beschikt, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 EVRM? "

"4. Schendt artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met de artikelen 479, 480, 482bis, 483, 484 en 502 van datzelfde wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de inverdenkinggestelde van een misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een plaatsvervangend en dus niet noodzakelijk effectief zetelend rechter in de rechtbank van koophandel geen recht heeft op hoger beroep tegen een weigering van de raadsheer-onderzoeksrechter om aanvullend onderzoek uit te voeren, terwijl de dader van een misdrijf dat niet samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een persoon met een hoedanigheid zoals bedoeld in de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van Strafvordering en zelfs een dader van een misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een effectief zetelend rechter in sociale zaken wel over dat recht beschikt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 EVRM "

"5. Schendt artikel 479 juncto artikel 482bis Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met de artikelen 127 en 130 van datzelfde wetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat zij voor de inverdenkinggestelde van een misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een persoon met een van de hoedanigheden vermeld in artikel 479 Wetboek van Strafvordering niet voorzien in een tegensprekelijke procedure van regeling der rechtspleging (niettegenstaande die inverdenkinggestelde zich nochtans geen kandidaat heeft gesteld voor een ambt waarop het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is), terwijl dat wel het geval is voor de inverdenkinggestelde op wie de gemeenrechtelijke procedure van toepassing is, niettegenstaande het feit dat die inperking van rechten niet verantwoord is in het licht van de noodzaak van een goede rechtsbedeling, vermits ook na de regeling der rechtspleging de zaak nog samen voor het hof van beroep zou kunnen behandeld worden met de zaak lastens de persoon op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is? "

"6. Schendt artikel 479 Wetboek van Strafvordering, in samenhang gelezen met artikel 6.1 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat het niet voorziet in een procedure waarin een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie beslist over de aanhangigmaking van de zaak en daarmee samenhangende zaken bij de bodemrechter (procedure die vergelijkbaar is met de regeling der rechtspleging zoals bedoeld in artikel 127 Wetboek van Strafvordering), terwijl een dergelijke procedure wel voorzien is voor wat betreft de aanhangigmaking van de zaak en de daarmee samenhangende zaken lastens hogere magistraten, zoals bedoeld in artikel 481 Wetboek van Strafvordering, in welk geval er over de aanhangigmaking beslist wordt door het Hof van Cassatie ingevolge artikel 482 Wetboek van Strafvordering?"

26. In zoverre het middel is afgeleid uit de tevergeefs met het tweede middel van de eiser II aangevoerde schendingen en miskenningen, is het niet ontvankelijk.

Het niet-ontvankelijk verklaren van een mede op artikel 6.1 EVRM gegrond middel om redenen eigen aan de cassatieprocedure houdt geen schending in van artikel 13 EVRM.

De daarmee verband houdende eerste, tweede, derde en vierde voorgestelde prejudiciële vragen dienen dan ook niet te worden gesteld.

27. Verder gaat het middel ervan uit dat mocht er een regeling van rechtspleging hebben plaatsgevonden, er een zuivering van nietigheden zou zijn geweest en de eiser II als inverdenkinggestelde over dezelfde rechten zou hebben beschikt als iemand die niet wordt vervolgd volgens het stelsel van voorrecht van rechtsmacht, er telkens in een voor hem gunstige zin zou zijn beslist.

28. Het middel is aldus gegrond op een loutere veronderstelling en is in zoverre niet ontvankelijk.

Het niet-ontvankelijk verklaren van een mede op artikel 6.1 EVRM gegrond middel om redenen eigen aan de cassatieprocedure houdt geen schending in van artikel 13 EVRM.

29. Het Grondwettelijk Hof oordeelde met de arresten nr. 60/96 van 7 november 1996 (B.8) en nr. 13/98 van 11 februari 1998 (B.2.2) dat de toepassing van het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht op de rechtsonderhorigen verdacht van misdrijven die samenhangend zijn met aan de in de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering bedoelde personen verweten misdrijven, verantwoord is door de vereisten van een goede rechtsbedeling. De noodzaak van een goede rechtsbedeling verantwoordt de organisatie van een eenmalig en volledig proces, dat een coherente beoordeling van de feiten en aansprakelijkheden verzekert. Een veelheid van onderzoeken en debatten zou immers kunnen verhinderen dat de gerechtelijke waarheid aan het licht wordt gebracht en zou tot een miskenning van het recht van verdediging van de betrokkenen kunnen leiden.

30. De vijfde voorgestelde prejudiciële vraag gaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat een afzonderlijke regeling van de rechtspleging door de onderzoeksgerechten voor de niet in de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering bedoelde personen voldoet aan het in het belang van een goede rechtsbedeling gestelde vereiste van een eenmalig en volledig proces.

Deze prejudiciële vraag wordt niet gesteld.

31. In de door de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering bedoelde gevallen heeft de vervolging plaats door de procureur-generaal bij het bevoegde hof van beroep voor dit hof.

De door de artikelen 481 en 482 Wetboek van Strafvordering beoogde rechtspleging heeft betrekking op de leden van een hof van beroep of een ambtenaar die bij een hof het ambt van openbaar ministerie uitoefent. In deze rechtspleging is de tussenkomst van het Hof van Cassatie noodzakelijk om desgevallend een ander hof van beroep aan te wijzen.

De zesde voorgestelde prejudiciële vraag betreft bijgevolg geen onderscheid tussen personen of partijen die zich in een zelfde rechtstoestand bevinden. Ze wordt niet gesteld.

Vierde middel van de eiser II

32. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 34, 37 en 58 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen (hierna: Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen), evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest stelt de onregelmatigheid vast van het door Johan Engelen, Gust Herrewijn, Ignace De Beelde en Chris Lefebvre opgestelde deskundigenverslag, maar laat ten onrechte na dit verslag nietig te verklaren, minstens het uit het debat te weren; het arrest verduidelijkt niet waarom de betrouwbaarheid van het bewijs niet door de onregelmatigheid is aangetast en onderzoekt evenmin of het gebruik van dit onrechtmatig verkregen bewijs het recht op een eerlijk proces van de eiser II heeft aangetast, hoewel die toetsing aan het tweede en het derde Antigoon-criterium verplicht is.

33. Het arrest stelt niet alleen vast dat niet alle aangestelde deskundigen de door de Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen vereiste hoedanigheid hebben (p. 535), maar oordeelt ook dat:

- geen enkele wettelijke bepaling voorschrijft dat een dergelijke inbreuk de nietigheid van het deskundigenonderzoek met zich meebrengt en dat er dan ook geen reden is om de nietigheid van de deskundigenverslagen uit te spreken (p. 535);

- met betrekking tot de twee aangestelde deskundigen zonder de vereiste hoedanigheid, moeilijk kan worden ontkend dat ze voldoende bekwaamheid hebben op het vlak van de boekhoudkundige organisatie van ondernemingen alsook van de analyse van boekhoudkundige procédés, van de positie en de werking van ondernemingen vanuit het oogpunt van hun kredietwaardigheid, rentabiliteit en risico's (p. 536);

- aangezien de twee andere deskundigen die het eindverslag onder ede ondertekenden de vereiste hoedanigheid wel hebben, de verslagen dezelfde waarborg bieden als die welke zijn opgesteld door personen die allen de wettelijke kwalificatie hebben en er derhalve geen enkele reden is om de deskundigenverslagen wegens miskenning van de Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen uit het debat te weren (p. 536).

Met die redenen toetst het arrest wel degelijk de vastgestelde onrechtmatigheid aan de Antigoon-criteria. Het arrest diende daarbij bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie van de eiser II niet uitdrukkelijk vast te stellen dat het gebruik van het onrechtmatig bewijs het recht op een eerlijk proces van de eiser II niet heeft geschonden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde middel van de eiser II

34. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 34, 37 en 58 Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat het door Johan Engelen, Gust Herrewijn, Ignace De Beelde en Chris Lefebvre opgestelde deskundigenverslag niet is aangetast door partijdigheid; het arrest grondt dit oordeel immers op de evenwichtige samenstelling van het deskundigenteam gelet op de aanwezigheid van Ignace De Beelde en Chris Lefebvre, waarvan het arrest heeft vastgesteld dat zij niet over de bij de wet vereiste hoedanigheid beschikten om als deskundige te worden aangesteld.

35. Het arrest grondt de verwerping van het verweer omtrent de beweerde partijdigheid van de deskundigen niet alleen op de in het middel aangehaalde reden, maar ook op andere door de eiser II niet-bekritiseerde redenen (p. 537-538), die de beslissing schragen.

36. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk

Het niet-ontvankelijk verklaren van een mede op artikel 6.1 EVRM gegrond middel om redenen eigen aan de cassatieprocedure houdt geen schending in van artikel 13 EVRM.

Zesde middel van de eiser II

Eerste onderdeel

37. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 14 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, de artikelen 11 en 962 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest stelt vast dat de deskundigenopdrachten een verboden delegatie van rechterlijke bevoegdheid inhielden, met als gevolg dat op zoek werd gegaan naar mogelijke strafrechtelijk beteugelbare inbreuken; het arrest beslist ten onrechte dat uit niets blijkt dat de louter feitelijke vaststellingen en technische bevindingen van de deskundigen op onrechtmatige wijze zijn verkregen; de onderzoeksrechter die aan een deskundige opdracht geeft advies uit te brengen over de gegrondheid van de vordering schendt artikel 962 Gerechtelijk Wetboek en het dienvolgens opgesteld deskundigenverslag maakt onrechtmatig bewijs uit; de rechter mag dit bewijs niet gebruiken tenzij na toetsing aan de Antigoon-criteria.

38. Het onderdeel preciseert niet hoe het arrest de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt.

Het onderdeel is bij gebrek aan nauwkeurigheid in zoverre niet ontvankelijk.

39. De rechter die vaststelt dat door de onderzoeksrechter gegeven deskun¬digenopdrachten een verboden delegatie van rechterlijke bevoegdheid bevatten en die besluit tot de wering van de deskundigenverslagen in zoverre die zich uitspreken over de juridische implicaties van hun vaststellingen en bevindingen, vermag te oordelen dat de door de deskundigen gedane feitelijke vaststellingen en technische bevindingen geen onrechtmatig verkregen bewijs uitmaken. Dit houdt geen schending of miskenning in van de aangehaalde bepalingen of algemene rechtsbeginselen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

40. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 14 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, de artikelen 11 en 962 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest sluit ten onrechte de deskundigenverslagen niet uit als bewijs; het arrest oordeelt nochtans dat verschillende deskundigenopdrachten een verboden delegatie van bevoegdheid inhouden, wat een schending is van artikel 11 Gerechtelijk Wetboek dat van openbare orde is; de overtreding van een bepaling van openbare orde moet worden gelijkgesteld met de schending van een op van straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschrift; het arrest had bijgevolg de deskundigenverslagen opgesteld ter uitvoering van met artikel 11 Gerechtelijk Wetboek strijdige en dus onrechtmatige opdrachten moeten weren.

41. Het onderdeel preciseert niet hoe het arrest de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt.

Het onderdeel is bij gebrek aan nauwkeurigheid in zoverre niet ontvankelijk.

42. De niet-naleving van een bepaling van openbare orde die door de wetgever niet uitdrukkelijk is gesanctioneerd, kan niet worden gelijkgesteld met het verzuim van een vormvereiste, waarvoor de wetgever wel uitdrukkelijk in een nietigheidssanctie heeft voorzien.

Het onderdeel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

Zevende middel van de eiser II

43. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verklaart de eiser II schuldig onder meer op basis van zonder bijstand van een advocaat afgelegde verklaringen en zonder dat de verdachten bij wie het verhoor werd afgenomen in kennis werden gesteld van het recht te zwijgen; een veroordeling kan niet zonder miskenning van het recht op een eerlijk proces worden gesteund op zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen.

44. Artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de aangevoerde grief.

In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.

45. De eiser II heeft zich over de grond van de zaak verdedigd zonder zich op de schending van deze verdragsbepalingen te beroepen. Hij had nochtans voor de rechter kunnen aanvoeren dat een schuldigverklaring gesteund op zonder bijstand van een advocaat afgelegde verklaringen van verdachten artikel 6.1 en 6.3.c. EVRM schendt. Dit gegeven was immers in het debat voor de rechters.

Het middel dat schending aanvoert van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM is bijgevolg nieuw en in zoverre niet ontvankelijk.

Achtste middel van de eiser II

46. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het beginsel van de wapengelijkheid en het recht van verdediging: het arrest verklaart ten onrechte de strafvordering lastens de eiser II ontvankelijk en verklaart hem schuldig hoewel zulks niet kon omwille van de miskenning van het recht op een eerlijk proces; het arrest doet een aantal feitelijke vaststellingen die met zich meebrengen dat tot miskenning van het recht op een eerlijk proces diende te worden besloten; minstens is het arrest intern tegenstrijdig door enerzijds die vaststellingen te doen en anderzijds de strafvordering lastens de eiser ontvankelijk te verklaren, namelijk omtrent de oneigenlijke toepassing van het voorrecht van rechtsmacht, het tekort aan waarborgen eigen aan het voorrecht van rechtsmacht, de onvoorspelbaarheid van de procedure omwille van het voorrecht van rechtsmacht, de laattijdige inverdenkingstellingen, de partijdigheid van de raadsheer-onderzoeksrechter, het gebruik van verslagen opgesteld door onwettig aangestelde en partijdige deskundigen, de aanwezigheid van deze deskundigen bij het verhoor en de onmogelijkheid voor de eiser om zich bij het verhoor zelf te laten bijstaan door deskundigen, de afwezigheid van bijstand van een raadsman bij het verhoor, de onbeheersbaarheid van het dossier en de te korte voorbereidingstijd, het niet beantwoorden van een bepaald verweer, de berechting door het hof van beroep te Gent na een onderzoek gevoerd door een kamervoorzitter-onderzoeksrechter van datzelfde hof en de verdeling van de gerechtskosten.

47. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of van het Hof een beoordeling van feiten vergt, waartoe het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

48. Deze beperkte bevoegdheid van het Hof houdt geen schending in van de artikelen 6 of 13 EVRM.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

49. In zoverre het middel is gericht tegen de voorafgaande procedurehandelingen en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

50. Het arrest stelt niet vast dat ten onrechte werd gebruik gemaakt van de procedure van voorrecht van rechtsmacht. Dit oordeel kan niet worden afgeleid uit de vrijspraak van de beklaagde met de in de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid.

Het arrest stelt evenmin vast dat de procedure van voorrecht van rechtsmacht een gebrek aan waarborgen biedt en onvoorspelbaar is.

Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

51. In zoverre het middel voor het overige de oneigenlijke toepassing van de procedure van voorrecht van rechtsmacht, evenals het gebrek aan waarborgen eigen aan deze procedure en de onvoorspelbaarheid ervan aanvoert, is het afgeleid uit de tevergeefs met het tweede en derde middel van de eiser II aangevoerde schendingen en miskenningen.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

52. Het arrest stelt niet vast dat de eiser II laattijdig is in verdenking gesteld.

Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

53. Uit een laattijdige inverdenkingstelling van een medebeklaagde kan op zich geen miskenning van het recht op een eerlijk proces van de eiser II worden afgeleid.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

54. De vaststelling door het arrest dat de kamervoorzitter-onderzoeksrechter uiting gaf aan zijn toenmalige innerlijke overtuiging omtrent de schuld van sommige beklaagden en zo een voorbarig oordeel velde over hun schuld, houdt op zich niet in dat het recht van de eiser II op een eerlijk proces onherstelbaar is miskend.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

55. Het arrest kon dan ook zonder het recht van de eiser II op een eerlijk proces te miskennen na onderzoek van de gegevens van de zaak (p. 529-533) oordelen dat de aan de kaak gestelde uitlatingen van de kamervoorzitter-onderzoeksrechter geen doorwerking of verlengstuk hebben gekregen in de verdere uitvoering van het gerechtelijk onderzoek noch in de uitvoeringsstukken noch in andere onderzoeksopdrachten en dat er geen aanleiding was om ter zake enig stuk uit het debat te weren, gezien een eerlijk en onpartijdig onderzoek van de zaak in haar geheel door het hof van beroep mogelijk is gebleven (p. 532-533).

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

56. Het middel dat aanvoert dat er gebruik is gemaakt van verslagen opgesteld door niet-wettig aangestelde en partijdige deskundigen, is afgeleid uit de tevergeefs met het vierde en vijfde middel van de eiser II aangevoerde schendingen en miskenningen.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

57. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II voor de rechter heeft aangevoerd dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om bij zijn verhoren te worden bijgestaan door een eigen deskundige.

58. Het middel dat daaruit een miskenning afleidt van het recht op een eerlijk proces van de eiser II is in zoverre nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.

Het niet-ontvankelijk verklaren van een mede op artikel 6.1 EVRM gegrond middel om redenen eigen aan de cassatieprocedure houdt geen schending in van artikel 13 EVRM.

59. Het middel dat aanvoert dat het recht op een eerlijk proces van de eiser II is miskend omdat hij geen bijstand had van een raadsman bij het verhoor, is afgeleid uit de tevergeefs met het zevende middel van de eiser II aangevoerde schendingen en miskenningen.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

60. Het arrest stelt niet vast dat het dossier onbeheersbaar was en de eiser II over een te korte voorbereidingstijd beschikte.

Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

61. Waar het middel voor het overige de onbeheersbaarheid van het dossier en de korte voorbereidingstijd inroept, voert het in wezen aan dat het arrest de telastlegging A.I anders heeft geïnterpreteerd dan was bepaald in de inleidende dagvaarding op basis waarvan de eiser II zijn verdediging heeft georganiseerd, namelijk uitgaande van de auto-financiering door LHSP nv en niet door de bestuurders van LHSP nv.

De wijze waarop de betrokkenheid van de eiser II bij de telastlegging A.I. is omschreven had niet voor gevolg dat hij zijn verweer kon beperken tot de auto-financiering.

Met de redenen die het vermeldt (p. 1082-1086), heeft het arrest de eiser II niet schuldig verklaard aan andere feiten dan die welke met de telastlegging A.I bij het hof van beroep aanhangig waren.

Het middel dat daaruit een miskenning van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging van de eiser II afleidt, kan in zoverre niet worden aangenomen.

62. In zoverre het middel het niet-beantwoorden van een bepaald verweer aanvoert, is het afgeleid uit de tevergeefs met het eerste middel van de eiser II aangevoerde schendingen en miskenningen.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

63. Het recht op een eerlijk proces is niet miskend door de enkele omstandigheid dat een zaak is beoordeeld door een kamer van hetzelfde hof van beroep als dat waartoe de kamervoorzitter-onderzoeksrechter behoorde die het onderzoek heeft gevoerd.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

64. Het arrest laat de kosten van de rechtstreekse dagvaarding van de beklaagden waarvoor de strafvordering onontvankelijk werd verklaard of die werden vrijgesproken ten laste van de Staat. Het beslist eveneens om een bedrag bepaald op 75.000 euro van de aan de verslagen van de gerechtsdeskundigen verbonden kosten, ten laste van de Staat te laten als nutteloze en overbodige kosten.

Het middel dat aanvoert dat alle kosten werden gedeeld onder de veroordeelde beklaagden, waaronder de eiser II, berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest.

65. Voor het overige kan uit de omstandigheid dat het arrest de eiser II samen met anderen heeft veroordeeld tot betaling van de overige gerechtskosten, geen miskenning van het recht op een eerlijk proces worden afgeleid.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Negende middel van eiser II

66. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat er een ingewikkeld traject van overschrijvingen is "waaruit ieder redelijk mens moet concluderen dat het de bedoeling is om de oorsprong van het geld zoveel als mogelijk voor de buitenwereld verborgen te houden", geeft het arrest (p. 1135) een interpretatie aan het proces-verbaal van 4 april 2002 met nummer 510/02, die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is.

67. Het arrest verwijst met betrekking tot de in het middel aangehaalde vermelding niet naar het proces-verbaal nr. 510/02 van 4 april 2002. Het kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet schenden.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tiende middel van de eiser II

68. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 1°, 505, eerste lid, en 505, derde lid (in de versie van vóór de wetswijziging van 10 mei 2007, hierna oud), en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart ten onrechte verbeurd in handen van de Banque Artesia Nederland de 51.606 deelbewijzen Parvest Short Term Dollar, gedeponeerd op de effectenrekening van de eiser II bij die bank, als voorwerp van het bewezen verklaarde misdrijf witwassen; enkel de witgewassen gelden die voortkomen uit het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen zijn het voorwerp van het misdrijf witwassen.

69. Artikel 505, derde lid (oud), Strafwetboek, bepaalt dat de zaken bedoeld in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel het voorwerp uitmaken van de misdrijven die gedekt zijn door deze bepaling, in de zin van artikel 42, 1°, Strafwetboek.

Hieruit volgt dat een witgewassen vermogensvoordeel als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, het voorwerp van het misdrijf uitmaakt in de zin van artikel 42, 1°, Strafwetboek.

Daarentegen is het goed dat door de witwasoperatie is verkregen, niet het voorwerp van het misdrijf witwassen, maar wel een vermogensvoordeel dat voortkomt uit dat misdrijf als bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek. Het feit dat het verkrijgen van dat vermogensvoordeel de finaliteit is van de witwasoperatie, doet hieraan geen afbreuk. Een verbeurdverklaring van het uit het witwasmisdrijf verkregen vermogensvoordeel is dus enkel mogelijk op grond van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek.

70. Nadat het arrest de eiser II heeft schuldig verklaard aan de telastlegging J (p. 1986-1987) oordeelt het (p. 2039-2040 en 2042) dat:

- de koopsom van de 625.000 LHSP-aandelen uit het actief van L&H Holding nv ten bedrage van 25 miljoen Amerikaanse dollar ontegensprekelijk een vermogensvoordeel is, zoals omschreven in artikel 42, 3°, Strafwetboek, namelijk rechtstreeks verkregen uit het misdrijf omschreven in de bewezen bevonden telastlegging I.II (misbruik van vennootschapsgoederen);

- met de opbrengst van deze aandelenverkoop 154.818 deelbewijzen van het Parvest Short Term Dollar Fund werden aangekocht en deze deelbewijzen in drie gelijke delen werden verdeeld zodat op de individuele effectenrekeningen van de eisers II en IV en de medebeklaagde Hauspie telkens 51.606 deelbewijzen werden gedeponeerd bij de Banque Artesia Nederland;

- de bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van het witwasmisdrijf wettelijk verplicht is;

- de 51.606 deelbewijzen Parvest Short Term Dollar, die zich nog steeds in het vermogen van elk der eisers II en IV en de medebeklaagde Hauspie bevinden, het voorwerp zijn van het bewezen bevonden misdrijf sub J, zodat ze bij toepassing van artikel 505, derde lid (oud), Strafwetboek, dienen verbeurd verklaard in handen van de Banque Artesia Nederland.

Aldus beveelt het arrest niet de bijzondere verbeurdverklaring van het voorwerp van het met de telastlegging J omschreven witwasmisdrijf, maar wel van het vermogensvoordeel dat uit dat misdrijf is verkregen. Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het middel is in zoverre gegrond.

Eerste middel van de eiser III

Eerste onderdeel

71. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 34, eerste lid, 2°, juncto 37, eerste lid, 1° en 2°, en 58 Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen: de veroordeling van de eiser III is onwettig; ze is immers mede gesteund op onregelmatig voorgebrachte bewijselementen uit de deskundigenverslagen die niet integraal uit het debat zijn geweerd en waaraan een niet door wet toegekende bewijswaarde werd verleend; de Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen bepaalt dat een boekhoudkundige expertise alleen mag worden uitgevoerd door personen ingeschreven in het register van de externe accountants of bedrijfsrevisoren; dit is een norm die dit bewijs in het bijzonder regelt en ertoe strekt de intrinsieke waarde ervan te waarborgen; op die wijze heeft de wetgever geoordeeld dat de niet-naleving van dat voorschrift de betrouwbaarheid van een dergelijk onregelmatig onderzoek aantast en de rechter er geen wettelijke bewijswaarde mag aan toekennen.

72. Uit de samenlezing van de artikelen 35, eerste lid, 2°, 37 en 58, eerste lid, 1°, Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen volgt dat alleen de natuurlijke personen en de vennootschappen die zijn ingeschreven op de deellijst van externe accountants en de leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren gerechtigd zijn tot gerechtelijke expertise met betrekking tot de boekhoudkundige organisatie van ondernemingen alsook de analyse met boekhoudkundige procédés, van de positie en werking van ondernemingen vanuit het oogpunt van hun kredietwaardigheid, rentabiliteit en risico's.

73. De Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen noch enige andere wettelijke bepaling schrijft de nietigheid voor van een verslag van een door artikel 35, eerste lid, 2°, Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen bedoelde expertise door een persoon die daar overeenkomstig de bepalingen van deze wet niet toe is gerechtigd. Die nietigheid vloeit niet automatisch voort uit de omstandigheid dat de expertise is uitgevoerd door een daartoe niet gerechtigd persoon.

Het staat aan de rechter de toelaatbaarheid van een dergelijk verslag te beoordelen in het licht van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, rekening houdend met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs werd verkregen en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

74. Met de redenen die het arrest vermeldt (p. 535-536) toetst het de begane onrechtmatigheid aan de Antigoon-criteria om te besluiten dat er geen enkele reden is om de deskundigenverslagen wegens miskenning van de Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen uit het debat te weren en verantwoordt het die beslissing naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

75. Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest veroordeelt de eiser III onwettig; zijn veroordeling is gegrond op door de rechters buiten de rechtszitting op het internet opgezochte informatie omtrent de activiteiten van sommige deskundigen die niet aan tegenspraak is onderworpen en die beslissend was om een vastgestelde onregelmatigheid te herstellen.

76. Nadat het arrest vaststelt dat niet alle aangestelde deskundigen over de door de Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen vereiste hoedanigheid beschikken, oordeelt het dat mede het gegeven dat de twee andere deskundigen die het eindverslag onder ede ondertekenden, wel de bij deze wet vereiste hoedanigheid hebben, de verslagen dezelfde waarborg bieden als die welke aan een verslag mag worden gehecht dat is opgesteld door personen die allen de wettelijke kwalificatie hebben en er derhalve geen enkele reden is om de deskundigenverslagen wegens miskenning van de Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen uit het debat te weren (p. 535-536).

Het onderdeel dat volledig ervan uitgaat dat de via het internet verkregen informatie omtrent de twee zonder de vereiste hoedanigheid aangestelde deskundigen, beslissend is om ondanks de vastgestelde onregelmatigheid, aan de verslagen toch dezelfde waarborg te verlenen als aan een regelmatig verricht verslag, berust op een onvolledige lezing van het arrest.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

77. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 34, eerste lid, 2°, juncto 37, eerste lid, 1° en 2°, en 58 Wet Boekhoudkundige en Fiscale Beroepen en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de deskundige: spijts het ontbreken van de vereiste hoedanigheid in hoofde van Ignace De Beelde en Christian Lefebvre om als deskundige op te treden, ziet het arrest in hun aanwezigheid ten onrechte een tegengewicht dat de onpartijdigheid van het college van deskundigen in evenwicht houdt.

78. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het vijfde middel van de eiser II.

Het is om dezelfde reden niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

79. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het onderscheid dat het arrest maakt tussen eensdeels de louter feitelijke vaststellingen en technische bevindingen van de deskundigen die niet in strijd zijn met het verbod van delegatie van rechtsmacht en anderdeels de beoordelingen en gevolgtrekkingen op grond van de verboden delegatie, is kunstmatig en kan niet op objectief geloofwaardige wijze worden gemaakt; bij elk redelijk en normaal persoon in die omstandigheden blijft de gewettigde vrees dat een dergelijke opsplitsing concreet na de vastgestelde ernstige contaminatie en onafscheidelijke verstrengeling onmogelijk is en blijft er een schijn van gewettigde twijfel; het recht van de verdediging is miskend doordat de eiser III en het Hof het oncontroleerbare niet meer kan controleren; het arrest weert dan ook ten onrechte de deskundigenverslagen niet integraal uit het debat.

80. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel van het zesde middel van de eiser II kan het om de daar vermelde redenen evenmin worden aangenomen.

81. Het arrest stelt niet vast dat er een ernstige contaminatie en onafscheidelijke verwevenheid bestaat tussen eendeels de louter feitelijke vaststellingen en technische bevindingen van de deskundigen en anderdeels hun beoordelingen en gevolgtrekkingen.

Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

82. Voor het overige komt het onderdeel in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser III

83. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 127 Wetboek van Vennootschappen (in de versie zowel vóór als na de wijziging bij wet van 23 januari 2003) en, voor zoveel als nodig, de artikelen 207, 208 en 209 Vennootschappenwet: het arrest geeft slechts de waarderingsregels van LHSP nv weer voor de Belgische geconsolideerde jaarrekening over het jaar 1999 voor de verkoop van software licenties en voor de Belgische geconsolideerde jaarrekening over het jaar 1998 voor de software ontwikkelingscontracten; het geeft niet de waarderingsregels weer van de enkelvoudige jaarrekeningen voor de jaren 1997, 1998 en 1999 en van de Belgische geconsolideerde jaarrekeningen van LHSP nv voor de jaren 1997 (voor de verkoop van de softwarelicenties en de software ontwikkelingscontracten), 1998 (voor de verkoop van de softwarelicenties) en 1999 (voor de software ontwikkelingscontracten) die volgens het arrest bepalend zijn voor het valselijk karakter van de erin opgenomen omzet; het arrest is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed en het is voor het Hof onmogelijk het opgedragen wettelijk toezicht uit te oefenen.

84. Het arrest (p. 561) oordeelt: "In de voorliggende zaak houdt het openbaar ministerie in de tenlastelegging sub A voor dat de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening van de NV LHSP over de boekjaren 1997, 1998 en 1999 valse omzet bevat, in casu omzet die, volgens het mondelinge en schriftelijke requisitoir van het openbaar ministerie, op basis van een correcte en oprechte toepassing van de geldende (en hoger beschreven) waarderingsregels van de voornoemde vennootschap niet als dusdanig had mogen worden opgenomen in die jaarrekeningen. In de hierna volgende bespreking en beoordeling van de diverse onderdelen van de tenlastelegging sub A zal het hof (van beroep) in detail nagaan op welke wijze de waarderingsregels van NV LHSP werden toegepast bij de boeking van de beweerdelijk valse omzet."

Het arrest (p. 1772) oordeelt ook: "Voor de beoordeling van de vraag of de vergoedingen betaald voor de licentiecontracten onmiddellijk volledig in omzet konden worden geboekt is er geen betwisting dat het bedrijf NV LHSP voor de Belgische geconsolideerde jaarrekening de volgende waarderingsregels hanteerde voor het boeken van omzet:

- ondertekening van de overeenkomst;

- levering van de producten;

- afwezigheid van onvervulde contractuele verplichtingen;

- de inbaarheid van de vordering is waarschijnlijk.

De Belgische enkelvoudige jaarrekening bevatte desbetreffend geen waarderingsregels doch het is duidelijk dat voormelde regels ook voor de enkelvoudige jaarrekening werden toegepast.

Het hof (van beroep) verwijst naar hetgeen daaromtrent hoger (hoofdstuk 16) reeds werd uiteengezet en waarbij het hof duidelijk bepaalde dat in huidige zaak enkel rekening kan worden gehouden met de Belgische boekhoudregels en de waarderingsregels voor de Belgische jaarrekeningen. (...)."

Uit die redenen en hun onderlinge samenhang volgt dat het arrest onder hoofdstuk 16.2 (p. 556-561) de waarderingsregels vermeldt die het hanteert bij de beoordeling van de telastlegging A en dus voor de enkelvoudige en de geconsolideerde jaarrekeningen van LHSP nv voor de jaren 1997, 1998 en 1999 en dit zowel voor de verkoop van de sofwarelicenties als voor de software ontwikkelingscontracten.

Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Derde middel van de eiser III

85. Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 5 en 6 EVRM en de artikelen 7, 9, 10 en 14 IVBPR: het arrest laat na de concrete invloed op het geheel van het procesverloop te onderzoeken van de door de eiser III aangevoerde schending van zijn grondrechten bij zijn arrestatie en beschuldiging in de Verenigde Staten van Amerika; het kon dit verweer niet terzijde schuiven op grond van het feit dat de rechters niet op de hoogte zouden zijn van de concrete omstandigheden waarin die aantastingen zijn geschied, dat een buitenlands rechtscollege bevoegd was en dat de Belgische autoriteiten geen zeggenschap hadden ter plaatse noch hen iets kon worden toegerekend.

86. Het arrest oordeelt "De beweerd vernederende behandeling van [de eiser III] tijdens zijn arrestatie in de Verenigde Staten is niet van aard zijn recht op een eerlijk proces in België aan te tasten (...)" (p. 488). Aldus onderzoekt het arrest wel degelijk de concrete invloed van de aangevoerde miskenning van de grondrechten van de eiser III bij zijn arrestatie en beschuldiging in de Verenigde Staten van Amerika.

Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Vierde middel van de eiser III

87. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest veroordeelt de eiser III onwettig gelet op het onredelijk lang beraad van 30 januari 2009 tot 20 september 2010.

88. Het staat niet aan het Hof maar aan de feitenrechter te oordelen of de redelijke termijn binnen dewelke eenieder recht heeft op de berechting van zijn zaak is overschreden. Die regel kent een uitzondering wanneer de overschrijding van de redelijke termijn te wijten is aan de duur van het beraad door de rechter waarover de beklaagde geen verweer heeft kunnen voeren. Ook in dat geval moet het redelijk karakter van de termijn worden beoordeeld op grond van de concrete omstandigheden van de zaak, waaronder de complexiteit ervan.

89. Het arrest (p. 2033) stelt vast dat de feitelijke en juridische complexiteit van de zaak, de omvang van de te onderzoeken feiten en de tijdsperiode over dewelke het onderzoek diende te gaan, de internationale aspecten ervan en het aantal te verhoren personen meebrengen dat het om een uitzonderlijk omvangrijk onderzoek gaat, hetgeen heeft geleid tot een onderzoek van ongeveer 350.000 pagina's (exclusief de in beslag genomen documenten) waarin meer dan 10.000 pagina's conclusies met talrijke bijkomende documenten en stukken werden neergelegd en waarin het debat uitzonderlijk lang en uitgebreid was teneinde alle beklaagden in de gelegenheid te stellen hun verdediging voor te dragen op de volgens hen meest passende wijze (er werd gedurende 62 zittingsdagen gezeteld).

90. Gelet op deze door de eiser III niet-bekritiseerde vaststellingen is een beraad van bijna 20 maanden niet onredelijk lang en levert het geen miskenning op van de redelijke termijn-vereiste.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde middel van de eiser III

91. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.2 en 8 EVRM, de artikelen 148 en 149 Grondwet en artikel 407 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het vermoeden van onschuld: met de beslissing tot en de publicatie van de volledige tekst van het nog niet-definitieve arrest op het internet miskent het arrest het vermoeden van onschuld van de eiser III, bevat het een ongeoorloofde inmenging in zijn privé-leven en wordt het onwettig uitgesproken; de eiser III blijft genieten van het vermoeden van onschuld totdat zijn veroordeling bij gerechtelijke beslissing definitief is, wat op het ogenblik van de uitspraak van het arrest nog niet het geval was; er is voor niet-definitieve rechterlijke beslissingen in strafzaken geen andere wijze van uitspraak bepaald dan de uitspraak in openbare terechtzitting.

92. Het met het oog op het respecteren van het grondwettelijk voorschrift van de openbaarheid van de uitspraak van de rechterlijke beslissing beschikbaar stellen van de integrale tekst van het arrest op het internet, onmiddellijk na de gedeeltelijke voorlezing ervan op de openbare terechtzitting, miskent niet het vermoeden van onschuld van de eiser III en vormt evenmin een ongeoorloofde inmenging in zijn privé-leven.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eiser IV

93. Het middel heeft dezelfde strekking als het tiende middel van de eiser II.

Het is om dezelfde redenen gegrond.

Tweede middel van de eiser IV

94. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser IV aan de telastleggingen H.I.1.b, I.II, J, K.I.-K.VI, K.IX.1-K.IX.3, K.IX.6, K.IX.9 en K.X expliciet op zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen van meerdere beklaagden, waaronder die van de eiser IV, en miskent aldus het recht van de eiser IV op een eerlijk proces.

95. Het middel heeft een gelijkaardige strekking als het zevende middel van de eiser II.

Het is om dezelfde redenen niet ontvankelijk.

Derde middel van de eiser IV

96. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging als onderdeel van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest wijzigt de onder de telastlegging A.I begrepen feiten en veroordeelt de eiser IV voor niet in de inleidende dagvaarding begrepen feiten; de valsheid bestaat volgens het arrest, in tegenstelling tot met wat de dagvaarding voorhoudt, niet in het door de beklaagden opblazen van de omzet van LHSP nv, door haar via leningen zelf te laten betalen voor de haar door de LDC's verschuldigde licentievergoedingen; de valsheid bestaat er volgens het arrest wel in dat de beklaagden lieten uitschijnen dat voldaan was aan de waarderingsregels in verband met de waarschijnlijkheid van de invorderbaarheid; aldus neemt het arrest voor de beoordeling van de telastlegging A.I fundamenteel andere feiten in aanmerking dan vervat in de dagvaarding en verklaart het feiten bewezen waarvoor de rechter niet geldig was gevat en waaromtrent de eiser IV geen verweer heeft kunnen voeren.

97. De saisine van de rechter wordt bepaald door de akte van aanhangigmaking. Ze wordt niet bepaald door wat het openbaar ministerie in conclusie aanvoert.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

98. Het arrest verklaart de eiser IV schuldig aan de telastleggingen A.I.3, A.I.4, A.I.5 en A.I.6 (telkens beperkt).

Deze telastleggingen betreffen als dader of mededader valsheid in de jaarrekening te hebben gepleegd door in de enkelvoudige en de geconsolideerde Belgische jaarrekeningen van LHSP nv van 1998 en 1999 valselijk omzet te hebben opgenomen met de bedoeling onder meer de koers van het aandeel LHSP te doen stijgen, minstens te handhaven.

De betrokkenheid van de eiser IV zoals bedoeld door artikel 66 Strafwetboek met betrekking tot deze telastleggingen werd in de dagvaarding als volgt beschreven:

"1. door als (afgevaardigd) bestuurder, verantwoordelijk voor het opstellen van de jaarrekening, de omzet bedoeld onder de hiervoor vermelde tenlasteleggingen, te hebben laten opnemen in de jaarrekeningen, en ter goedkeuring te hebben voorgelegd aan de algemene vergadering, wetende dat deze omzet vals was.

2. door voornoemde valse omzet mee te hebben gecreëerd, door onder meer:

a . het concreet uitwerken, onder meer vanuit de optiek van omzeterkenning, van het concept van language companies (vrij vertaald : taalbedrijven) (LDC's, CLDC's, I-companies) en gelijkaardige concepten, onder meer door het geven van instructies aangaande de oprichting en de financiering van diverse vennootschappen vernoemd onder de hierboven vermelde tenlasteleggingen alsook met betrekking tot de uit te voeren betalingen van licentievergoedingen verschuldigd ingevolge de afgesloten licentieovereenkomsten.

b. het geven van onderrichtingen m.b.t. het opstellen van diverse valse licentiecontracten en het ondertekenen van diverse valse licentiecontracten en/of andere contracten zoals nader gestipuleerd onder tenlastelegging B.

c. bij te dragen aan en/of mee in te staan voor de financiering, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, van diverse vennootschappen waarmee licentiecontracten werden afgesloten teneinde deze vennootschappen in staat te stellen de licentievergoedingen te betalen aan LHSP, en door het geven van onderrichtingen dienaangaande."

99. Noch met de redenen die het arrest vermeldt bij de beoordeling van de schuld van de beklaagden Geert Dauwe en Dexia Bank België nv aan de telastlegging A.I.6 (p. 1082-1086), noch met de redenen die het vermeldt bij de beoordeling van de schuld van de eiser IV aan de telastleggingen A.I.3, A.I.4, A.I.5 en A.I.6 (onder meer p. 612-613, 909, 1000-1001, 1231, 1286, 1300-1301), doet het arrest uitspraak over andere feiten dan die welke met betrekking tot deze telastleggingen met de dagvaarding bij het hof van beroep waren aanhangig gemaakt.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vierde middel van de eiser IV

100. Het middel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: het arrest grondt de schuldigverklaring van de eiser IV als strafbare deelnemer aan de telastlegging I.II (misbruik van vennootschapsgoederen) op deelnemingshandelingen die plaatsvonden na de voltooiing van het hoofdmisdrijf, meer bepaald op het geven van de opdracht om met de uit het misdrijf verkregen gelden Parvesten aan te kopen, het ophalen van de Parvest-certificaten en de leidende rol bij de totstandkoming van het krediet Snauwaert; bijgevolg veroordeelt het arrest de eiser IV niet wettig als strafbare deelnemer aan het misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen, dat was voltooid op het ogenblik dat de verkoopsom van de aandelen uit de holding op de rekeningen van de eisers II, IV en een medebeklaagde terechtkwam.

101. Het arrest grondt de schuldigverklaring van de eiser IV als strafbare deelnemer aan de telastlegging I.II niet enkel op de opdracht om Parvest-certificaten aan te kopen en op te halen, maar ook op de omstandigheden dat de eiser IV actief deelnam aan de onderhandelingen met Artesia die hebben geleid tot het verstrekken van het krediet van 25 miljoen Amerikaanse dollar aan de eiser III, krediet dat de eiser III in staat stelde om de koopsom te betalen (p. 1983) en dat de eiser IV akkoord ging om zich samen met de eiser II en een medebeklaagde borg te stellen voor de terugbetaling van de Artesia-lening (p. 1984). De verwijzing naar die handelingen, die blijkens de vaststellingen van het arrest plaatsvonden vóór het voltooien van het onder de telastlegging I.II omschreven misdrijf, vormt een zelfstandige verantwoording voor de schuldigverklaring van de eiser IV als strafbare deelnemer aan de telastlegging I.II.

Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiser V

102. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 21, 22, 23, 24 en 25 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser V voor twee wanbedrijven die meer dan tien jaar daarvoor zijn gepleegd, zonder een nuttige daad van stuiting en een grond van schorsing vast te stellen.

103. De rechter is niet verplicht in zijn beslissing de daden of gebeurtenissen aan te duiden die de verjaring van de openbare vordering hebben gestuit of geschorst, behoudens hij daartoe bij conclusie wordt verzocht.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

104. Het staat aan het Hof na te gaan of de verjaring van de strafvordering regelmatig gestuit of geschorst is, aan de hand van de regelmatig overgelegde procedurestukken.

Het middel dat aanneemt dat het Hof de verjaring enkel kan onderzoeken op grond van de vermeldingen in de bestreden beslissing, faalt in zoverre naar recht.

105. Elke handeling of daad van een daartoe bevoegde overheid om bewijzen te verzamelen of de zaak in staat van wijzen te brengen is een daad van onderzoek waardoor de verjaring van de strafvordering wordt gestuit in de zin van artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

De gevolgen van de daden die de verjaring met betrekking tot een misdrijf stuiten, strekken zich uit tot alle misdrijven die samen worden behandeld en die door een intrinsieke samenhang nauw met elkaar verbonden zijn.

106. De strafvordering voor de met de telastleggingen F.III en F.VI omschreven wanbedrijven, die volgens het arrest op 4 mei 2000 werden gepleegd, werd nuttig gestuit door de brief van 12 april 2005 waarbij het openbaar ministerie de kamervoorzitter-onderzoeksrechter om aanvullende inlichtingen verzocht.

107. Krachtens de hier toepasselijke versie van artikel 24, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering werd de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de inleiding van de zaak voor de rechter op 21 mei 2007 en dit tot 20 mei 2008.

Bijgevolg was de strafvordering op het ogenblik van het arrest niet verjaard.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser V

108. Het middel voert schending aan van artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 128 en 479 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van de rechtsbeginselen inzake de saisine van het vonnisgerecht: het arrest oordeelt met betrekking tot de telastleggingen F.III en F.VI: "De bewezen bevonden feiten zoals hoger uiteengezet deden zich voor ten tijde van de auditwerkzaamheden over het boekjaar 1999, d.w.z. na het afsluiten van het boekjaar 1999 (31.12.1999) tot op het ogenblik van de commissarisverklaring op 04.05.2000"; de feiten omschreven onder deze door het arrest niet aangepaste telastleggingen situeren zich evenwel uitsluitend op 4 mei 2000; aldus oordeelt het arrest minstens impliciet dat de feiten uit de tijdsperiode na 31 december 1999 tot op 4 mei 2000 vervat zijn in de telastleggingen F.III en F.VI van de rechtstreekse dagvaarding en geeft het arrest een uitlegging die onverenigbaar is met de inhoud en de bewoordingen van deze telastleggingen in de akte van aanhangigmaking en miskent het bijgevolg de bewijskracht ervan; in de mate dat het arrest niet impliciet oordeelt dat de feiten uit de periode na 31 december 1999 tot op 4 mei 2000 in de telastleggingen F.III en F.VI van de rechtstreekse dagvaarding zijn begrepen en het de eiser V toch voor die feiten veroordeelt, doet het ten onrechte uitspraak over andere feiten dan deze die het voorwerp zijn van de rechtstreekse dagvaarding als akte van aanhangigmaking.

109. Met het in het middel aangehaalde oordeel geeft het arrest (p. 1915) geen uitlegging van de rechtstreekse dagvaarding als akte van aanhangigmaking.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

110. Voor het overige beoordeelt het arrest de strafrechtelijke aansprakelijkheid van onder meer de eiser V door na te gaan of de door het openbaar ministerie aangevoerde feitelijke gegevens voor de bedrijfsrevisor inderdaad aanleiding hadden moeten zijn om kritischer controle uit te voeren en een afwijzende verklaring te verlenen voor het boekjaar 1999 en stellen zij vast welke feitelijke gegevens daartoe in aanmerking konden en dienden te worden genomen (p. 1897-1914).

Anders dan waarvan het middel uitgaat, beslist het arrest met het bekritiseerde oordeel niet dat de feiten uit de vermelde periode behoren tot de feiten omschreven onder de telastleggingen F.III en F.VI.

Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

Derde middel van de eiser V

111. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest werd slechts gedeeltelijk voorgelezen en zo werd onder meer hoofdstuk 17.32.2 met de motivering van de enige schuldigverklaring van de eiser V niet voorgelezen; bijgevolg is het arrest niet in openbare terechtzitting uitgesproken.

112. Artikel 149 Grondwet bepaalt dat elk vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken.

De verplichting om het vonnis in openbare terechtzitting uit te spreken, strekt ertoe een voor het publiek toegankelijk toezicht op rechterlijke beslissingen mogelijk te maken.

Die doelstelling vereist in de regel de voorlezing op de openbare terechtzitting van zowel de motieven als het beschikkend gedeelte van de rechterlijke beslissing. Zij kan echter ook worden bereikt door een gedeeltelijke voorlezing van de rechterlijke beslissing met in elk geval het beschikkend gedeelte, samen met het gelijktijdig of onmiddellijk daarna publiek maken van de rechterlijke beslissing door verspreiding via andere publicatievormen zoals het internet.

Het middel dat ervan uitgaat dat aan de door artikel 149 Grondwet bepaalde publiciteitsverplichting slechts is voldaan indien de rechterlijke beslissing integraal op de openbare terechtzitting wordt voorgelezen, faalt in zoverre naar recht.

113. Volgens het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 20 september 2010 (p. 11-12) bracht het hof van beroep aan de aanwezige partijen het volgende ter kennis:

"Het hof (van beroep) is van oordeel dat de beklaagden het recht hebben om op de dag van de uitspraak in duidelijke bewoordingen en zonder onverantwoord tijdsverloop ingelicht te worden over de beslissing van het hof (van beroep).

Gelet op de uitzonderlijke omvang van het arrest (2100 blz) die tot gevolg heeft dat de voorlezing van het volledige arrest ongeveer twee weken zou vergen,

gelet op de omvang en vrij complexe aard van de zaak, zowel feitelijk als juridisch, die van die aard zijn dat het arrest beter zal begrepen worden door de lectuur van de tekst van het arrest dan door het dagenlang aanhoren van de voorlezing ervan,

heeft het hof (van beroep) beslist het arrest in openbare terechtzitting uit te spreken door de voorlezing van de hoofdstukken 1, 3 tot en met 15, 17.5 en 26, gevolgd door het beschikkend gedeelte van het arrest. (...)

Onmiddellijk na de uitspraak zal elke beklaagde een kopie van het volledig arrest kunnen bekomen. (...)

Daarnaast zal onmiddellijk na de uitspraak het nodige worden gedaan om de tekst van het arrest op het internet te plaatsen (www.juridat.be - nederlands - in de piramide klikt men "hoven beroep " aan - vervolgens "Gent" - op de webpagina van het hof van beroep te Gent: de rubriek "Inlichtingen"; dat menu openen; daar wordt het arrest Lernout & Hauspie geplaatst). Het arrest zal derhalve nog vandaag en uiterlijk vanaf morgenochtend kunnen geraadpleegd worden, afhankelijk van de voorlezing vandaag.

Naar het oordeel van het hof (van beroep) is een onmiddellijke publicatie op het internet van de volledige tekst van het arrest een garantie voor de openbaarheid van de uitspraak.

Door de motieven voor de straftoemeting, gevolgd door het beschikkend gedeelte van het arrest, worden de beklaagden meteen in kennis gesteld van het feit of de hen ten laste gelegde feiten al dan niet bewezen worden geacht, of ze al dan niet worden gestraft en meer bepaald voor welke misdrijven dit het geval is alsook van de opgelegde straf en de redenen van de toegepaste strafmaat.

Het hof (van beroep) is van oordeel dat de hier uiteengezette werkwijze toelaat een openbaar toezicht over de gevelde beslissing mogelijk te maken, zoals beoogd door het artikel 149 Grondwet, in zoverre dit bepaalt dat elk vonnis in openbare terechtzitting wordt uitgesproken.

De voorlezing van het onderdeel ‘straftoemeting' en van het beschikkend gedeelte van het arrest in openbare terechtzitting en de openbaarmaking van het volledige arrest meteen na de uitspraak door de publicatie ervan op het internet waarborgen ook de naleving van de voorwaarden van artikel 6, § 1, EVRM."

Volgens hetzelfde proces-verbaal (p. 12) heeft het hof van beroep op deze openbare terechtzitting de hoofdstukken 1, 3 tot en met 15, 17.5 en 26 voorgelezen, evenals het beschikkend gedeelte van het arrest.

Het arrest kon dan ook oordelen dat het werd uitgesproken overeenkomstig artikel 149 Grondwet.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vierde middel van de eiser V

114. Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en de artikelen 12 en 14 Grondwet: het arrest veroordeelt ten onrechte de eiser V wegens de subsidiaire telastleggingen F.III en F.VI en verantwoordt die beslissing niet naar recht; de uiterst ruime en vage omschrijving van het constitutief (deel)bestanddeel "niet hebben gedaan wat zij hadden moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan" is immers niet in overeenstemming met het op het legaliteitsbeginsel gefundeerde lex certa-beginsel dat vereist dat strafbare gedragingen duidelijk, precies en nauwkeurig zijn omschreven; met een dergelijke omschrijving zonder enige verdere inhoudelijke precisering ontbreekt ieder nauwkeurig wettelijk referentie- of toetsingskader en bestaat er voor de persoon op wie de strafbaarstelling van toepassing is een ontoelaatbare rechtsonzekerheid.

De eiser V verzoekt het Hof minstens om het Grondwettelijk Hof als volgt te bevragen: "Schenden de artikelen 17, derde lid (oud) en 16, derde lid (nieuw) van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen, de artikelen 12 en 14 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR, doordat het constitutief deel van de misdrijfomschrijving "niet hebben gedaan wat zij hadden moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan", niet voldoet aan de eisen van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid waaraan de strafwetten moeten voldoen en derhalve geen voldoende normatieve inhoud heeft om een misdrijf te kunnen definiëren?"

115. De eiser V is veroordeeld op grond van de in artikel 17, derde lid, eerste zin, van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen (hierna Boekhoudwet) bepaalde strafbaarstelling: "Met geldboete van vijftig frank tot tienduizend frank wordt gestraft hij die als commissaris, commissaris-revisor, revisor of onafhankelijk deskundige rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde rekeningen van ondernemingen attesteert of goedkeurt, terwijl niet is voldaan aan de in het eerste lid genoemde bepalingen, en hij daarvan kennis heeft of niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan. Hij wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met geldboete van vijftig frank tot tienduizend frank of met één van die straffen alleen, als hij met bedrieglijk opzet heeft gehandeld." Deze strafbaarstelling is thans opgenomen in artikel 16, derde lid, Boekhoudwet en in artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen.

116. Het legaliteitsbeginsel in strafzaken is een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd door de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet en de artikelen 7.1 EVRM en 15.1 IVBPR.

Het Hof kan overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of de betwiste strafbepalingen de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet klaarblijkelijk niet schenden.

117. De legaliteit van een strafbepaling vereist dat ze voldoende toegankelijk is en op zichzelf of in context met andere bepalingen gelezen op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is.

Het gegeven dat de rechter over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt is op zich niet strijdig met die vereiste van redelijke voorzienbaarheid. Er moet immers rekening worden gehouden met het algemene karakter van wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Het beginsel zelf van de algemeenheid van de wet brengt mee dat de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie kunnen hebben. De beoordelingsvrijheid van de rechter wordt mede bepaald door de complexiteit van de te regelen materie en het fundamenteel karakter van het te beschermen rechtsgoed, die een grotere marge voor de rechter kunnen verantwoorden.

Aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbepaling toepasselijk is, mogelijk is om op grond van de strafbepaling de handelingen en verzuimen te kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met:

- de vereiste van een moreel element in elk misdrijf;

- de interpretatie van de strafbepaling in het licht van de doelstellingen van de wetgever en wetsgeschiedenis;

- de door de rechtscolleges gegeven interpretatie omtrent de strafbepaling;

- de bijzondere hoedanigheid of functie van de persoon tot wie de strafbepaling zich richt, zijn bijzondere vertrouwdheid met de materie of het gegeven dat hij beroepsmatig beschikt of kan beschikken over goede informatie.

118. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de bepalingen van de Boekhoudwet zag als essentiële voorwaarden voor een goed beleid van de ondernemingen, voor de harmonie in de sociale relaties binnen de bedrijven, voor de bescherming van de rechten der schuldeisers en voor het uitoefenen van bepaalde bevoegdheden en controles door de overheid. De wetgever was zich bewust van de noodzaak van maatregelen om de geloofwaardigheid en de betekenis van de revisorale attesten en zo ook het vertrouwen in de jaarrekeningen en in de boekhouddocumenten te verhogen. Hij wees ook op de technische aard en het evolutief karakter van de materie en de noodzaak te beschikken over een instelling die door middel van adviezen of aanbevelingen zou bijdragen tot de ontwikkeling van een boekhouddoctrine en het formuleren van de principes van een regelmatige boekhouding.

119. Het personeel toepassingsgebied van de strafbepaling is duidelijk omschreven: de bepaling richt zich tot commissarissen, bedrijfsrevisoren en onafhankelijke deskundigen.

120. Het materieel toepassingsgebied is voldoende afgebakend: de strafbepaling heeft betrekking op het goedkeuren of attesteren van rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen, terwijl niet is voldaan aan precies aangeduide wettelijke vereisten.

121. Voor strafbaarheid moet ook een moreel element worden bewezen. De commissaris, de commissaris-revisor, de revisor of de onafhankelijke deskundige heeft niet gedaan wat hij had moeten doen om zich ervan te vergewissen of aan de wettelijke vereisten al dan niet is voldaan. Het moreel element bestaat dus in onachtzaamheid.

122. Uit de wetsgeshiedenis van de Boekhoudwet volgt dat een commissaris die rekeningen goedkeurt of attesteert, zonder zich ervan te vergewissen dat de boekhoudverplichtingen werden nagekomen en dit volgens de professionele vormen van het toezicht op de rekeningen, strafrechtelijk aansprakelijk is en dat zulks dient te worden geapprecieerd rekening houdend met de door de beroepsorganisaties of -orden vastgelegde principes.

Aldus is met betrekking tot de invulling van het moreel element een beoordelingscriterium beschikbaar.

123. Uit het voorgaande volgt dat de wetsbepalingen die de commissaris, de commissaris-revisor, de revisor of de onafhankelijke deskundige bestraffen die niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich ervan te vergewissen of de goedgekeurde of geattesteerde rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen voldeden aan de wettelijke vereisten, voor al degenen op wie de bepaling toepasselijk is, kennelijk voldoende nauwkeurig zijn en de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet klaarblijkelijk niet schenden.

124. Uit het voorgaande volgt dat er evenmin schending is van artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR.

Het middel faalt naar recht.

125. De prejudiciële vraag dient overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet te worden gesteld.

Vijfde middel van de eiser V

Eerste onderdeel

126. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser V aan de telastleggingen F.III en F.VI op beslissende wijze op door het arrest bepaalde controlegedragsnormen met betrekking tot vier boekhoudkundige gegevens; het arrest onderwerpt ten onrechte deze door het openbaar ministerie of een burgerlijke partij niet aangevoerde elementen, niet aan de tegenspraak en heropent ten onrechte niet ambtshalve het debat over deze (on)zorgvuldigheden van de commissaris-bedrijfsrevisor; de eiser V heeft deze elementen niet kunnen tegenspreken en er zich niet tegen kunnen verdedigen, in het bijzonder rekening houdend met de vaagheid van dit deelbestanddeel van de telastleggingen, de afwezigheid van een antwoord van het openbaar ministerie op het verweer van de eiser V ter zake, de bijzondere aard van de slechts uit één aanleg bestaande procedure van voorrecht van rechtsmacht en de feitelijke en juridische complexiteit en de buitengewone omvang van het strafdossier.

127. Het onderdeel verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten, waartoe het niet bevoegd is.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

128. De rechter die dient te oordelen of een commissaris-revisor "heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan" in de zin van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen, dient het gedrag van de betrokkene te toetsen aan het gedrag van een in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst normaal voorzichtig en redelijk commissaris-revisor.

129. Een vervolging voor dit misdrijf houdt in dat een beklaagde zijn verweermiddelen moet richten tegen elke handeling of verzuim waaruit kan worden afgeleid dat hij "niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan" in de zin van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen.

Bij de beoordeling of de dader "heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan" in de zin van de voormelde wetsbepalingen dient de rechter zich niet te beperken tot de met betrekking tot dit constitutief bestanddeel van het misdrijf door de vervolgende partij aangevoerde handelingen en verzuimen. De rechter mag ook andere uit het strafdossier of uit de behandeling ter openbare rechtszitting blijkende en dus aan de tegenspraak van partijen onderworpen handelingen of verzuimen in aanmerking nemen, zonder dat hij het debat moet heropenen.

Dit houdt geen miskenning in van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het recht op tegenspraak.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

Tweede onderdeel

130. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen inzake het vermoeden van onschuld en de bewijslast in strafzaken: het arrest veroordeelt de eiser V wegens de telastleggingen F.III en F.VI uitsluitend steunend op concrete controlegedragsnormen die niet door de vervolgende partij zijn aangevoerd; aldus beslist het arrest minstens impliciet dat het aan de eiser V behoort om ook al de andere niet door het openbaar ministerie aangevoerde en slechts in het arrest zelf bepaalde omissies en onzorgvuldigheden in een zeer complex en uiterst omvangrijk strafdossier te zoeken, te onderzoeken en te weerleggen en dus impliciet het bewijs te leveren van de onjuistheid van deze telastleggingen.

131. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de tevergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde schendingen en miskenningen.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Zesde middel van de eiser V

Eerste onderdeel

132. Het onderdeel voert schending aan artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen: met het oordeel dat het misdrijf zoals omschreven in telastleggingen F.III en F.VI een onopzettelijk misdrijf is en dat de eiser V hieraan schuldig is op basis van de enige overweging dat hij niet heeft gehandeld zoals van een normaal voorzichtig en redelijk commissaris-revisor mocht worden verwacht, miskent het arrest de strafrechtelijke schuldvormen vereist voor al de samenstellende bestanddelen van dit misdrijf van ongeoorloofde attestatie of goedkeuring.

133. Het arrest oordeelt niet enkel zoals aangegeven in het onderdeel, maar ook als volgt:

- uit de omschrijving van de telastleggingen F blijkt dat de eiser V enkel wordt vervolgd wegens het attesteren in het commissarisverslag, zonder voorbehoud, dat de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekeningen van 1999 een getrouw beeld gaven van het vermogen, de financiële toestand en de resultaten van de onderneming en dat deze waren opgesteld in overeenstemming met de bestuursrechtelijke voorschriften, en dienvolgens de jaarrekeningen te hebben goedgekeurd zonder voorbehoud (p. 1894);

- met de telastleggingen F.I en F.IV wordt de eiser V ten laste gelegd daarbij te hebben gehandeld met bedrieglijk opzet (p. 1892);

- met de in ondergeschikte orde geformuleerde telastleggingen F.II en F.V wordt de eiser V ten laste gelegd te hebben gehandeld zonder bedrieglijk opzet, maar wel met de kennis dat deze inbreuken werden gepleegd (p. 1892);

- in de nog meer in ondergeschikte orde geformuleerde telastleggingen F.III en F.VI wordt de eiser V ten laste gelegd niet te hebben gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan de bepalingen van de Boekhoudwet werd voldaan (p. 1893);

- het openbaar ministerie legt de eiser V met de betichtingen F.III en F.VI ten laste niet te hebben gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan de bepalingen opgesomd in artikel 17, eerste lid, Boekhoudwet (oud), thans artikel 16, eerste lid (nieuw), Boekhoudwet, was voldaan en dat deze telastleggingen duidelijk onopzettelijke misdrijven betreffen (p. 1895).

Uit de samenhang tussen deze redenen volgt dat het arrest alleen het misdrijf van het als commissaris, commissaris-revisor, revisor of onafhankelijk deskundige attesteren of goedkeuren van rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde rekeningen van ondernemingen, terwijl niet voldaan is aan de vermelde bepalingen en hij niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen werd voldaan, als een onopzettelijk misdrijf heeft gekwalificeerd en niet het volledige door artikel 17, derde lid (oud), artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen bedoelde misdrijf.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

134. Het onderdeel voert schending aan van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen: de rechter moet de telastleggingen F.III en F.VI beoordelen in functie van de globale uitvoering van de wettelijke controle door de commissaris-revisor en dus rekening houden met het hele verloop van de verrichte auditwerkzaamheden ten aanzien van de jaarrekening in haar geheel; een eventuele tekortkoming met betrekking tot één welbepaald boekhoudkundig gegeven houdt niet automatisch in dat de commissaris-revisor bij het goedkeuren van de jaarrekening in globo niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich ervan te vergewissen of aan de bedoelde bepalingen is voldaan in de zin van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen; het arrest kon uit de zelf vastgestelde gegevens niet wettig afleiden dat de eiser V niet heeft gedaan wat hij had moeten doen.

135. Het door artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen bedoelde misdrijf is voltrokken indien de commissaris, commissaris-revisor, revisor of onafhankelijk deskundige een rekening, jaarrekening, balans en resultatenrekening of geconsolideerde rekening van een onderneming goedkeurt of attesteert, terwijl niet voldaan was aan de bepalingen van het eerste lid van artikel 17 (oud) en artikel 16 (nieuw) Boekhoudwet of aan de bepalingen van paragraaf 1 van artikel 171 Wetboek van Vennootschappen en de betrokkene niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich ervan te vergewissen of aan de bedoelde bepalingen was voldaan.

Voor de bewezenverklaring van dit misdrijf volstaat het bijgevolg dat een rekening, jaarrekening, balans en resultatenrekening of geconsolideerde rekening van een onderneming werd goedgekeurd of geattesteerd, terwijl niet aan één bepaling van de in het eerste lid van artikel 17 (oud) en artikel 16 (nieuw) Boekhoudwet of van paragraaf 1 van artikel 171 Wetboek van Vennootschappen vermelde bepalingen is voldaan en de betrokkene niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich daarvan te vergewissen. Een bewezenverklaring vereist dus niet dat de goedgekeurde of geattesteerde rekening, jaarrekening, balans en resultatenrekening of geconsolideerde rekening van een onderneming strijdig is met meerdere of alle bepalingen vermeld in het eerste lid van artikel 17 (oud) en artikel 16 (nieuw) Boekhoudwet of van paragraaf 1 van artikel 171 Wetboek van Vennootschappen of globaal geen correct beeld geeft.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

136. Het arrest (p. 1902) dat oordeelt dat de eiser V als commissaris-revisor in de nader bepaalde situaties met betrekking tot de LDC-gerelateerde ontwikkelingswerkzaamheden (p. 1902-1907), de invorderbaarheid van de licentievergoedingen (p. 1907-1909), de 25 miljoen Amerikaanse dollar (p. 1909-1912) en de datumvermelding in de contracten (p. 1913-1914), niet het nodige heeft gedaan zoals van een normaal voorzichtig en redelijk commissaris-revisor mocht worden verwacht, aangezien er elementen voorhanden waren die in het kader van de financiële audit meer of andere controlemaatregelen nodig maakten en die bij verder onderzoek een invloed hadden kunnen hebben op het oordeel over de attestering of goedkeuring van de jaarrekening en dat hem om die redenen schuldig verklaart aan de telastleggingen F.III en F.VI, is naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

137. Het onderdeel komt voor het overige op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten, waartoe het niet bevoegd is.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

138. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen:

- het arrest oordeelt dat de aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor moet worden beoordeeld volgens de professionele deontologische regels, normen en aanbevelingen die door het Instituut der Bedrijfsrevisoren (IBR) zijn uitgevaardigd en bijgevolg dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de bedrijfsrevisor mede wordt bepaald door aanbevelingen vanwege de beroepsorganisatie; de niet-naleving van niet-bindende controle-aanbevelingen kan evenwel niet resulteren in de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de bedrijfsrevisor; het arrest oordeelt dan ook ten onrechte dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eiser V moet worden beoordeeld volgens de normen en de aanbevelingen van het IBR;

- het arrest miskent het wettelijk deelbestanddeel van "niet hebben gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan de bedoelde bepalingen is voldaan" door bij de veroordeling van de eiser V inhoudelijk ruimere gedragsnormen te hanteren dan de controle- en revisieregels van het IBR;

- het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat het deelbestanddeel "niet hebben gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan de bedoelde bepalingen was voldaan" moet worden beoordeeld volgens door het IBR uitgevaardigde professionele deontologische regels, normen en aanbevelingen en niet volgens een door de rechter zelf te bepalen normenarsenaal; het oordeelt anderzijds dat het louter naleven van de wettelijke bepalingen en reglementaire regels onvoldoende kan zijn voor de bedrijfsrevisor en het toetst aldus het auditgedrag van de eiser V vanuit een zelf bepaald normenarsenaal;

- het arrest is onvoldoende gemotiveerd en de motivering laat het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; het vermeldt niet aan welke concrete professionele deontologische regel, norm of aanbeveling het gedrag van de eiser V is getoetst;

- het arrest kon gelet op de zelf gedane vaststellingen omtrent de zeer ingrijpende misleiding niet wettig oordelen dat de eiser V inzake de vier boekhoudkundige gegevens meer of andere controlemaatregelen had moeten nemen en hij ter zake niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan de bedoelde bepalingen is voldaan in de zin van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen;

- het arrest beantwoordt niet het in de conclusie van de eiser V aangevoerde specifiek verweer dat door de combinatie van de vele listige fraudemechanismen en de in dit fraudeverlengde vele geraffineerde misleidingstechnieken tegenover de auditor, ieder normaal voorzichtig en redelijk commissaris-revisor de omzet- en beursfraude in het LHSP-dossier niet zou hebben ontdekt;

- het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd aangezien het oordeel omtrent de misleiding met betrekking tot de telastleggingen F.III en F.VI (p. 1900) niet te verenigen valt met de andere vaststellingen over veel meer ingrijpende en zelfs totale misleiding van de bedrijfsrevisor.

139. De rechter die dient te oordelen of een commissaris-revisor "heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan" in de zin van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen, dient het gedrag van de betrokkene te toetsen aan het gedrag van een in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst normaal voorzichtig en redelijk commissaris-revisor.

Bij die toetsing houdt de rechter rekening met de normen en aanbevelingen van het IBR. Ook de niet-naleving van een niet-bindende aanbeveling kan het besluit wettigen dat de commissaris-revisor "niet heeft gedaan wat hij had moeten doen".

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

140. Bij de toetsing aan het gedrag van een in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst normaal voorzichtig en redelijk commissaris-revisor houdt de rechter rekening met de normen en aanbevelingen van het IBR, die de door de commissaris-revisor na te leven algemene zorgvuldigheidsnorm nader invullen. De naleving van de IBR-normen en aanbevelingen houdt evenwel niet noodzakelijk in dat de betrokkene zich heeft gedragen zoals een normaal voorzichtig en redelijk commissaris-revisor zich in dezelfde concrete omstandigheden zou hebben gedragen.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

141. Met betrekking tot de criteria die bij het antwoord op de vraag of de commissaris-revisor "heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan" in aanmerking moeten worden genomen, oordeelt het arrest:

- de beoordeling van de professionele fout moet gebeuren in het licht van de beginselen toepasselijk op het beroep van revisor en volgens de professionele regels, normen en aanbevelingen van het IBR, die inhoud geven aan de door de bedrijfsrevisor na te leven algemene zorgvuldigheidsnorm (p. 1898 en 1899);

- bij de beoordeling van de telastleggingen F.III en F.VI moet worden onderzocht of de eiser V heeft gehandeld als had kunnen worden verwacht van een normaal voorzichtig en redelijk commissaris-revisor in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst (p. 1899);

- het louter naleven van de wettelijke en reglementaire regels kan onvoldoende zijn wanneer moet worden vastgesteld dat een normaal voorzichtig en redelijk revisor in de concrete omstandigheden zijn controle meer diepgaand of anders zou hebben georganiseerd dan wettelijk of reglementair is voorgeschreven (p. 1899).

Die beslissing is naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

142. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de bedrijfsrevisor moet worden beoordeeld volgens de professionele deontologische regels, normen en aanbevelingen van het IBR welke aan de door de bedrijfsrevisor na te leven algemene zorgvuldigheidsnorm inhoud geven (p. 1899) en niet volgens een door de rechter zelf te bepalen normenarsenaal (p. 1898) en anderdeels te beslissen dat het louter naleven van de wettelijke en reglementaire regels onvoldoende kan zijn wanneer moet worden besloten dat een normaal voorzichtig en redelijk revisor in de concrete omstandigheden zijn controle meer diepgaand of anders zou hebben georganiseerd dan wettelijk of reglementair voorgeschreven (p. 1899).

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

143. Het arrest oordeelt dat de met betrekking tot de telastleggingen A, B, D en E uiteengezette controlebeginselen zoals van toepassing ten tijde van de revisorale controle op het boekjaar 1999 (hoofdstuk 17.32.1, punt III.2.F) ook van toepassing zijn bij de beoordeling van de telastleggingen F.III en F.VI (p. 1899 en 1900).

Aldus verwijst het arrest naar en betrekt het bij de beoordeling van de telastleggingen F.III en F.VI de normen 1.14.b, 1.3, 1.3.4, 2.3 en 2.5.1 van de algemene controlenormen (p. 1713, 1714, 1715, 1722 en 1732) en de punten 1.4, 2.4, 2.6, 2.7, 3.1, 3.2, 4.1, 4.2 en 5.2 van de aanbeveling inzake het gebruik van de werkzaamheden van een andere revisor in het IBR-Vademecum 1997 (p. 1732-1733).

Het onderdeel dat aanvoert dat het arrest gedragsnormen aanneemt en toepast zonder ernaar te verwijzen mist in zoverre feitelijke grondslag.

144. De rechter die bij de beoordeling of een commissaris-revisor "heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan" in de zin van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen en bijgevolg bij de toetsing van diens gedrag aan het gedrag van een in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst normaal voorzichtig en redelijk commissaris-revisor rekening houdt met normen en aanbevelingen van het IBR, is niet ertoe gehouden in zijn beslissing het nummer of de referentie van die norm of aanbeveling of de vindplaats in het IBR-vademecum te vermelden. Die niet-vermelding belet het Hof niet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

145. Het onderdeel dat aanvoert dat de normaal voorzichtig en redelijke commissaris-revisor in een financiële audit in de door het arrest vastgestelde situatie van uitermate verstrekkende misleiding van de commissaris-revisor rechtstreeks door de frauderende top van de te controleren vennootschap in collusie met derden, geen andere of meer controlemaatregelen zou hebben genomen met betrekking tot de vier boekhoudkundige gegevens die het arrest bespreekt op de pagina's 1902-1914 en die een onderdeel uitmaken van de door de misleider zelf geconcipieerde, georganiseerde en uitgewerkte fraude, komt op tegen het onaantastbare oordeel van de rechter over de feiten of verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

146. Het arrest oordeelt omtrent de misleiding van de eiser V dat:

- de omstandigheid dat de eiser V op verschillende vlakken werd misleid door bepaalde LHSP-bestuurders en door derden niet van aard is om zonder meer te doen besluiten dat hij dient te worden vrijgesproken wegens de telastleggingen F.III en F.VI, omdat een commissaris-revisor zich immers kritisch en onafhankelijk moet opstellen in het bijzonder tegenover het bestuur van de gecontroleerde vennootschap (p. 1900);

- uit het gerechtelijk onderzoek is gebleken dat de eiser V in zijn hoedanigheid van commissaris-revisor van LHSP nv grovelijk werd misleid door het management van LHSP nv en dat hoewel het hof van beroep tot de conclusie is gekomen dat de meeste hem ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn en hij zijn taak van commissaris-revisor meestal op een correcte wijze heeft vervuld, er evenwel werd vastgesteld dat hij bij de controle van enkele boekhoudkundige gegevens die hem ter kennis waren, minstens dienden te zijn, onzorgvuldig is geweest (p. 2035).

Dit oordeel is niet tegenstrijdig met andere vaststellingen van het arrest omtrent de misleiding van de eiser V (p. 1680, 1711, 1788 en 1895).

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

147. Met het voormelde oordeel beantwoordt het arrest het in conclusie van de eiser V aangevoerde verweer omtrent zijn misleiding. Het hoeft daarbij niet elk argument te beantwoorden dat tot ondersteuning van dit verweer werd aangevoerd, zonder een afzonderlijk middel te vormen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

148. Het onderdeel voert schending aan van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen: de telastleggingen F.III en F.VI, waaraan het arrest de eiser V schuldig verklaart, verwijzen respectievelijk naar de telastleggingen E.I.1.3, E.I.2.3, E.II.1.3 en E.II.2.3 en de telastleggingen E.III en E.IV, zijnde misdrijven die hetzij bedrieglijk hetzij algemeen opzet vereisen; aldus veroordeelt het arrest de eiser V wegens het niet hebben gedaan wat hij had moeten doen om te achterhalen of de feiten der voormelde telastlegging E door de bestuurders met bedrieglijk opzet of wetens werden gepleegd, terwijl artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen niet vereisen dat de commissaris-revisor ook doet wat hij moet doen om te achterhalen met welke subjectieve ingesteldheid de bestuurder de betreffende bepalingen niet heeft nageleefd.

149. Uit de aan de telastleggingen F.III en F.IV toegevoegde verbijzondering en de daarin vervatte verwijzing naar respectievelijk de telastleggingen E.I.1.3, E.I.2.3, E.II.1.3 en E.II.2.3 en de telastleggingen E.III en E.IV en de schuldigverklaring van de eiser V aan de telastleggingen F.III en F.VI volgt niet dat de eiser V werd vervolgd en veroordeeld omdat hij niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om de subjectieve ingesteldheid te achterhalen waarmee de bestuurders van de gecontroleerde vennootschap de bepalingen inzake boekhouding en jaarrekening hebben overtreden. De eiser werd uitsluitend vervolgd en door het arrest (p. 1892-1916) schuldig bevonden omdat hij met betrekking tot de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van LHSP nv voor het jaar 1999 een goedkeurende verklaring zonder voorbehoud heeft verleend, zonder dat hij heeft gedaan wat hij had moeten doen om te achterhalen of de met de telastleggingen E.I.1.3, E.I.2.3, E.II.1.3 en E.II.2.3 en de telastleggingen E.III en E.IV omschreven inbreuken werden gepleegd, ongeacht of die telastleggingen werden gepleegd door de daders met het door de wet vereiste opzet.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

150. Het onderdeel voert schending aan van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen: het arrest veroordeelt de eiser V wegens op 4 mei 2000 niet te hebben gedaan wat hij had moeten doen om te achterhalen of inbreuken werden gepleegd na 4 mei 2000; de telastlegging F.III verwijst immers naar de telastleggingen E.I.1.3, E.I.2.3, E.II.1.3 en E.II.2.3, die werden gepleegd van 7 mei 2000 tot en met 31 mei 2000; de telastlegging F.VI verwijst naar de telastleggingen E.III en E.IV die werden gepleegd van 1 september 1997 tot mei 2000; aldus past het arrest een omgekeerde tijdsorde toe dan die voorgeschreven door de bedoelde misdrijfnorm.

151. Het arrest veroordeelt de eiser V wegens de telastleggingen F.III en F.VI. De aangevoerde onwettigheid heeft uitsluitend betrekking op de schuldigverklaring van de eiser V aan de telastlegging F.III en aan de telastlegging F.VI, in zoverre de verbijzondering van die omschrijving van die laatste telastlegging verwijst naar feiten die zich na 4 mei 2000 situeren. De aangevoerde onwettigheid heeft evenwel geen betrekking op de telastlegging F.VI in zoverre de verbijzondering van de omschrijving verwijst naar feiten die zich situeren vanaf 1 september 1997 tot en met 4 mei 2000. De veroordeling van de eiser V blijft naar recht verantwoord door het niet-betwiste gedeelte van de telastlegging F.VI.

Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk.

Zesde onderdeel

152. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen:

- het arrest veroordeelt de eiser V niet wettig voor de telastlegging F.III welke verwijst naar de telastleggingen E.I.1.3, E.I.2.3, E.II.1.3 en E.II.2.3; de inbreuken omschreven in die telastleggingen werden bepaald door de ter uitvoering van de Boekhoudwet genomen koninklijke besluiten van 8 oktober 1976 en 6 maart 1990, welke werden geïntegreerd in het ter uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen genomen koninklijk besluit van 30 januari 2001 en meer bepaald in de artikelen 24 en 115; deze bepalingen vallen niet onder de door artikel 16, derde lid, Boekhoudwet aangewezen bepalingen van artikel 16, eerste lid, Boekhoudwet; zij vallen evenmin onder de bepalingen bedoeld door artikel 171, § 1, Wetboek van Vennootschappen daar dit geen bepalingen zijn uit hoofdstuk II en III van titel VII, boek IV van dit wetboek;

- het arrest veroordeelt de eiser V niet wettig voor de telastlegging F.VI; op grond van de algemene vaststelling met betrekking tot de telastlegging F dat de feiten, voor zover bewezen, ten tijde van de feiten strafbaar waren door artikel 17, derde lid, Boekhoudwet en thans eveneens door artikel 16, derde lid, Boekhoudwet en artikel 171, § 2, Wetboek van Vennootschappen, kan het Hof niet nagaan of het arrest beslist dat alleen de feiten van de telastlegging F.III thans eveneens strafbaar zijn gesteld door artikel 171, § 2, Wetboek van Vennootschappen dan wel of dit ook geldt voor de telastlegging F.VI.; in de laatste lezing zou de beslissing niet naar recht verantwoord zijn aangezien de feiten van de telastlegging F.VI buiten het toepassingsgebied vallen van artikel 171, § 2, Wetboek van Vennootschappen en uitsluitend onder artikel 16 Boekhoudwet vallen.

153. De omschrijving van de telastlegging F.VI, evenals de omschrijving van de telastleggingen E.III en E.IV waarnaar de telastlegging F.VI. verwijst, geeft aan dat die feiten op het ogenblik van het plegen ervan strafbaar waren gesteld door artikel 17, derde lid, Boekhoudwet en vervolgens door artikel 16, derde lid, Boekhoudwet. In deze omschrijving wordt, anders dan in de omschrijvingen van de telastleggingen F.III, E.I.1.3, E.I.2.3, E.II.1.3 en E.II.2.3 niet verwezen naar een actuele strafbaarheid ingevolge artikel 171, § 2, Wetboek van Vennootschappen.

Uit de schuldigverklaring door het arrest van de eiser V aan deze niet gewijzigde telastlegging F.VI volgt dat het arrest (p. 1893) oordeelt dat de feiten van de telastlegging F op het ogenblik van het plegen ervan strafbaar waren ingevolge artikel 17, derde lid, Boekhoudwet en op het ogenblik van het arrest strafbaar ingevolge artikel 16, derde lid, Boekhoudwet en dat de verwijzing, in de algemene vaststellingen van het arrest met betrekking tot de telastlegging F, naar artikel 171, § 2, Wetboek van Vennootschappen geen betrekking heeft op de telastlegging F.VI.

Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist in zoverre feitelijke grondslag.

154. Het arrest veroordeelt de eiser V wegens de telastleggingen F.III en F.VI. De aangevoerde onwettigheid heeft uitsluitend betrekking op de schuldigverklaring van de eiser V aan de telastlegging F.III. De aangevoerde onwettigheid heeft evenwel geen betrekking op de telastlegging F.VI. De veroordeling van de eiser V blijft naar recht verantwoord door zijn schuldigverklaring aan de telastlegging F.VI.

Het onderdeel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien in zoverre niet ontvankelijk.

Zevende middel van de eiser V

Eerste onderdeel

155. Het onderdeel voert schending aan van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen: het arrest dat zelf als abstract referentiecriterium de professionele normen en beginselen had vooropgesteld, miskent het wettelijk begrip "niet hebben gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan de bedoelde bepalingen is voldaan"; het oordeelt immers dat de eiser V niet heeft gehandeld als een normaal redelijk en voorzichtig bedrijfsrevisor in dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan om reden dat bepaalde gegevens inzake de ontwikkelingswerkzaamheden hem niet zijn gesignaleerd door de auditmanagers, dat hij "er diende voor te zorgen dat elk gegeven hem onmiddellijk werd gesignaleerd" en dat hij "minstens had moeten vragen of er desbetreffend geen elementen waren die omzeterkenning in het gedrang zouden brengen".

156. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de tevergeefs met het derde onderdeel van het zesde middel van de eiser V aangevoerde wetsschending.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

157. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen: het arrest is manifest tegenstrijdig gemotiveerd waar het een onzorgvuldigheid vaststelt met betrekking tot de LDC's; het oordeelt enerzijds dat het de bedrijfsrevisor bekend was dat binnen LHSP nv ontwikkelingstijd werd gepresteerd ten behoeve van de verschillende LDC's, dat het door de revisor zelf beklemtoonde belang dat voor de erkenning in omzet van de licentievergoedingen het risico van de ontwikkelingen bij de LDC's diende te liggen en dat het feit dat er geen initiële afspraken uit de contracten bleken om aan ontwikkeling te doen of substantiële bijstand te leveren, een normaal redelijk en voorzichtige bedrijfsrevisor ertoe diende aan te zetten nadere inlichtingen in te winnen omtrent de voorliggende gegevens en zo nodig gesprekken met het betrokken personeel van het technisch departement van LHSP nv te voeren, te meer er geen facturatie werd vastgesteld; het arrest oordeelt anderzijds dat uit het strafdossier niet blijkt dat de bedrijfsrevisor wist dat LHSP nv zelf de ontwikkeling van bepaalde aan LDC's verkochte talen was gestart, dat niet uit het strafdossier is gebleken dat Bert Van Coile en Steven Leys van het R&D-departement omtrent de noodzaak tot technische bijstand ooit ten opzichte van KPMG Bedrijfsrevisoren en de eiser V kritiek hebben geuit op de inhoud van de licentiecontracten omdat zij in dergelijk geval wellicht een conflict met de LHSP-top vreesden, dat gelet op de uitsluitende betrokkenheid van de afgevaardigde bestuurders bij de onderhandelingen en het sluiten van de LDC-overeenkomsten het niet aannemelijk is dat de bedrijfsrevisor de verborgen afspraken te weten kon komen en dat ook de verantwoordelijke van het R&D-departement in de waan werd gelaten dat er twee verschillende overeenkomsten zouden worden opgesteld, zodat ook een ondervraging van het technisch personeel geen andere kennis aan het auditteam zou hebben bijgebracht.

158. Het arrest oordeelt niet dat het gegeven dat binnen LHSP nv ontwikkelingstijd werd gepresteerd ten behoeve van verschillende LDC's gekend was aan de bedrijfsrevisor. Het oordeelt wel dat in elk geval niet kan worden betwist dat gegevens zoals vermeld in zijn overwegingen 3.1 en 3.2 aan de bedrijfsrevisor voldoende gekend waren ten tijde van de feiten (p. 1905).

Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

159. Het arrest (p. 1905) oordeelt niet alleen zoals aangehaald in het onderdeel, maar ook dat:

- KPMG en de eiser V zich niet kunnen verschuilen achter het feit dat het onduidelijk zou zijn geweest op welke activiteiten de geactiveerde uren betrekking hadden, noch dat het onmogelijk kon gaan om geactiveerde kosten die beantwoorden aan de definitie die werd gegeven om onderzoeks- en ontwikkelingskosten te activeren, of dat het aantal uren minimaal was in verhouding tot het aantal geactiveerde uren;

- de werkelijkheid achter de cijfers wel duidelijk zou zijn geworden indien de bedrijfsrevisor ter zake verder onderzoek had gevoerd.

Het onderdeel berust in zoverre op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

160. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen als voormeld (p. 1905) en anderdeels vast te stellen dat de bedrijfsrevisor niet wist dat LHSP nv zelf met de ontwikkeling van bepaalde aan LDC's verkochte talen was gestart (p. 1790).

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

161. Het arrest oordeelt niet enkel dat het door de bedrijfsrevisor zelf beklemtoonde belang dat voor de erkenning in omzet van de licentievergoedingen het risico voor de ontwikkeling bij de LDC's diende te liggen, en het feit dat er geen initiële afspraken uit de contracten bleken om ontwikkeling te doen of substantiële bijstand te leveren, een normaal redelijk en voorzichtige bedrijfsrevisor ertoe diende aan te zetten nadere inlichtingen in te winnen omtrent de voorliggende gegevens en zo nodig gesprekken met het betrokken personeel van het technisch departement van LHSP nv te voeren, temeer nu er geen facturatie werd gevoerd (p. 1905-1906), maar ook dat:

- verder onderzoek ongetwijfeld zou hebben aangetoond dat het personeel voor de taalvennootschappen werd aangeworven door LHSP nv en ook op de betaalrol van LHSP nv werd geplaatst, dat er geen overeenkomsten met de taalvennootschappen bestonden waaruit bleek dat het ontwikkelingswerk werd uitbesteed aan LHSP nv en dat de beweringen van de eiser VI omtrent het door hem tewerkgesteld personeel binnen de LDC's niet klopten (p. 1906);

- gelet op de enorme impact van de licentievergoedingen op de omzet van LHSP nv in het boekjaar 1999 voor een normaal redelijk en voorzichtige bedrijfsrevisor die informatie een signaal zou zijn geweest dat de beweerde onafhankelijkheid van de taalvennootschappen ten aanzien van LHSP nv grondiger moest worden onderzocht, zodat met de resultaten van dat onderzoek kon rekening gehouden worden bij de conclusie voor de commissarisverklaring (p. 1906).

Het onderdeel berust in zoverre op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

162. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen als voormeld (p. 1906) en anderdeels vast te stellen dat uit het strafdossier niet is gebleken dat Bert Van Coile en Steven Leys van het R&D-departement omtrent de noodzaak tot technische bijstand ooit ten opzichte van KPMG Bedrijfsrevisoren en de eiser V kritiek hebben geuit op de inhoud van de licentiecontracten, omdat zij in een dergelijk geval wellicht een conflict met de LHSP-top vreesden, gezien de implementatie van het LDC-project uitsluitend vanuit die top werd aangestuurd (p. 1767). De vaststelling van afwezigheid van kritiek in hoofde van twee personeelsleden van het R&D-departement met betrekking tot de inhoud van de licentiecontracten is niet onverenigbaar met het oordeel dat er elementen waren om nadere inlichtingen in te winnen en zo nodig gesprekken te voeren met het personeel van het technisch departement van LHSP nv, te meer er geen facturatie werd vastgesteld.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

163. Het is evenmin tegenstrijdig eensdeels te oordelen als voormeld (p. 1906) en anderdeels vast te stellen dat gelet op de uitsluitende betrokkenheid van de afgevaardigde bestuurders bij de onderhandelingen en het sluiten van de LDC-overeenkomsten, het niet aannemelijk is dat de bedrijfsrevisor de verborgen afspraken te weten kon komen en dat ook de verantwoordelijke van het R&D-departement in de waan werd gelaten dat er twee verschillende overeenkomsten zouden worden opgesteld, zodat ook een ondervraging van het technisch personeel geen andere kennis aan het auditteam zou hebben bijgebracht (p. 1768). De vaststelling dat het niet aannemelijk is dat de revisor de verborgen gehouden afspraken te weten kon komen en dat de verantwoordelijke van het R&D-departement in de waan werd gelaten dat er twee verschillende overeenkomsten zouden worden opgesteld, is niet onverenigbaar met het oordeel dat er elementen waren om nadere inlichtingen in te winnen en zo nodig gesprekken te voeren met het personeel van het technisch departement van LHSP nv, te meer er geen facturatie werd vastgesteld.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Achtste middel van de eiser V

164. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd waar het een onzorgvuldigheid vaststelt met betrekking tot de invorderbaarheid van de licentievergoedingen en het nalaten van factureren aan de taalvennootschappen; het arrest oordeelt enerzijds dat, niettegenstaande de afwezigheid of de laattijdigheid van de facturatie, het feit dat de licentievergoedingen binnen de voorziene termijn voor het grootste gedeelte betaald werden als dusdanig reeds voldoende zou moeten zijn om voor ieder normaal voorzichtig en redelijk bedrijfsrevisor in dezelfde omstandigheden geplaatst, te oordelen dat het criterium van de invorderbaarheid van de licentievergoedingen wel degelijk vervuld was en dat het gegeven dat betalingen werden gedaan ondanks dat geen verkoopfacturen werden uitgeschreven, door de bedrijfsrevisor niet als een fraudesignaal of als verontrustend diende te worden beschouwd; het arrest oordeelt anderzijds dat de eiser V met betrekking tot de invorderbaarheid van de licentievergoedingen "niet heeft gedaan wat hij had moeten doen" om reden dat de vaststelling dat geen of laattijdig facturen werden uitgeschreven naar de taalvennootschappen voor ieder normaal redelijk en voorzichtig bedrijfsrevisor geplaatst in dezelfde omstandigheden een aanleiding diende te zijn om meer controlemaatregelen uit te voeren, zoals het opstarten van een onderzoek binnen LHSP nv om na te gaan of er voldoende garanties waren bekomen dat de klant solvabel was en, in ontkennend geval, de bedrijfsleiding te vragen de klant te laten bevestigen dat deze in staat was de btw en zijn andere verplichtingen voortvloeiend uit de licentieovereenkomsten te voldoen.

165. Het arrest (p. 1908) oordeelt dat:

- de vaststelling dat vooral de facturatie naar bedrijven die een licentie aankochten om producten voor een bepaalde taal of toepassing te ontwikkelen vaak niet gebeurde en de afwezigheid van facturatie toch al enige tijd aansleepte voor ieder normaal redelijk en voorzichtig bedrijfsrevisor geplaatst in dezelfde omstandigheden een aanleiding diende te zijn om meer controlemaatregelen uit te voeren dan enkel het bevragen van het management;

- die vaststelling zowel kon wijzen op een gebrek aan solvabiliteit van de klant als op andere achterliggende redenen (wijziging van bestaande contractuele afspraken of het gegeven dat die bestaande afspraken met de realiteit niet overeenkwamen);

- ingeval zou blijken dat er onvoldoende garanties waren dat de klant solvabel was, de bedrijfsrevisor de bedrijfsleiding had kunnen vragen de klant te laten bevestigen dat hij in staat was de btw en andere verplichtingen voortvloeiend uit de licentieovereenkomst, zoals de ontwikkeling op eigen risico en de financiering ervan, te voldoen.

166. Dit oordeel is niet tegenstrijdig met het oordeel van het arrest dat de bedrijfsrevisor kon overtuigd zijn dat, gelet op het feit dat de licentievergoedingen binnen de voorziene termijn voor het grootste deel werden betaald, aan de waarderingsregel van de waarschijnlijkheid van de inbaarheid van de vordering was voldaan (p. 1783) of met het oordeel dat het gegeven dat betalingen werden gedaan ondanks dat geen verkoopfacturen werden uitgeschreven door de bedrijfsrevisor, rekening houdende met de informatie waarover hij beschikte, niet als een fraudesignaal of als verontrustend diende te worden beschouwd (p. 1796). Het eerste oordeel dat in essentie is gesteund op de afwezigheid en de laattijdigheid van de facturatie is niet onverenigbaar met het tweede oordeel dat in essentie is gesteund op de betaling.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Negende middel van de eiser V

Eerste onderdeel

167. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen: het arrest dat uit het gegeven van de 25 miljoen Amerikaanse dollar een onzorgvuldigheid afleidt, is tegenstrijdig gemotiveerd; het arrest oordeelt enerzijds, zonder enige uitzondering, dat de commissaris-revisor niet kan worden verweten dat hij de regels van de internationale audit als groepsrevisor niet correct zou hebben toegepast en KPMG en de eiser V werden misleid omtrent het concrete gegeven van de 25 miljoen Amerikaanse dollar, dat de gegevens uit het strafdossier aantonen dat het Belgische auditteam onmiddellijk kritische vragen heeft gesteld om de herkomst van de gelden te achterhalen, dat Pol Hauspie en de eiser IV hebben bevestigd dat de ene betaling niets met de andere te maken had, dat de chronologie van de betalingen door de bedrijfsrevisor werd nagegaan en inderdaad niet gelijklopend bleek te zijn, dat uit de bankdocumenten bleek dat er geen verband bestond tussen de betalingen einde 1999 en de "earn-out" betaling aan Seo, dat de eiser VI op 4 februari 2000 bevestigde dat de investeerders onafhankelijke partijen waren en de eiser IV op 8 februari 2000 hun namen aan de eiser V bezorgde, dat KPMG Korea op 29 maart 2000 een verklaring zonder voorbehoud verleende met betrekking tot de US-GAAP-jaarrekening van L&H Korea, dat KPMG terecht erop heeft gewezen dat het auditteam geen probleem diende te veronderstellen in het feit dat de betaling gebeurde door een kantoor van LDS in Korea en ten slotte dat de schuld van 5 miljoen frank die LDS had aan LHSP nv, op het ogenblik van de audit voor de bedrijfsrevisor geen fraudesignaal diende te zijn aangezien de betaling van 25 miljoen Amerikaanse dollar gebeurde namens de beweerde drie Koreaanse investeerders en derhalve er geen verband tussen beide diende te worden gelegd; het arrest oordeelt anderzijds dat een normaal voorzichtig en redelijk bedrijfsrevisor verantwoordelijk voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening de lokale bedrijfsrevisor kritisch had moeten bevragen of hij de transactie wel degelijk voldoende diepgaand had onderzocht en dat de eiser V als verantwoordelijke vaste vertegenwoordiger de nodige instructies diende te geven opdat de passende vragen reeds vóór de commissarisverklaring zouden worden gesteld en de antwoorden daarop zouden worden verkregen; het arrest geeft met dit laatste oordeel een onjuiste betekenis aan het wettelijk constitutief misdrijfbestanddeel.

168. Het onderdeel dat aanvoert dat de eiser V als bedrijfsrevisor in de in het arrest vermelde gecombineerde feitelijke omstandigheden omtrent de 25 miljoen Amerikaanse dollar geheel heeft gedaan wat hij had moeten doen in de zin van artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en van artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen, komt aldus op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of vergt van het Hof een onderzoek van feiten, waartoe het niet bevoegd is.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

169. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het onderdeel aangehaald, maar ook dat:

- de groepsrevisor wel een toereikende zekerheid dient te verkrijgen over de betrouwbaarheid van de controle en de certificering van de revisoren van de te consolideren ondernemingen en dat hij een fout zou begaan wanneer hij dergelijke zekerheid niet heeft verkregen en toch de werkzaamheden van deze revisoren heeft gebruikt (p. 1734);

- uit geen enkel element kan worden besloten dat KPMG of de eiser V een niet-toegelaten druk op de buitenlandse confraters uitoefenden, noch dat er een niettoegelaten ‘sturende' rol of doorslaggevende dominantie was van het Belgische auditteam, noch dat de buitenlandse revisoren niet onafhankelijk optraden en dat de documenten in het strafdossier enkel een beeld geven van een correcte coördinerende rol in hoofde van de groepsauditor (p. 1736);

- de uitleg van KPMG en van de eiser V over de te hunnen laste aangevoerde feitelijke elementen wat betreft de beweerde dominantie van het Belgische auditteam, geloofwaardig is en door de argumenten en weerleggingen van het openbaar ministerie en de burgerlijke partijen niet wordt ontkracht (p. 1737);

- geen enkel van de elementen aangehaald door het openbaar ministerie in conclusie noch andere gegevens in het strafdossier overtuigen dat KPMG of de eiser V bewust, teneinde mee te werken aan de lastens andere beklaagden vastgestelde strafbare handelingen om de jaarrekeningen te vervalsen, de audit van hun buitenlandse confraters hebben beïnvloed, laat staan deze hebben gedwongen om de jaarrekening goed te keuren, zodat omzet uit licentiecontracten kon worden erkend (p. 1739);

- het feit dat er op 22 juni 2000 nog bijkomende maatregelen werden gevraagd echter wel aantoont dat de commissaris-revisor onvoldoende zorgvuldig is geweest op het ogenblik van de commissarisverklaring, waarbij wordt verwezen naar de beoordeling door het arrest van de telastlegging F; deze onzorgvuldigheid neemt echter niet weg dat het strafdossier geen afdoend bewijs biedt van de stelling dat de revisor wetens en willens zou hebben meegewerkt aan de jaarrekeningenfraude (p. 1800).

Aldus blijkt dat het arrest met het oordeel dat de eiser V de regels van een internationale audit als groepsrevisor correct heeft toegepast, slechts heeft bedoeld dat hij geen ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend op de buitenlandse lokale revisoren om jaarrekeningen goed te keuren, zonder daarbij uit te sluiten dat de eiser V onzorgvuldig zou geweest zijn door bepaalde werkzaamheden van die revisoren zonder voldoende controle te gebruiken.

De aangevoerde tegenstrijdigheid berust op een onvolledige lezing van het arrest.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

170. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 17, derde lid (oud) en artikel 16, derde lid (nieuw) Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd omtrent de 25 miljoen Amerikaanse dollar; het oordeelt enerzijds dat ingevolge de betaling van 25 miljoen Amerikaanse dollar door de beweerde Koreaanse investeerders de nog openstaande schijven van licentievergoedingen werden betaald door 14 verschillende LDC's aan L&H Asia, dat de e-mail van Stephan Huysman van 22 juni 2000 een antwoord inhield op de e-mail van Robert McLamb van 20 juni 2000 aan Stephan Huysman en aan de eiser V, dat de vragen die Robert McLamb einde juni 2000 stelde betreffende de financiering van de licentievergoedingen voortvloeiden uit informatie die pas na de commissarisverklaring voorhanden was, dat wat de 25 miljoen Amerikaanse dollar betreft het auditteam geen fout kan worden verweten in de communicatie naar het auditcomité toe, rekening houdend met de informatie die aan de bedrijfsrevisor op dat ogenblik werd gegeven over de onafhankelijkheid van de Koreaanse klanten, dat het auditteam op grond van de haar op het moment van de commissarisverklaring bekende informatie in alle redelijkheid kon oordelen dat plaatsbezoeken vóór september 2000 nog niet noodzakelijk waren als controleprocedure en ten slotte dat het gedrag van de commissaris-revisor aan de concrete omstandigheden moet worden getoetst, wat meebrengt dat er enkel kan rekening worden gehouden met de informatie en de feiten die de bedrijfsrevisor kende of redelijkerwijze kon kennen op het ogenblik van zijn controlewerkzaamheden met de middelen die hem ter beschikking stonden; het arrest oordeelt anderzijds dat uit de e-mail van Stephan Huysman van 22 juni 2000, waarin bijkomende auditmaatregelen (waaronder het uitvoeren van plaatsbezoeken) worden voorgesteld die desbetreffend nog door KPMG Korea konden worden uitgevoerd, blijkt dat de commissaris-revisor vooraleer de commissarisverklaring te geven, onvoldoende de lokale bedrijfsrevisor kritisch heeft bevraagd of hij de transactie wel voldoende diepgaand had onderzocht; aldus oordeelt het arrest dat de eiser reeds vóór het verlenen van de commissaris-verklaring de lokale bedrijfsrevisor kritisch had moeten bevragen met verwijzing naar de vraagstellingen van KPMG Korea in de door het arrest aangehaalde e-mail van Stephan Huysman van 22 juni 2000, terwijl deze vraagstellingen echter het gevolg zijn van informatie die pas na de commissarisverklaring voorhanden was; door de eiser V te veroordelen wegens het "niet te hebben gedaan wat hij had moeten" alvorens zijn commissarisverklaring te verlenen, als gevolg van informatie die hij pas ná het afleveren van zijn commissarisverklaring voorhanden had, en hierbij niet vast te stellen dat deze informatie die aanleiding was tot de vraagstellingen van Stephan Huysman in een e-mail van 22 juni 2000 ook redelijkerwijze kon gekend zijn op het ogenblik van de commissarisverklaring, miskent het arrest de vermelde bepalingen; minstens bestaat er een tegenstrijdigheid tussen de motieven van het arrest doordat het beslist dat de commissaris vóór zijn verklaring vragen moest stellen zoals volgt uit een welbepaalde e-mail die echter zelf een antwoord inhoudt op vragen die volgens het arrest gesteld werden als gevolg van informatie bekend ná de commissarisverklaring.

171. Het arrest oordeelt niet alleen dat ingevolge de betaling van 25 miljoen Amerikaanse dollar door de beweerde Koreaanse investeerders de nog openstaande schijven van licentievergoedingen werden betaald door 14 verschillende LDC's aan L&H Asia, maar ook dat de betaling van een zeer groot bedrag op het einde van het boekjaar 1999 door beweerde investeerders in Korea die door hun investering in extremis zorgden voor het voldoen van reeds enige tijd openstaande licentievergoedingen van 14 verschillende vennootschappen verschuldigd aan een dochtervennootschap van LHSP nv in een ander land, voor een normaal voorzichtig en redelijk bedrijfsrevisor verantwoordelijk voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening aanleiding diende te zijn om de lokale bedrijfsrevisor kritisch te bevragen of hij de transactie wel degelijk voldoende diepgaand had onderzocht (p. 1912).

Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist in zoverre feitelijke grondslag.

172. Het arrest oordeelt niet alleen dat uit de e-mail van Stephan Huysman van 22 juni 2000 blijkt dat de commissaris-revisor, alvorens de commissaris-verklaring werd gegeven, onvoldoende de lokale bedrijfsrevisor kritisch heeft bevraagd of hij de transactie voldoende diepgaand had onderzocht, maar ook dat:

- Robert McLamb op 20 juni 2000 aan de eiser V en Stephan Huysman een e-mail stuurde waarin hij stelde dat hij nog geen update had gekregen van het werk dat was gebeurd om de kwestie van de 25 miljoen Amerikaanse dollar op te lossen (p. 1799);

- Stephan Huysman in de e-mail van 22 juni 2000 toch nog een aantal auditmaatregelen voorstelde die desbetreffend nog door KPMG Korea konden worden uitgevoerd om de onafhankelijkheid van de Koreaanse investeerders na te gaan (p. 1909);

- het feit dat er op 22 juni 2000 nog bijkomende controlemaatregelen werden gevraagd aantoont dat de commissaris-revisor onvoldoende zorgvuldig is geweest op het ogenblik van de commissarisverklaring (p. 1800);

- de in die e-mail gestelde vragen pertinent voorkomen, gezien men zich binnen het auditteam steeds de vraag had gesteld of er geen verband was tussen de 25 miljoen Amerikaanse dollar, waarmee einde december 1999 een aantal nog openstaande schijven van licentievergoedingen was betaald en het overeenstemmende bedrag dat als "earn-out" aan de directeur van L&H Korea was betaald (p. 1911);

- het niet is omdat deze vragen werden gesteld ingevolge de "20-F filing" in de VSA op 30 juni 2000 dat daarmee geen rekening kon worden gehouden bij de beoordeling of de bedrijfsrevisor op het ogenblik van de commissarisverklaring van 4 mei 2000 had gedaan wat hij had moeten doen om zich ervan te vergewissen dat de geconsolideerde jaarrekening van LHSP nv per 31 december 1999 een getrouw beeld gaf van het vermogen, de financiële toestand en de resultaten van de vennootschap (p. 1911-1912);

- deze pertinente vragen tot het stellen van bijkomende auditmaatregelen door een normaal voorzichtig, professioneel, kritisch, redelijk en voorzichtig bedrijfsrevisor reeds vóór het afleggen van de commissarisverklaring zouden zijn gesteld (p. 1912);

- de betaling van een zeer groot bedrag op het einde van het boekjaar 1999 door beweerde investeerders in Korea die door hun investering in extremis zorgden voor het voldoen van reeds enige tijd openstaande licentievergoedingen van 14 verschillende vennootschappen verschuldigd aan een dochtervennootschap van LHSP nv in een ander land, voor een normaal voorzichtig en redelijk bedrijfsrevisor verantwoordelijk voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening aanleiding diende te geven om de lokale bedrijfsrevisor kritisch te bevragen of hij de transactie wel degelijk voldoende diepgaand had onderzocht (p. 1912);

- uit de e-mail van 22 juni 2000 blijkt dat dit alvorens de commissarisverklaring werd gegeven onvoldoende is gebeurd (p. 1912);

- de gestelde vragen erop wijzen dat de commissaris-revisor naast de verkregen managementbevestigingen, bevestigingen van derden, bankdocumenten en overige documenten die het Belgische auditteam ter beschikking had, nog bijkomende informatie trachtte te verkrijgen om tot een oordeel te kunnen komen, maar dat deze vragen hadden moeten worden gesteld vóór het verlenen van de commissarisverklaring op 5 april 2000 (lees 4 mei 2000) (p. 1912).

Met dit oordeel heeft het arrest, anders dan het onderdeel aanvoert, wel degelijk aangegeven dat de informatie die aanleiding was tot de vraagstellingen van Stephan Huysman in een e-mail van 22 juni 2000 ook redelijkerwijze kon gekend zijn op het ogenblik van de commissarisverklaring.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

173. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat geen rekening dient te worden gehouden met het gegeven dat de vragen uit de e-mail van Stephan Huysman van 22 juni 2000 (waarop de veroordeling wegens F.III en F.VI noodzakelijk steunt) werden gesteld ingevolge de "20 F-filing" die in de VSA per 30 juni 2000 diende te worden neergelegd; het arrest oordeelt anderzijds dat voor de indiening van de Amerikaanse "20 F-filing" een meer omstandig verslag nodig is dan voor het verlenen van de Belgische commissarisverklaring aangezien dergelijk verslag meer toelichting dient te bevatten over de problematiek van de verbonden partijen.

174. Uit de vaststellingen dat de in de e-mail van Stephan Huysman opgenomen vragen kaderden in de indiening van een "20F-filing" en dat deze een meer omstandig verslag vereist dan de verlening van een Belgische commissarisverklaring (p. 1842), volgt niet dat met die vragen geen rekening zou mogen worden gehouden bij de beoordeling van het gedrag van de eiser V op het ogenblik van de commissarisverklaring (p. 1911-1912). Die vaststellingen houden immers niet in dat elke vraag die wordt gesteld in het kader van een "20F-filing" verder gaat dan wat een zorgvuldig Belgisch commissaris-revisor dient te doen alvorens over te gaan tot de aflegging van een commissarisverklaring, zodat het niet is uitgesloten dat uit de vragen in het kader van een "20F-filing" blijkt dat de Belgische commissaris-revisor onzorgvuldig is geweest bij de aflegging van zijn commissarisverklaring. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat bijgevolg niet.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

175. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 17, derde lid (oud), en artikel 16, derde lid (nieuw), Boekhoudwet en artikel 171, § 2, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat het grondig bekijken van de betaling van 25 miljoen Amerikaanse dollar en het uitvoeren van passende auditmaatregelen dient te gebeuren door KPMG Korea en KPMG Singapore, aangezien de betaling gebeurde aan L&H Korea ten behoeve van de licentiecontracten gesloten met L&H Singapore, dat door KPMG Korea op 29 maart 2000 een verklaring zonder voorbehoud werd verleend met betrekking tot de US-GAAP-jaarrekening van L&H Korea, dat de buitenlandse bedrijfsrevisoren persoonlijk verantwoordelijk waren voor de door hen gecontroleerde boekhouding en jaarrekening, dat het Belgisch auditteam voor de audit van de geconsolideerde jaarrekening kon steunen op de werkzaamheden van en de auditcontrole door de buitenlandse KPMG-entiteiten, dat niet kan worden besloten dat KPMG en de eiser V de controlemaatregelen van de plaatselijke revisoren van dochtervennootschappen van LHSP nv ten tijde van de feiten als onbetrouwbaar, onvoldoende of onprofessioneel dienden te aanzien en dat de commissaris-revisor in de concrete omstandigheden niet kan worden verweten dat hij de regels van een internationale audit als groepsrevisor niet correct zou hebben toegepast; het arrest oordeelt anderzijds dat een normaal voorzichtig en redelijk bedrijfsrevisor, verantwoordelijk voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening de lokale bedrijfsrevisor kritisch had moeten bevragen of hij de transactie wel degelijk voldoende diepgaande had onderzocht en dat de eiser als verantwoordelijke vaste vertegenwoordiger de nodige instructies diende te geven opdat de passende vragen reeds vóór de commissarisverklaring zouden worden gesteld en de antwoorden daarop zouden worden verkregen.

176. Het arrest oordeelt niet alleen zoals vermeld in het onderdeel, maar ook dat:

- de groepsrevisor wel een toereikende zekerheid dient te verkrijgen over de betrouwbaarheid van de controle en de certificering van de revisoren van de te consolideren ondernemingen en dat hij een fout zou begaan wanneer hij dergelijke zekerheid niet heeft verkregen en toch de werkzaamheden van deze revisoren zonder meer heeft gebruikt (p. 1734);

- het feit dat er op 22 juni 2000 nog bijkomende maatregelen werden gevraagd wel aantoont dat de commissaris-revisor onvoldoende zorgvuldig is geweest op het ogenblik van de commissarisverklaring, waarbij wordt verwezen naar de beoordeling in het arrest van de telastlegging F (p. 1800);

- de onzorgvuldigheid echter niet wegneemt dat het strafdossier geen afdoend bewijs biedt voor de stelling dat de revisor wetens en willens zou hebben meegewerkt aan de jaarrekeningenfraude (p. 1800);

- de betaling van een zeer groot bedrag op het einde van het boekjaar 1999 door beweerde investeerders in Korea die door hun investering in extremis zorgden voor het voldoen van reeds enige tijd openstaande licentievergoedingen van 14 verschillende vennootschappen verschuldigd aan een dochtervennootschap van de LHSP nv in een ander land, voor een normaal voorzichtig en redelijk bedrijfsrevisor verantwoordelijk, voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, aanleiding diende te zijn om de lokale bedrijfsrevisor kritisch te bevragen of hij de transactie wel degelijk voldoende diepgaand had onderzocht en dat uit de e-mail van 22 juni 2000 blijkt dat dit alvorens de commissarisverklaring werd gegeven, onvoldoende is gebeurd (p. 1912);

- de gestelde vragen erop wijzen dat de commissaris-revisor naast de verkregen managementbevestigingen, bevestigingen van derden, bankdocumenten en overige documenten die het Belgische auditteam ter beschikking had nog bijkomende informatie trachtte te verkrijgen om tot een oordeel te kunnen komen, maar deze vragen hadden moeten worden gesteld vóór het verlenen van de commissarisverklaring op 5 april 2000 (lees 4 mei 2000) (p. 1912);

- de eiser V de kwestie duidelijk opvolgde samen met Stephan Huysman en hij als verantwoordelijke vaste vertegenwoordiger de nodige instructies diende te geven opdat de passende vragen reeds vóór de commissaris-verklaring zouden worden gesteld en de antwoorden daarop zouden worden verkregen (p. 1912);

- de eiser V dit duidelijk heeft nagelaten en hij de kwestie meer dan vermoedelijk uit het oog is verloren (p. 1912).

177. Uit de samenhang tussen de in het onderdeel aangehaalde motieven en deze redenen volgt dat de aangevoerde tegenstrijdigheid niet bestaat.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tiende middel van de eiser V

Eerste onderdeel

178. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het stelt enerzijds vast dat de beoordeling van de waarderingsregel van het bestaan van een overeenkomst door datering van de contracten met L&H Korea als één van de voorwaarden voor omzeterkenning, de verantwoordelijkheid was van de lokale auditor van KPMG Korea die op 29 maart 2000 geen voorbehoud maakte omtrent de omzeterkenning uit de contracten met DSY, NIT en EPC en dat het Belgische auditteam kon steunen op de werkzaamheden van en de auditcontrole door de buitenlandse KPMG-entiteiten, vermits deze controlemaatregelen van de plaatselijke revisoren ten tijde van de feiten als betrouwbaar, professioneel en voldoende dienden te worden aangezien; het arrest oordeelt anderzijds dat de eiser niet akkoord mocht gaan met het opnemen van vergoedingen uit de contracten met L&H Korea (DSY, NIT en EPC) en ter zake niet heeft gedaan wat hij had moeten doen omdat hij onvoldoende heeft gecontroleerd of de lokale auditor bij zijn audit voldoende rekening heeft gehouden met de voorwaarde van het bestaan van een overeenkomst door de datering ervan, dan wel dat hij en zijn auditteam zelf onvoldoende hebben gecontroleerd of aan deze voorwaarde was voldaan.

179. Het arrest oordeelt met betrekking tot de Koreaanse contracten niet alleen zoals aangehaald in het onderdeel, maar ook dat:

- de revisor die met de audit van de geconsolideerde jaarrekening ("de groepsrevisor") is belast, in beginsel niet instaat voor de enkelvoudige jaarrekeningen van de dochtervennootschappen en voor de eventuele fouten die door de revisoren van de betreffende dochtervennootschappen zouden zijn gemaakt (p. 1826);

- punt 2.6 van de aanbeveling inzake het gebruik van de werkzaamheden van een andere revisor bepaalt dat de commissaris-revisor zich een oordeel moet vormen over de werkzaamheden van zijn confrater en zich ervan dient te vergewissen dat die wel degelijk stroken met de doelstellingen die hijzelf in zijn werkprogramma vooropgesteld heeft (p. 1826);

- de revisor daartoe de verslagen van zijn confrater kan raadplegen, zijn confrater rechtstreeks kan ondervragen over diens controlewerkzaamheden en zijn werkdocumenten kan raadplegen (p. 1826);

- de toe te passen procedures worden bepaald in functie van de omstandigheden van de opdracht van de revisor (p. 1826);

- KPMG Korea, met betrekking tot L&H Korea, in beginsel als enige de verantwoordelijkheid droeg voor het naleven van de toepasselijke wetgeving, regulering en professionele standaarden en voor het oplossen van alle aangelegenheden dienaangaande (p. 1827);

- er wel verscheidene stukken in het strafdossier zijn waaruit blijkt dat de eiser V en de leden van het Belgische auditteam goed op de hoogte waren van verschillende omzetkwesties die verband hielden met de contracten gesloten in Korea (p. 1827);

- gelet op de e-mail van 25 januari 2000 van Stephan Huysman aan Carl Dammekens mag worden aangenomen dat de commissaris-revisor de aan de opmerkingen van Bob McLamb aangepaste contracten met EPC, DSY en NIT heeft gezien en uit die e-mail blijkt dat de datum op die contracten niet was ingevuld (p. 1862);

- vooral rekening houdend met het feit dat de eiser V wist dat Bob McLamb pas begin 2000 opmerkingen had geformuleerd die mogelijks tot aanpassing van de in 1999 gesloten contracten konden leiden, het duidelijk is dat het Belgische auditteam bij de controle van de geconsolideerde jaarrekening onvoldoende aandacht heeft gehad voor de gevolgen die de ondertekeningen in 2000 hadden voor het tijdstip waarop de omzeterkenning mocht gebeuren (p. 1862);

- de commissaris-revisor een fout beging, waarbij wordt verwezen naar de beoordeling van de telastlegging F in hoofdstuk 17.32, door de omzet uit de contracten niet uit de jaarrekening van 1999 te doen weren (p. 1862);

- er echter onvoldoende elementen zijn om te besluiten dat de commissaris-revisor deze fout heeft begaan vanuit een intentie om wetens en willens mee te werken aan valsheid in de geconsolideerde jaarrekening 1999 van de LHSP nv (p. 1862).

De beweerde tegenstrijdigheid berust dan ook op een onvolledige lezing van het arrest.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

180. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat het aandringen op het bekomen van managementbevestigingen en documenten over de onderhandelingen uitsluitsel had kunnen brengen omtrent de voorwaarde van de ondertekening van de overeenkomsten en dat de bedrijfsrevisor zich met alle mogelijke middelen diende ervan te vergewissen dat de contracten wel degelijk in het betreffende kwartaal of boekjaar waren ondertekend; het arrest oordeelt anderzijds dat het nazicht van besteldocumentatie en onderhandelingsmateriaal en interviews met personeel van de verkoopafdeling wat de verkoop van de licentiecontracten betreft niet als een in het kader van een financiële audit van de revisor te verwachten taak aangezien kan worden.

181. De beide oordelen zijn niet tegenstrijdig.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Eerste tot en met achtste middel van de eiser VI

182. Deze middelen hebben eenzelfde strekking als het eerste tot en met het achtste middel van de eiser II.

Zij kunnen om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.

Negende middel van de eiser VI

Eerste onderdeel

183. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het negende middel van de eiser II.

Het mist omwille van dezelfde reden feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

184. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest geeft aan de brief van 4 februari 2000 die als bijlage 27 is gevoegd bij het proces-verbaal van 27 maart 2001 met nummer 540/01 een interpretatie die ermee onbestaanbaar is.

185. Anders dan het middel aanvoert, geeft het arrest van de brief geen uitlegging, maar beoordeelt het de bewijswaarde ervan.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tiende middel van de eiser VI

186. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 491 Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiser VI ten onrechte schuldig aan de telastlegging L (misbruik van vertrouwen); dit misdrijf veronderstelt dat is aangetoond dat gelden zijn overhandigd om ze voor een bepaald doel te gebruiken en dat ze bedrieglijk voor een ander doel zijn aangewend; het arrest stelt vast dat twintig miljoen Amerikaanse dollar aan de eiser VI werden overhandigd om te worden aangewend ter uitvoering van betalingen ten bedrage van 19.499.000 Amerikaanse dollar en er aldus een saldo overbleef van 501.000 Amerikaanse dollar dat derhalve niet met een bepaald doel aan de eiser VI werd overhandigd; het arrest kon bijgevolg de eiser VI niet veroordelen wegens misbruik van vertrouwen van het saldo van 501.000 Amerikaanse dollar.

187. Het arrest (p. 1988) stelt vast dat de eiser VI van de eiser IV instructies ontving om een bedrag van 20.000.000 Amerikaanse dollar over te schrijven. Met de op die vaststelling volgende opsomming van de daadwerkelijk verrichte overschrijvingen, bedragen, data en bestemmelingen geeft het arrest niet te kennen dat de eiser VI slechts instructies heeft ontvangen om een bedrag van 19.499.000 Amerikaanse dollar over te schrijven, maar dat de eiser VI die instructies slechts heeft uitgevoerd ten belope van dit laatste bedrag.

Het middel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

188. Het arrest oordeelt dat het bedrag van twintig miljoen Amerikaanse dollar moest dienen om een aantal opgerichte of nog op te richten LDC's toe te laten de eerste schijf van de licentievergoeding te voldoen (p. 1988), dat er geen twijfel over bestaat dat de eiser VI niet naar eigen goeddunken over dit saldo kon beschikken en dat hij weliswaar het bezit had van die som, maar dit onder de verplichting om ze voor een bepaald doel aan te wenden of te gebruiken, namelijk om bepaalde taalvennootschappen in staat te stellen hun licentievergoeding (gedeeltelijk) te kwijten (p. 2000) en dat de eiser VI dit bedrag heeft afgewend van het doel waarvoor het hem was toevertrouwd en hij zich dat bedrag wederrechtelijk heeft toegeëigend (p. 2001).

Het middel dat ervan uitgaat dat het arrest niet vaststelt dat er wat betreft het saldo van 501.000 Amerikaanse dollar voor de eiser VI een verplichting bestond om het terug te geven of voor een bepaald doel aan te wenden, berust op een onjuiste lezing van het arrest.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Omvang van de cassatie

189. Het arrest (p. 2039, 2044, 2058 en 2072) oordeelt dat er geen aanleiding is om lastens de eisers II en IV de bijzondere verbeurdverklaring uit te spreken wegens de feiten omschreven onder de telastlegging I.II, omdat de door dit misdrijf voortgebrachte illegale vermogensvoordelen voorwerp zijn van de telastlegging J en deze vermogensvoordelen slechts éénmaal tegen een beklaagde kunnen worden verbeurdverklaard.

De vernietiging van de lastens de eisers II en IV uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van 51.606 deelbewijzen Parvest Short Term Dollar, gedeponeerd op de effectenrekeningen van de eisers II en IV in handen van de Banque Artesia Nederland, als voorwerp van het met de telastlegging J omschreven witwasmisdrijf leidt tot de vernietiging van de beslissing dat er geen aanleiding is om lastens de eisers II en IV de bijzondere verbeurdverklaring uit te spreken wegens de feiten omschreven onder de telastlegging I.II, die er het gevolg van is.

Ambtshalve onderzoek voor het overige

190. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Zegt naar recht dat het bestreden arrest zonder uitwerking blijft met betrekking tot de eiser I.

Verleent akte van de afstand van de cassatieberoepen van de eisers II, III en VI zoals voormeld.

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het 51.606 deelbewijzen Parvest Short Term Dollar, gedeponeerd op de effectenrekening van respectievelijk de eisers II en IV in handen van de Banque Artesia Nederland verbeurd verklaart en in zoverre het beslist dat er geen aanleiding is om lastens de eisers II en IV de bijzondere verbeurdverklaring uit te spreken wegens de feiten omschreven onder de telastlegging I.II.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten in het geheel op de som van 9.339,9 euro, waarvan de eisers I, II, III, IV, V en VI elk 1.556,65 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Koen Mestdagh, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 29 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Doel

  • Personen op wie het voorrecht van rechtsmacht toepasselijk is

  • Opsomming in de wet

  • Aard

  • Plaatsvervangend rechter

  • Toepasselijkheid