- Arrest van 29 november 2011

29/11/2011 - P.11.0113.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het is niet strijdig met de artikelen 6.1 E.V.R.M. en 14.1 I.V.B.P.R. en met de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het zwijgrecht dat bepaalde personen de verrichtingen moeten ondergaan, bedoeld in artikel 6 Wet Grondstoffen Landbouw, dat onder meer de ambtenaren en beambten van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, aangeduid door de Minister die de Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft, de bevoegdheid geeft de overtreding van deze wet en van de ter uitvoering daarvan genomen besluiten op te sporen en vast te stellen en in dat kader fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, burelen, boten, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen, stations, wagons, voertuigen en de in open lucht gelegen bedrijven te betreden, monsters te nemen, zich alle inlichtingen, bescheiden en geïnformatiseerde dragers van gegevens te doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en over te gaan tot alle nuttige vaststellingen, eventueel met de medewerking van deskundigen, gekozen uit een lijst door de bevoegde Minister opgemaakt; het is evenmin daarmee strijdig dat ter gelegenheid van een dergelijke onderzoeksverrichting, een persoon vrijwillig een zelfs voor hem belastende verklaring aflegt, maar deze persoon heeft wel het recht te zwijgen wanneer hij van oordeel is dat hij bij het afleggen van een verklaring verplicht zou worden zichzelf te incrimineren (1) (2). (1) Zie de conclusies van het O.M. (2) Artikel 6 van de wet van 11 juli 1969 betreffende de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt werd gewijzigd door artikel 7 van de wet van 5 feb. 1999 houdende diverse bepalingen en betreffende de kwaliteit van de landbouwproducten, in werking getreden op 29 maart 1999, en door artikel 117 van de wet van 1 maart 2007, houdende diverse bepalingen (III), in werking getreden op 24 maart 2007.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0113.N

I

1. J M A V,

beklaagde en burgerlijke partij,

2. L U V,

beklaagde en burgerlijke partij,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

1. DE BRABANDER VOEDERS nv, met zetel te 8800 Roeselare, Kaaistraat 70,

burgerlijke partij,

2. MENGVOEDERS HUYS nv, met zetel te 8000 Brugge, Krakeleweg 38,

burgerlijke partij,

3. HUYS FRANCE sa, met zetel te 02830 Saint-Michel (Frankrijk), Z.A. De l'Aouette,

burgerlijke partij,

4. DERCO INTERNATIONAL nv, met zetel te 9890 Gavere, Stationsstraat 159,

burgerlijke partij,

5. DE BRABANDER WINGENE nv, met zetel te 8750 Wingene, Tieltsesteenweg 8,

burgerlijke partij,

6. BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Landbouw en Middenstand, met kantoor te 1000 Brussel, Maria Theresiastraat 1, en in de persoon van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, met kantoor te 1210 Brussel, Kunstlaan 7,

burgerlijke partij,

7. WULLAERT ACTIVITIES nv, met zetel te 8610 Kortemark, Ieperstraat 53,

burgerlijke partij,

8. BROEIERIJ DAVID nv, met zetel te 8700 Schuiferskapelle, Uitweg 3,

burgerlijke partij,

9. HENDRIX VOEDERS bv, met zetel te NL-5830 AE Boxmeer (Nederland), Veerstraat 38, P.0. Box 220,

burgerlijke partij,

10. HENDRIX nv, met zetel te 8770 Ingelmunster, Zuidkaai 6,

burgerlijke partij,

11. V G,

burgerlijke partij,

12. M D Z,

burgerlijke partij,

13. LAFAUT bvba, met zetel te 8980 Beselare, Klokhofstraat 13,

burgerlijke partij,

14. P L,

burgerlijke partij,

15. K L,

burgerlijke partij,

16. A L,

burgerlijke partij,

17. Koen DEJAEGHERE, wonende te 8900 Ieper (Boezinge), Hemelrijkstraat 6,

burgerlijke partij,

18. Daniël DEJAEGHERE, wonende te 8920 Langemark (Poelkapelle), Stroombeekstraat 7,

burgerlijke partij,

19. BERKENHOF nv, met zetel te 8800 Roeselare, Ieperstraat 542,

burgerlijke partij,

20. COUVOIR DE L'ETOILE sa, met zetel te 59122 Hondschoote (Frankrijk), Warmoesstraete 1703,

burgerlijke partij,

21. G W,

burgerlijke partij,

22. DE KROON - DE STROOPER nv, met zetel te 2330 Merksplas, Steenweg op Hoogstraten 141,

burgerlijke partij,

23. MOONEN nv, met zetel te 2382 Ravels (Poppel), Dorp 83,

burgerlijke partij,

24. FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN, openbare instelling, met kantoor te 1000 Brussel, W.T.C. III, Simon Bolivarlaan 30,

burgerlijke partij,

25. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van sociale zaken en volksgezondheid, met kantoor te 1020 Brussel, Kunstlaan 7,

burgerlijke partij,

26. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door zijn regering in de persoon van de minister die de landbouw onder zijn bevoegdheid heeft, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19,

burgerlijke partij,

27. CALLEWAERT nv, met zetel te 8850 Ardooie, Berlingmolenstraat 64,

burgerlijke partij,

28. F V A,

burgerlijke partij,

29. J S,

burgerlijke partij,

30. D V D K,

burgerlijke partij,

31. W V B,

burgerlijke partij,

32. L C,

burgerlijke partij,

33. K B,

burgerlijke partij,

34. S B,

burgerlijke partij,

35. J C,

burgerlijke partij,

36. D D D,

burgerlijke partij,

37. A D K,

burgerlijke partij,

38. KEURSLAGER-TRAITEUR DE LA RUELLE bvba, met zetel te 2930 Brasschaat, Bredabaan 786,

burgerlijke partij,

39. R D P, wonende te 2390 Malle, Antwerpsesteenweg 222,

burgerlijke partij,

40. D&S PRODUCTS nv, met zetel te 2250 Olen, Sint-Maartensstraat 17,

burgerlijke partij,

41. DUERINCK bvba, met zetel te 2500 Lier, Leopoldplein 13,

burgerlijke partij,

42. F F,

burgerlijke partij,

43. H G,

burgerlijke partij,

44. K H,

burgerlijke partij,

45. J K,

burgerlijke partij,

46. F H,

burgerlijke partij,

47. K H,

burgerlijke partij,

48. G K,

burgerlijke partij,

49. F L,

burgerlijke partij,

50. D M,

burgerlijke partij,

51. J M,

burgerlijke partij,

52. A N,

burgerlijke partij,

53. L P,

burgerlijke partij,

54. W T,

burgerlijke partij,

55. G S,

burgerlijke partij,

56. E S,

burgerlijke partij,

57. P R,

burgerlijke partij,

58. G P,

burgerlijke partij,

59. A P,

burgerlijke partij,

60. J V N,

burgerlijke partij,

61. M V,

burgerlijke partij,

62. M V,

burgerlijke partij,

63. J V,

burgerlijke partij,

64. G V E,

burgerlijke partij,

65. VAN DER WEKEN bvba, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Statiestraat 53,

burgerlijke partij,

66. K V D P,

burgerlijke partij,

67. R V,

burgerlijke partij,

68. D V,

burgerlijke partij,

69. S D V,

burgerlijke partij,

70. G A,

burgerlijke partij,

71. VIVIUM nv, met zetel te 2018 Antwerpen 1, Desguinlei 92,

burgerlijke partij,

72. G C,

burgerlijke partij,

73. A V,

burgerlijke partij,

74. P T,

burgerlijke partij,

75. J V,

burgerlijke partij,

76. SUPER SERVICE WISKE nv, thans SPAR SUPERMARKT R&R, met zetel te 2260 Westerlo, Oeveldorp 13,

burgerlijke partij,

77. DORST nv, met zetel te 9800 Deinze, Kapellestraat 70,

burgerlijke partij,

78. VERSELE-LAGA nv, met zetel te 9800 Deinze, Kapellestraat 70,

burgerlijke partij,

79. RIJDENDE KIP nv, met zetel te 2580 Putte, Leuvensebaan 204,

burgerlijke partij,

80. ARAG nv, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 306,

burgerlijke partij,

81. J V,

burgerlijke partij,

82. J T,

beklaagde en burgerlijke partij,

83. J T,

beklaagde en burgerlijke partij,

84. FOGRA sprl, thans PROTELUX sprl, met zetel te 6880 Bertrix, rue de Grand-Enclos, Nevraumont 36,

burgerlijke partij,

85. INCOPACK nv, met zetel te 3650 Dilsen-Stokkem, Siemenslaan 21,

burgerlijke partij,

86. INCOROCK nv, met zetel te 3650 Dilsen-Stokkem, Siemenslaan 21,

burgerlijke partij,

87. SYNDICAT NATIONAL DES INDUSTRIES DE LA NUTRITION ANIMALE, afgekort S.N.I.A., met zetel te F-75007 Parijs (Frankrijk), Boulevard Latour-Maubourg 41bis,

burgerlijke partij,

verweerders.

II

1. J T, reeds vermeld,

beklaagde en burgerlijke partij,

2. J T, reeds vermeld,

beklaagde en burgerlijke partij,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

beiden tegen

1. DE BRABANDER VOEDERS nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

2. MENGVOEDERS HUYS nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

3. HUYS FRANCE sa, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

4. DERCO INTERNATIONAL nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

5. DE BRABANDER WINGENE nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

6. BELGISCHE STAAT, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

7. WULLAERT ACTIVITIES nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

8. BROEIERIJ DAVID nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

9. HENDRIX VOEDERS bv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

10. HENDRIX nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

11. V G, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

12. M D Z, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

13. FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

14. BELGISCHE STAAT, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

15. VLAAMS GEWEST, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

16. CALLEWAERT nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

17. F V A, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

18. W V B, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

19. L C, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

20. K B, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

21. S B, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

22. J C, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

23. D D D, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

24. A D K, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

25. KEURSLAGER-TRAITEUR DE LA RUELLE bvba, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

26. R D P, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

27. D&S PRODUCTS nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

28. DUERINCK bvba, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

29. F F, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

30. H G, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

31. K H, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

32. J K, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

33. F H, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

34. K H, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

35. G K, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

36. F L, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

37. D M, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

38. J M, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

39. A N, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

40. L P, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

41. W T, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

42. G S, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

43. E S, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

44. P R, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

45. G P, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

46. A P, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

47. J V N, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

48. M V, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

49. M V, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

50. J V, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

51. G V E, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

52. VAN DER WEKEN bvba, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

53. K V D P, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

54. R V, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

55. D V, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

56. S D V, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

57. G A, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

58. VIVIUM nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

59. G C, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

60. A V, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

61. P T, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

62. J V, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

63. SUPER SERVICE WISKE nv, thans SPAR SUPERMARKT R&R, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

64. DORST nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

65. VERSELE-LAGA nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

66. RIJDENDE KIP nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

67. ARAG nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

68. J V, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

69. J V, reeds vermeld,

beklaagde en burgerlijke partij,

70. L V, reeds vermeld,

beklaagde en burgerlijke partij,

71. VERKEST nv, thans PROFAT nv, met zetel te 9800 Deinze, Grijsbulckstraat 48,

burgerlijke partij,

72. INCOPACK nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

73. INCOROCK nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

74. SYNDICAT NATIONAL DES INDUSTRIES DE LA NUTRITION ANIMALE, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

verweerders,

evenals de eiser II.1 J T tegen

1. DE KROON - DE STROOPER nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

2. MOONEN nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

verweerders.

III

VERKEST nv, reeds vermeld,

belanghebbende derde,

eiseres,

met als raadsman mr. Pieter Tack, advocaat bij de balie te Kortrijk.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 december 2010.

De eisers I Jan Verkest en Lucien Verkest voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Zij voeren tevens in een aanvullende memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eisers II Jacques Thill en Jacqueline Thill voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiseres III nv Verkest voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 8 september 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. De eiser I.1 Jan Verkest is voor de hem ten laste gelegde feiten A.I.3 en B.I.3 vrijgesproken.

De eiser I.2 Lucien Verkest is voor de hem ten laste gelegde feiten A.I.3 en B.I.3 vrijgesproken.

De eiser II.1 Jacques Thill is voor het hem ten laste gelegde feit M vrijgesproken.

De eiseres II.2 Jacqueline Thill is voor het haar ten laste gelegde feit M vrijgesproken.

Hun cassatieberoep tegen die beslissingen is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. De eerste rechter heeft zijn beslissing over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de burgerlijke rechtsvorderingen evenals de beslissing over de toewijzing van de vermogensvoordelen in voortzetting gesteld.

De appelrechters verklaren de hogere beroepen van de eisers "niet ontvankelijk voor zover deze gericht zijn tegen de beslissing van de eerste rechter om de beoordeling nopens de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de burgerlijke vorderingen op vaste datum uit te stellen" omdat die beslissing een maatregel van inwendige orde betreft waartegen geen verzet of hoger beroep openstaat. Zij wijzen verder "de verbeurdverklaarde vermogensvoordelen toe aan de burgerlijke partijen voor zover en in de mate dat hun vordering zou worden gegrond verklaard."

Die beslissingen zijn geen eindbeslissingen noch doen zij uitspraak in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste aanvullend middel voor de eisers I en eerste middel voor de eiseres III

3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest stelt vast dat op 19 juni 2009 een rechtszitting plaatsvond waarop het openbaar ministerie werd gehoord en waarop ook de partijen, beklaagden zowel als burgerlijke partijen, in hun middelen van verdediging werden gehoord; het proces-verbaal van de rechtszitting van 19 juni 2009 vermeldt dat het hof van beroep alsdan was samengesteld uit de raadsheren Philippe Janssen als waarnemend voorzitter, Bart Meganck en Arsène Colpaert; het hof van beroep stelde vervolgens de zaak in voortzetting naar de rechtszitting van 26 november 2009; de kamer van het hof van beroep was op de rechtszittingen na 19 juni 2009 telkens samengesteld uit de raadsheren Philippe Janssen als waarnemend voorzitter, Bart Meganck en Alexander Allaert die ook het arrest hebben gewezen; gelet op de gewijzigde samenstelling van de correctionele kamer van het hof van beroep na de behandeling op de rechtszitting van 19 juni 2009 kon het debat enkel regelmatig worden voortgezet en het arrest door die gewijzigde zetel enkel regelmatig worden gewezen indien het debat volledig werd hervat; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het debat na de behandeling van de zaak op de rechtszitting van 19 juni 2009 volledig werd hernomen zodat het arrest dat werd gewezen door rechters van wie niet blijkt dat zij alle zittingen waarop de zaak werd behandeld, hebben bijgewoond, nietig is.

4. Artikel 779 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis enkel kan worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters en dat deze alle zittingen over de zaak bijgewoond moeten hebben, een en ander op straffe van nietigheid.

5. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 19 juni 2009 van het hof van beroep vermeldt dat de zetel met name was samengesteld uit "Philippe Janssen, raadsheer, wn. kamervoorzitter, Arsène Colpaert, raadsheer en Bart Meganck, raadsheer".

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 26 november 2009 alsook uit de processen-verbaal van alle daarop volgende rechtszittingen blijkt dat de zetel toen was samengesteld uit "Philippe Janssen, raadsheer, wnd. voorzitter, Bart Meganck, raadsheer en Alexander Allaert, raadsheer" die ook het arrest hebben uitgesproken.

6. Uit het arrest blijkt dat het hof van beroep:

- op de rechtszitting van 19 juni 2009 het openbaar ministerie en de partijen "hoorde";

- het openbaar ministerie op de rechtszitting van 26 november 2009 werd gehoord in zijn vordering en dat het hof van beroep op de rechtszittingen van 26 november 2009, 14 januari 2010, 29 april 2010, 30 april 2010 (voor- en namiddagzitting), 6 mei 2010, 7 mei 2010 (voor- en namiddagzitting), 20 mei 2010, 3 juni 2010 en 24 juni 2010 het openbaar ministerie, de op de pagina's 98 tot 108 van het arrest vermelde burgerlijke partijen, de eisers en de belanghebbende derde Jeanine Dhaenens heeft gehoord.

7. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 19 juni 2009 van het hof van beroep vermeldt verder dat:

- de eisers werden vertegenwoordigd in hun middelen van verdediging;

- de raadslieden van de eisers werden "uitgenodigd te concluderen tegen navolgende zitting" en de zaak in voortzetting werd gesteld naar de rechtszitting van donderdag 26 november 2009.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 26 november 2009 blijkt dat:

- het openbaar ministerie heeft gevorderd;

- de raadsman van de eisers I een conclusie heeft neergelegd waarover hij heeft meegedeeld dat dit enkel moest gezien worden "als een grievenschrift tegen het vonnis van de eerste rechter en dat later nog besluiten zullen worden neergelegd tijdens de pleidooien";

- voor de eisers II een stukkenbundel en voor de eiseres III een conclusie werd neergelegd;

- de zaak in voortzetting werd gesteld op de rechtszitting van 14 januari 2010 teneinde het openbaar ministerie toe te laten een conclusie neer te leggen;

- het hof van beroep standpunt innam om op die zitting de zaak vervolgens uit te stellen naar de rechtszitting van 28 april 2010 "om de zaak ten gronde te pleiten" en dat eveneens 29 april 2010, 6 mei 2010, 7 mei 2010 en 10 mei 2010 als rechtszittingen werden "voorzien ter behandeling van de zaak ten gronde".

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 14 januari 2010 blijkt dat het openbaar ministerie een conclusie heeft neergelegd en dat de zaak in voortzetting werd gesteld op de rechtszitting van 29 april 2010 "teneinde partijen te horen en niet enkel over de eventuele excepties maar ook ten gronde".

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 29 april 2010 blijkt dat het hof van beroep een vraag tot uitstel vanwege de eisers I verwierp onder meer op grond van de volgende motieven:

- "de zaak werd voor deze instantie, hof van beroep, ingeleid op 19 juni 2009 alwaar de behandeling werd uitgesteld naar de terechtzitting van 26 november 2009 teneinde de raadslieden van de [eisers] in staat te stellen om op deze laatste zitting conclusies op te maken";

- ter rechtszitting van 26 november 2009 werden conclusies neergelegd voor elk van de eisers;

- ter rechtszitting van 14 januari 2010 werd door het openbaar ministerie conclusies neergelegd en werd de zaak in voortzetting gesteld op de rechtszitting van 29 april 2010 om de partijen toe te laten hierop eventueel schriftelijk te repliceren;

- "geredelijk (mag) aangenomen worden dat alle partijen sedert de inleiding van de zaak op 19 juni 2009 voldoende tijd hadden om zich voor te bereiden op een mondelinge uiteenzetting van hun verweer en/of argumentatie".

Vervolgens verliet de raadsman van de eisers I de zaal en werd door het openbaar ministerie gevorderd.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 april 2010 (voormiddagzitting) blijkt dat de raadsman van de eisers I heeft verklaard geen verstek meer te laten en heeft gevraagd "wanneer er voor hem pleitduur kan worden voorzien" en dat de raadslieden van de eisers II stukken hebben neergelegd en hebben gepleit over de grond van de zaak en over de straftoemeting, waarna de zaak in voortzetting werd gesteld op de namiddagzitting van 30 april 2010.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van laatstvermelde datum blijkt dat het openbaar ministerie zijn repliekvordering gegeven heeft op de pleidooien voor de eisers II en heeft gevorderd ten aanzien van de eisers I gelet op het feit dat het verstek voor deze laatsten werd gelicht, dat de raadsman van de eiseres III voor deze laatste heeft gepleit en dat de zaak in voortzetting werd gesteld op de rechtszitting van 6 mei 2010 "om het woord te geven aan de verdediging van [de eisers I]".

Uit de processen-verbaal van de rechtszittingen van 6 mei 2010 en 7 mei 2010 (voor- en namiddagzitting) blijkt dat de raadsman van de eisers I heeft gepleit en op laatstvermelde rechtszitting een conclusie en een stukkenbundel heeft neergelegd.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 20 mei 2010 blijkt dat de raadsman van de eisers I een conclusie inzake het horen van getuigen heeft neergelegd en dagvaardingen tot het horen van twee getuigen heeft toegelicht, dat het openbaar ministerie hierover werd gehoord, het hof van beroep de beslissing daarover bij de beoordeling ten gronde heeft gevoegd en dat de raadsman van de eisers I heeft gepleit.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 3 juni 2010 blijkt dat het openbaar ministerie het woord heeft gevraagd aangaande de vraag van de raadslieden van de eisers I en de eiseres III om voorlegging van overtuigingsstukken ter rechtszitting, de rechtszitting werd geschorst teneinde de partijen toe te laten het navolgend proces-verbaal nr. 5356/2010 van 1 juni 2010 in te zien en teneinde het openbaar ministerie toe te laten de door de raadsman van de eisers I gevraagde stalen te laten overbrengen, en deze laatste voor de eisers I heeft gepleit.

Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 24 juni 2010 blijkt ten slotte dat de raadsman van de eisers I conclusies en een stukkenbundel heeft neergelegd en dat de raadslieden van de eisers II een syntheseconclusie en een stukkenbundel hebben neergelegd waarna het debat gesloten werd verklaard.

8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat, ongeacht de gebruikte bewoordingen, eensdeels op de rechtszitting van 19 juni 2009 de partijen uitsluitend gehoord werden over het verdere verloop van de rechtspleging, te weten het bepalen van de data waarop door de partijen zou worden gevorderd of verweer worden gevoerd en eventuele conclusies zouden worden neergelegd, en anderdeels dat vanaf 26 november 2009, datum vanaf dewelke de zaak in haar geheel onafgebroken werd behandeld door de nieuw samengestelde zetel die ook het arrest heeft gewezen, het openbaar ministerie heeft gevorderd, de burgerlijke partijen en de beklaagden werden gehoord, zich hebben verdedigd en conclusies hebben genomen, en de zaak in beraad werd genomen.

Hieruit blijkt dat de zaak volledig werd behandeld door de rechters die het arrest hebben gewezen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Eerste middel voor de eisers I

Eerste onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: de appelrechters weigeren ten onrechte de onontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, terwijl vaststaat dat de eisers I tijdens hun vrijheidsberoving op 1 en 2 juni 1999 zelfincriminerende verklaringen hebben afgelegd zonder dat zij zich konden laten bijstaan door een advocaat.

10. De onrechtmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een beklaagde, tijdens zijn vrijheidsberoving, van zelfincriminerende verklaringen zonder bijstand van een advocaat, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs.

Het recht de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het misdrijf, ongeacht de wijze waarop ze verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt.

Voor de feitenrechter kan de beklaagde of de beschuldigde met de bijstand van een advocaat alle verklaringen die hij nodig acht, afleggen en zijn eerder afgelegde verklaringen verduidelijken, vervolledigen of intrekken. Het staat de feitenrechter om, in het licht van het geheel van het proces, na te gaan of de bewijswaarde van alle hem voorgelegde gegevens aangetast is door het enkele feit dat bepaalde verklaringen tijdens het onderzoek afgelegd werden zonder de bijstand van een advocaat en, in voorkomend geval, te beslissen tot de niet-toelaatbaarheid of de uitsluiting van deze bewijsmiddelen.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: zelfs indien de onmogelijkheid van bijstand van een advocaat vanaf het eerste verhoor niet automatisch het hele strafproces zou aantasten, dan nog is het recht op een eerlijk proces van de betrokkene op onherstelbare wijze aangetast wanneer hij tijdens dat verhoor verklaringen aflegde die op enige wijze ter ondersteuning van de veroordeling gebruikt worden; het arrest sluit niet uit dat de met schending van artikel 6 EVRM verkregen verklaringen niet op enige wijze impact hebben gehad op die andere bewijselementen, waarnaar het arrest verwijst; aldus oordeelt het ten onrechte dat het recht op een eerlijk proces kon worden hersteld door het weren van de zelfincriminerende verklaringen, afgelegd zonder bijstand van een raadsman.

12. Het arrest oordeelt:

- "Het past [...] na te gaan in welke mate de bewijslevering van de telastleggingen ten aanzien van [de eisers I] enkel zou gesteund zijn op de verklaringen die zij in de eerste vierentwintig uren van hun vrijheidsbeneming hebben afgelegd." (p. 135)

- "De bewijslevering, voor zover de telastleggingen bewezen zijn en zoals hierna besproken, vindt haar oorsprong [...] niet in de verhoren van [de eisers I] tijdens de eerste vierentwintig uren van hun vrijheidsbeneming. Anders dan de beklaagden voorhouden, dienen dan ook geen andere elementen van het strafdossier geweerd te worden als aangetast door de verklaringen afgelegd tijdens de eerste vierentwintig uren van vrijheidsbeneming van [de eisers I]." (p. 143)

- "De beklaagden hebben zich verweerd over alle gegevens van het strafdossier, met inbegrip van al hun eigen verklaringen. Volgens de beklaagden is de gehele bewijslevering een gevolg van de verklaringen die in strijd met [artikel] 6.3.c EVRM werden afgelegd, wat door het hof (van beroep) niet wordt bijgetreden. De heropening van de debatten om de partijen standpunt te laten innemen over de doorwerking van de geweerde verklaringen, zoals de beklaagden in ondergeschikte orde opwerpen, is in het kader van vrijwaring van het recht van verdediging dan ook geenszins vereist. Uit de bespreking van de telastleggingen hierna, zal blijken dat de geweerde verklaringen geïsoleerd blijven en geen verdere doorwerking op de bewijslevering hebben." (p. 144)

- "Op 29 december 1999 verklaarde [de eiser I.1 Jan Verkest] dat geen enkele veevoederfabrikant zuiver technisch vet geleverd kreeg. De veevoerderfabrikanten kregen ofwel een levering van enkel dierlijk vet, ofwel een mengeling van technisch en dierlijk vet in een verhouding van 1/3 tegen 2/3.

Het hof (van beroep) merkt terloops op dat deze verklaring geenszins een gevolg is van de door het hof (van beroep) uitgesloten verklaringen tijdens de eerste vierentwintig uren van vrijheidsbeneming van [de eisers I]. De verklaring van [de eiser I.1 Jan Verkest] op 29 december 1999 geschiedde op voorlegging van elementen verkregen uit de boekhouding van [de eiseres III nv Verkest], nl. o.m. lijsten van leveranciers, de uitgaande facturen, en was niet geënt op de verklaringen van [de eisers I] op 1 en 2 juni 1999. Op 29 december 1999 hadden [de eisers I] reeds alle mogelijkheden gehad om advocaten te raadplegen en hun verdediging degelijk voor te bereiden, inclusief de voorbereiding van verhoren, wat ook effectief geschiedde. Door dit verhoor, buiten aanwezigheid van zijn advocaat doch met volle vrijheid van komen en gaan en voldoende ingelicht over zijn recht op zwijgen, werd het recht op een eerlijk proces van [de eiser I.1 Jan Verkest] helemaal niet aangetast." (p. 174-175)

- "Filip Demeyer bevestigde deze verklaring op 4 juni 1999 ten aanzien van de onderzoeksrechter. Het betreft een eigen vaststelling van Demeyer; zijn ver¬klaring is dus geen gevolg van de geweerde verklaringen van [de eisers I]." (p. 193)

Aldus onderzoeken de appelrechters wel degelijk de invloed van de uitgesloten verklaringen op de andere bewijselementen en beslissen zij dat de geweerde verklaringen geen impact hebben gehad op de weerhouden bewijselementen.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

13. Op grond van die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat te dezen de miskenning van het recht op bijstand van een raadsman bij de voormelde verhoren afdoende wordt hersteld door het weren van de op die wijze afgelegde zelfincriminerende verklaringen.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

14. Voor het overige komt het onderdeel geheel op tegen het onaantastbare oordeel in feite van de appelrechters dat de geweerde verklaringen geïsoleerd blijven of vereist het een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR en artikel 149 Grondwet, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: het is niet duidelijk of het arrest beslist tot herstelbaarheid van de aantasting van eisers' recht op een eerlijk proces omdat het bewijs niet alleen door de litigieuze verklaringen maar ook door andere elementen wordt geleverd, dan wel of het hiertoe beslist omdat die andere bewijselementen niet door de litigieuze verklaringen werden beïnvloed; bijgevolg is het arrest aangetast door een dubbelzinnigheid in zijn motieven.

16. Met de in het antwoord op het tweede onderdeel van dit middel weergegeven redenen oordeelt het arrest op ondubbelzinnige wijze dat de andere bewijselementen niet door de litigieuze verklaringen werden beïnvloed.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het zelfstandig verweer van de eisers I dat hun recht op een eerlijk proces werd miskend doordat zij ook tijdens de bij hen uitgevoerde huiszoekingen niet de mogelijkheid hadden om zich te laten bijstaan door een advocaat.

18. Eisers' aanvoering voor de appelrechters dat zij ook tijdens de huiszoeking geen bijstand hadden van hun advocaat was geen zelfstandig middel maar enkel een argument ter ondersteuning van hun verweer dat zij tijdens het verder onderzoek geen bijstand hadden van hun raadsman.

19. Het arrest oordeelt:

- "Het past vanuit deze overwegingen na te gaan in welke mate de bewijslevering van de telastleggingen ten aanzien van [de eisers I] enkel zou gesteund zijn op de verklaringen die zij in de eerste vierentwintig uren van hun vrijheidsbeneming hebben afgelegd. [...] Hierbij dient te worden vastgesteld dat in het geheel van de verdere strafprocedure voor elk van deze beklaagden de tussenkomst van hun advocaten volle effectiviteit heeft gekend, zodat [...] de afwezigheid van een advocaat tijdens de eerste vierentwintig uren van vrijheidsbeneming en bij latere verhoren door onderzoeksrechter of politie de eerlijke procesvoering, in haar geheel beschouwd, geenszins heeft aangetast." (p. 135-136)

- "Overigens blijkt uit de dossiergegevens voldoende, zoals reeds gesteld, dat de beklaagden in de loop van het verder strafonderzoek, na de eerste 24 uren vrijheidsbeneming, wel ten volle konden genieten van de bijstand van hun advocaten. [...] Het (hof van beroep) heeft zelf voorzien in rechtsherstel voor de aantasting van de rechten voorzien in (artikel) 6.3.c EVRM." (p. 144)

20. Met die redenen beantwoordt het arrest het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers II, te weten de medebeklaagden Thill, dat hun recht op een eerlijk proces eveneens werd miskend doordat zij geen bijstand konden genieten van een raadsman tijdens hun initiële verhoren door de onderzoeksrechter op 7 en 8 juni 1999 en tijdens het verhoor op 21 juni 1999 toen de eiser II.1 Jacques Thill van zijn vrijheid was beroofd; dit verweer had ook belang voor de eisers I vermits het arrest de bewezenverklaring van de telastleggingen C en D lastens de eisers I steunt op de kwestieuze verklaringen van de medebeklaagden Thill; een eventuele wering van de desbetreffende verhoren van de eisers II uit het strafdossier zou de verdediging van de eisers I hebben beïnvloed.

22. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter in strafzaken niet alleen te antwoorden op het door de individuele partijen zelf in conclusie voorgedragen verweer, maar ook op de conclusie van een medebeklaagde, wanneer daarin een verweer wordt aangevoerd dat ook dienstig is voor het oordeel over de strafvordering tegen een andere beklaagde, op voorwaarde dat deze laatste een effectief belang kan hebben bij dit antwoord.

23. Het recht op bijstand van een advocaat is verbonden met de cautieplicht, het zwijgrecht en het feit dat niemand kan verplicht worden zichzelf te incrimineren. Deze rechten gelden in personam. Een derde kan zich niet beroepen op de miskenning van die rechten betreffende de belastende verklaringen, afgelegd lastens hem door een verdachte of beklaagde die voor hem slechts een getuige is.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

24. Zelfs wanneer het verweer van de eisers II gegrond zou zijn bevonden en tot het weren uit het debat van hun verklaringen zou moeten geleid hebben, zou het niet-toelaatbaar verklaren van deze verklaringen enkel betrekking hebben op de eisers II, wegens de miskenning van hun persoonlijk recht op een eerlijk proces en recht van verdediging.

Het bedoelde verweer van de eisers II kan, ook al ware het gegrond, niet leiden tot het weren van de verklaringen die zij zonder bijstand van een advocaat aflegden voor de onderzoeksrechter, ten aanzien van de eisers I.

Het onderdeel is in zoverre bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Tweede middel voor de eisers I

Eerste onderdeel

25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, van het zwijgrecht en van het recht van verdediging: wordt de betrokkene ondervraagd over een feit dat strafbaar is, terwijl hij gewezen wordt op de rechten vermeld in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en dus ook op zijn zwijgrecht, terwijl de ondervragende ambtenaar de bevoegdheid heeft om misdrijven op te sporen en vast te stellen, dan moet de betrokkene geacht worden voorwerp te zijn van "vervolging" en geniet hij de waarborgen van artikel 6 EVRM, waaronder het recht op bijstand van een advocaat; uit de vaststellingen van het arrest kan niet anders dan worden afgeleid dat de ambtenaren van het Ministerie van Middenstand en Landbouw al tijdens het verhoor van de eiser I.1 Jan Verkest op 26 maart 1999 en dus a fortiori tijdens het verhoor van 30 maart 1999, de eisers I verdachten van strafbare feiten, al was het maar van valsheden in de voorgelegde boeken en het verstrekken van onjuiste inlichtingen; toch stelt het arrest dat de eisers I tijdens het zogenaamd administratief onderzoek nog niet verdacht werden van enig strafbaar feit, zij niet verhoord werden als verdachten en er nog geen sprake was van enige strafvervolging, zodat de tijdens dat onderzoek afgenomen verhoren niet onderworpen waren aan de waarborgen van artikel 6 EVRM; het arrest steunt aldus op een totaal onmogelijke gevolgtrekking en geeft aan het begrip "vervolging" een veel te enge draagwijdte.

26. Artikel 6 EVRM dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, waartoe ook het recht op bijstand van een advocaat en het zwijgrecht behoren, waarborgt, is slechts van toepassing op rechtsplegingen die het vaststellen van burgerlijke rechten of verplichtingen of het bepalen van de gegrondheid van een ingestelde strafvordering tot voorwerp heeft of op eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd.

Hieruit volgt dat het recht op bijstand van een advocaat en het zwijgrecht in al zijn aspecten en de daarbij afgeleide rechten waaronder de cautieplicht, slechts gelden vanaf de aanvangsfase van de strafvervolging maar niet voor louter administratieve onderzoeken waarbij de verhoorde persoon niet verdacht wordt van een misdrijf of niet onder de dreiging van een strafvervolging leeft, maar die er louter op gericht zijn materiële vaststellingen te doen met het oog op de naleving van de desbetreffende reglementering.

De enkele voorlezing van de rechten omschreven in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering vóór dit verhoor, maakt van een louter administratief onderzoek geen strafonderzoek.

27. Of er al dan niet sprake is van een strafvervolging is een feitenkwestie.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter, is het niet ontvankelijk.

28. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

29. De appelrechters stellen vast dat:

- naar aanleiding van problemen op enkele bedrijven met moederdieren, broeierijen en mestkippen met symptomen die wezen op buikwaterzucht, de ambtenaren van het Ministerie van Middenstand en Landbouw op 24, 26 en 30 maart 1999 een controle uitvoerden bij de gemeenschappelijke leverancier van veevoeders, de eiseres III nv Verkest, in het kader van de naleving van de wet van 11 juli 1969 betreffende de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt (hierna: Wet Grondstoffen Landbouw);

- dergelijke controle ook kan gebeuren los van enig vermoeden van een strafbaar feit;

- de controleaanvraag geen melding maakte van dergelijk vermoeden;

- het controleonderzoek erop gericht was de herkomst van de met dioxine besmette vetten te achterhalen om zo verdere besmetting van veevoeders te voorkomen en de volksgezondheid te vrijwaren;

- er op het ogenblik van het controleonderzoek geen enkel vermoeden of aanwijzing was dat de eisers I strafbare feiten hadden gepleegd of op enigerlei wijze verantwoordelijk waren voor de aanwezigheid van dioxines in het veevoeder;

- zelfs het voorlopig verslag van 24 april 1999 van dokter Destickere het vermoeden oppert "dat het hier gaat om een zuiver accidenteel voorval";

- de eisers I op 30 maart 1999 samen verhoord werden, wat de administratieve, niet-strafrechtelijke aard van het onderzoek beklemtoont;

- de eisers I, als zij verkozen te spreken in het kader van het administratief onderzoek, in beginsel gehouden waren tot het verstrekken van juiste inlichtingen;

- het feit dat de eiser I.1 Jan Verkest op 26 maart 1999 onjuiste inlichtingen verstrekte, een incident uitmaakte van het controleonderzoek, maar niet het voorwerp ervan was.

Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat er van 24 tot 30 maart 1999 geen sprake was van een strafvervolging.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door vast te stellen, enerzijds, dat de eisers I tijdens het administratief onderzoek niet werden verhoord op verdenking van strafbare feiten waarvoor zij uiteindelijk terechtstonden en, anderzijds, dat zij tijdens hun herverhoren van 26 en 30 maart 1999 verhoord werden over mogelijke valsheden of onjuiste inlichtingen, zijnde de strafbare feiten waarvoor de eisers I vervolgd en uiteindelijk ook veroordeeld werden, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.

31. Het is niet tegenstrijdig vast te stellen, eensdeels, dat de eisers I in de loop van het administratief onderzoek uitgevoerd op 24, 26 en 30 maart 1999, op geen enkele wijze werden verhoord "op verdenking" van één van de telastleggingen waarvoor zij later terechtstonden, noch "op verdenking" van enig ander misdrijf en, anderdeels, dat de eiser I.1 tijdens zijn herverhoren van 26 en 30 maart 1999, in het kader van het administratief controleonderzoek naar de herkomst van de door de eiseres III aan de voedingsindustrie geleverde vetten, verhoord werd over "mogelijke valsheden of onjuiste inlichtingen", zijnde "een incident van het controleonderzoek, maar niet het voorwerp ervan".

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

32. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: het zwijgrecht van de ondervraagde gaat gepaard met een cautieplicht in hoofde van de ondervragende instantie; ter verantwoording van de wettigheid van de verhoren van de eisers I op 24, 26 en 30 maart 1999 door de ambtenaar van het Ministerie van Landbouw, oordeelt het arrest onder meer dat de eisers I op hun zwijgrecht werden gewezen en de cautieplicht bijgevolg was nageleefd; vermits de enkele mededeling van de rechten van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering niet voldoet aan de cautieplicht als waarborg van het zwijgrecht, vervat in de artikelen 6.1 EVRM en 14.1 IVBPR, kon het arrest niet op wettige wijze steunen op de naleving van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering om tot de wettigheid van de administratieve verhoren van de eisers I op 24, 26 en 30 maart 1999 te besluiten.

33. Volgens de in het antwoord op het eerste onderdeel van dit middel vermelde vaststellingen van het arrest waren de eisers I op 24, 26 en 30 maart 1999 geen verdachten en maakten de onderzoeksverrichtingen, uitgevoerd op die data door de ambtenaren van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, slechts deel uit van een administratief onderzoek waarvoor de waarborgen van artikel 6 EVRM, waaronder het zwijgrecht en de cautieplicht, niet gelden.

Het onderdeel dat gericht is tegen overtollige redenen, is niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 8, § 1, 9°, Wet Grondstoffen Landbouw, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het zwijgrecht: het zwijgrecht van de eisers I was inefficiënt vermits zij ingevolge artikel 8, § 1, 9°, Wet Grondstoffen Landbouw, strafbaar waren zowel wanneer zij weigerden inlichtingen te geven als wanneer zij verkeerde inlichtingen gaven; het feit dat de eisers I gewezen werden op de rechten, vermeld in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, mededeling die niet voldoet aan de cautieplicht als waarborg van het zwijgrecht, doet hieraan geen afbreuk.

35. Artikel 8, § 1, 9°, Wet Grondstoffen Landbouw stelt strafbaar "hij die zich verzet tegen bezoeken, inspecties, inbeslagnemingen, controles, monsternemingen of verzoeken om inlichtingen of documenten door de in artikel 6 van deze wet bepaalde overheidspersonen of die, wetens, onjuiste inlichtingen of documenten verstrekt."

De bepaling van artikel 8, § 1, 9°, Wet Grondstoffen Landbouw houdt weliswaar een medewerkingsplicht voor de gecontroleerde in, maar verplicht hem niet een zelfincriminerende verklaring af te leggen.

Artikel 6 Wet Grondstoffen Landbouw, zoals van toepassing op het ogenblik van de thans beoordeelde feiten, geeft onder meer de ambtenaren en beambten van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, aangeduid door de Minister die de Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft, de bevoegdheid overtreding van deze wet en van de ter uitvoering daarvan genomen besluiten op te sporen en vast te stellen en in dat kader fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, burelen, boten, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen, stations, wagons, voertuigen en de in open lucht gelegen bedrijven te betreden, monsters te nemen, zich alle inlichtingen, bescheiden en geïnformatiseerde dragers van gegevens te doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en over te gaan tot alle nuttige vaststellingen, eventueel met de medewerking van deskundigen, gekozen uit een lijst door de bevoegde Minister opgemaakt.

Het is niet strijdig met de geciteerde verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen dat bepaalde personen deze verrichtingen moeten ondergaan.

Het is evenmin daarmee strijdig dat ter gelegenheid van een dergelijke onderzoeksverrichting, een persoon vrijwillig een zelfs voor hem belastende verklaring aflegt. Hij heeft evenwel het recht te zwijgen wanneer hij van oordeel is dat hij bij het afleggen van een verklaring verplicht zou worden zichzelf te incrimineren.

Het onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Vijfde onderdeel

36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van het recht van verdediging: het recht op een eerlijk proces is onherstelbaar aangetast wanneer de belastende verklaringen, afgelegd tijdens het administratief onderzoek, aan de oorsprong liggen van de eigenlijke strafvordering of wanneer zij een impact hebben gehad op de verdere bewijsgaring of nog, wanneer zij rechtstreeks als bewijs van de ten laste gelegde feiten in aanmerking worden genomen, ook al vormt dit niet het enige in aanmerking genomen bewijs; de vaststellingen van het arrest tonen aan, eensdeels, dat de eisers I geen andere keuze hadden dan zichzelf te incrimineren bij hun administratief verhoor en, anderdeels, dat de toen afgelegde belastende verklaringen werden gebruikt bij de bewijslevering lastens de eisers I; daaruit vloeit noodzakelijk voort dat, zelfs indien het administratief onderzoek op zich niet door een miskenning van het recht op een eerlijk proces zou zijn aangetast, dit wel het geval is voor de daarop volgende strafvervolging.

37. De bepaling van artikel 8, § 1, 9°, Wet Grondstoffen Landbouw houdt weliswaar een medewerkingsplicht voor de gecontroleerde in maar verplicht hem niet een zelfincriminerende verklaring af te leggen.

Het onderdeel dat uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde middel van de eisers I en tweede middel van de eiseres III

38. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op de aanvoering van de eisers I dat bij de bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen rekening dient gehouden te worden met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en het daarin vervatte proportionaliteitsbeginsel en meer bepaald dat in de concrete omstandigheden van de zaak de verbeurdverklaring van bruto vermogensvoordelen of van de volledige som van de facturen de proportionaliteitstoets niet kon doorstaan.

39. De appelrechters oordelen dat als beginsel kan gesteld worden dat de volledige omzet die de eiseres III nv Verkest behaalde door de vermenging van technisch vet in de leveringen aan de veevoederbedrijven die volledig dierlijk vet verwachtten, een wederrechtelijk vermogensvoordeel uitmaakt en dat zij bij de begroting van de vermogensvoordelen niet gehouden zijn de kosten die verbonden zijn aan de verwezenlijking van de misdrijven in rekening te brengen.

Aldus beantwoorden de appelrechters eisers' verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel van de eisers I

40. Het middel voert schending aan van artikel 43bis, derde lid, Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: de toewijzing van de verbeurdverklaarde zaken aan de burgerlijke partij die een wijze van herstel in natura uitmaakt van de door die burgerlijke partij geleden schade, heeft een vergoedend karakter; nadat het arrest vaststelt dat de eerste rechter de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de burgerlijke vorderingen heeft aangehouden, beslist het ten onrechte tot toewijzing van de verbeurdverklaarde zaken aan de burgerlijke partijen onder de voorwaarde dat hun burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond zal worden verklaard; aldus miskent het arrest het burgerrechtelijk karakter van de in artikel 43bis, derde lid, Strafwetboek voorziene toewijzing.

41. Het middel komt alleen op tegen beslissingen waartegen de cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn en heeft zelf geen betrekking op de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen.

Het middel behoeft geen antwoord.

Eerste middel van de eisers II

42. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR en artikel 149 Grondwet: het arrest steunt zijn beslissing op doorslaggevende wijze op de verklaringen van de eiser II.1 Jacques Thill, afgelegd op 21 juni 1999 aan de onderzoeksrechter nadat hij op 20 juni 1999 van zijn vrijheid was beroofd en voorafgaand aan het verlenen van het bevel tot aanhouding zonder bijstand van een advocaat; het gaat echter niet na of deze verklaringen al dan niet werden afgelegd in omstandigheden verenigbaar met artikel 6, in het bijzonder artikel 6.3.c EVRM, en beantwoordt het verweer uit de syntheseconclusie van de eisers II niet dat de verklaringen, afgelegd zonder bijstand van een advocaat, als bewijs dienden uitgesloten en uit de debatten geweerd te worden; in zoverre het arrest, in antwoord op het door de eisers I gevoerde verweer, beslist dat het ontbreken van bijstand van een raadsman tijdens de eerste 24 uur van vrijheidsbeneming, elke verdere eerlijke behandeling van de zaak in beginsel niet onmogelijk maakt gezien het geheel van waarborgen voortvloeiend uit bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en de Voorlopige Hechteniswet, is de beslissing niet naar recht verantwoord.

43. Met het geheel van redenen die het arrest dienaangaande bevat (p. 132-135), zetten de appelrechters de algemene principes uiteen in antwoord op het "Salduzverweer" van de eisers I. Zij dienden die beginselen niet te herhalen als antwoord op het verweer van de eisers II.

44. Het arrest stelt verder vast dat:

- uit de brief die de eiser II.1 Jacques Thill op 31 maart 1999 schreef aan de verantwoordelijken van de containerparken naar aanleiding van de kippensterfte in die periode, blijkt dat hij zelfs vóór de verzending van deze brief wel degelijk kennis had van het feit dat het door de firma Fogra geleverde vet bestemd was voor dierlijke voeding;

- in acht genomen de reële, concrete handelsrelatie tussen de firma Fogra en de eiseres III nv Verkest, de door de eisers II voorgehouden onwetendheid over de bestemming van het vet voor onder meer dierlijke voeding op een kunstmatige, niet realistische scheiding van de bedrijvigheden van beide firma's steunt;

- gelet op de langdurige handelsrelatie tussen de firma Fogra en de eiseres III nv Verkest die de enige afnemer van de firma Fogra was, en de verstrengeling tussen beide firma's, het standpunt van de eisers II dat zij terzake onwetend waren, niet ernstig houdbaar is;

- Christophe Nelisse als onderhoudsman in de firma Fogra verklaarde dat hij een paar keer lekken in het thermisch circuit had vastgesteld waarbij in het totaal twintig liter thermische olie was verloren gegaan die zich vermengde met het vet;

- vetsmelter Genatzy verklaarde dat het wel gebeurde dat vaten gevuld met afvalolie bedekt werden met gestold vet, maar toch werden geledigd in de smeltkuip, waarbij het onmogelijk was om de aanwezigheid van deze olie onder het vast vet te ontdekken en er dan sprake was van een "ongeval".

Uit deze vaststellingen volgt dat de appelrechters hun oordeel dat de eisers II wisten dat het door hun firma Fogra geleverde vet bestemd was voor dierlijke voeding, stoelen op redenen die zelf niet steunen op de verklaring van de eiser II.1, afgelegd aan de onderzoeksrechter zonder bijstand van een advocaat.

De appelrechters geven aldus te kennen dat de verklaring die door de eiser II.1 zonder bijstand van een advocaat werd afgelegd voor de onderzoeksrechter, op zich niet doorslaggevend is voor de schuldigverklaring van de eisers II, maar nog bevestigd diende te worden door de andere elementen waarnaar zij verwijzen.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters deze verklaringen op doorslaggevende wijze gebruiken om de eisers II te veroordelen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

45. Vermits de appelrechters de veroordeling van de eisers II niet op doorslaggevende wijze steunen op de verklaring van de eiser II.1, afgelegd aan de onderzoeksrechter tijdens zijn vrijheidsberoving zonder mogelijke bijstand van een advocaat, dienden zij bijgevolg niet meer verder te antwoorden op het daardoor doelloos geworden verweer, geput uit de Salduz-leer.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eisers II

Eerste onderdeel

46. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en de artikelen 12, tweede lid, 14 en 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het verweermiddel van de eisers II dat de wettelijke bepalingen waarop hun strafrechtelijke veroordeling steunt, niet voldoen aan het legaliteitsbeginsel in strafzaken, meer bepaald wat betreft de definitie van "grondstoffen" en "stoffen bestemd voor dierlijke voeding"; minstens is het arrest niet naar recht verantwoord; het arrest antwoordt evenmin op het verzoek van de eisers II om desbetreffend twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof en motiveert niet waarom deze vragen niet dienen te worden gesteld.

47. In antwoord op het verweer van de eisers I bespreekt het arrest (p. 145-151 en 154-155) op uitvoerige wijze de begrippen "grondstoffen" en "stoffen bestemd voor dierlijke voeding". Zij dienden dit zelfde antwoord niet opnieuw te herhalen bij de beoordeling van het verweer van de eisers II.

Tevens oordeelt het arrest dat op het verzoek prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof niet moet worden ingegaan, vermits er klaarblijkelijk geen schending is van de ingeroepen regels.

Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eisers II en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

48. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 71 Strafwetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel krachtens welk de onoverwinnelijke dwaling omtrent het recht een rechtvaardigingsgrond uitmaakt: het arrest laat na te antwoorden op het verweer van de eisers II volgens hetwelk zij op onoverkomelijke wijze dwaalden omtrent de strafbaarstelling van de gedraging; op grond van de vaststelling dat de eisers II kennis hadden van het feit dat het door hen geleverde vet door de eiseres III nv Verkest bestemd was voor diervoeder, kon het arrest niet wettig afleiden dat de eisers II niet onoverkomelijk dwaalden omtrent de strafbaarstelling van de hen verweten gedraging.

49. Het arrest (p. 145-151, 154-155 en 209-211) beantwoordt het bedoelde verweer van de eisers II over de dwaling als schulduitsluitingsgrond en verantwoordt met die redenen zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede aanvullend middel voor de eisers I

50. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter: raadsheer Bart Meganck had als lid van de redactie van een juridisch tijdschrift standpunt ingenomen over de "Salduzproblematiek"; hij verklaarde op 17 september 2010 dat er geen reden was om zich te onthouden van de beoordeling van huidige zaak waarin die problematiek ook aan de orde was; eisers' verzoek tot wraking van raadsheer Bart Meganck werd bij arrest van het Hof van 15 oktober 2010 verworpen; vermits het thans bestreden arrest aan de waarborgen van artikel 6.1 EVRM onderhevig is en de eisers I de waarborg van subjectieve onpartijdigheid in hoofde van één van de magistraten niet vervuld achten, leggen zij in het kader van de beoordeling van de wettigheid van het arrest de grief, geput uit de miskenning van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, aan het Hof als cassatierechter voor.

51. Het middel dat geen andere elementen aanvoert dan deze waarop het wrakingsverzoek was gesteund, is niet gericht tegen het bestreden arrest maar komt in werkelijkheid op tegen het arrest van het Hof van 15 oktober 2010 waarbij het door de eisers I ingediende verzoek tot wraking van raadsheer Bart Meganck werd afgewezen.

Het middel is niet ontvankelijk.

Derde aanvullend middel voor de eisers I

Eerste onderdeel

52. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat uit de appelconclusies van de eisers I blijkt dat hun verweer betrekking heeft op de door weglating van het specifiek bijzonder opzet verbeterde telastleggingen, miskent het arrest de bewijskracht van de appelconclusies van de eisers I.

53. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers I, zoals in het onderdeel wordt aangegeven, in appelconclusies aanvoerden dat zij op geen enkel ogenblik hebben gehandeld "met het bedrieglijk opzet om ten aanzien van het Ministerie van Landbouw en de klanten-veevoederfabrikanten te kunnen staande houden dat enkel dierlijke vetten aan de veevoederfabrikanten werden geleverd".

De appelrechters heromschrijven de telastleggingen van valsheid in geschriften en gebruik ervan (telastleggingen A.I.1, A.I.2, A.I.3, A.II, B.I.1, B.I.2, B.I.3, C, D, E, F, G.I.1 en I.II) door de weglating van de precisering "met het bedrieglijk opzet om ten aanzien van het Ministerie van Landbouw en de klanten-veevoederfabrikanten te kunnen staande houden dat enkel dierlijke vetten aan de veevoederfabrikanten werden geleverd".

54. Door te oordelen dat "het verweer van de [eisers I] betrekking (heeft) op de aldus verbeterde telastleggingen, zoals ook blijkt uit de conclusies" geven de appelrechters van de appelconclusies van de eisers I een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

55. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, evenals miskenning van het recht van verdediging: het arrest heromschrijft de telastleggingen A.I.1, A.I.2, A.I.3, A.II, B.I.1, B.I.2, B.I.3, C, D, E, F, G.I.I en I.II zonder de eisers I hiervan te verwittigen.

56. In appelconclusies hebben de eisers I aangevoerd dat zij niet gehandeld hebben met "het bedrieglijk opzet om ten aanzien van het Ministerie van Landbouw en de klanten-veevoederfabrikanten te kunnen staande houden dat enkel dierlijke vetten aan de veevoederfabrikanten werden geleverd". Aldus hebben zij zich verdedigd op de afwezigheid van dat bijzonder opzet. Bijgevolg dienden de appelrechters hen niet te verwittigen van een heromschrijving van de telastleggingen zonder dat bijzonder opzet.

Het onderdeel kan niet aangenomen worden.

Derde onderdeel

57. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en artikel 14.1 IVBPR: door het weglaten zonder tegenspraak van het specifiek bijzonder opzet om terug te vallen op de loutere omschrijving van artikel 196 Strafwetboek, schendt het arrest artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en artikel 14.1 IVBPR die vereisen dat een beklaagde in bijzonderheden in een taal die hij begrijpt, wordt verwittigd van de feiten die hem ten laste worden gelegd.

58. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het tweede onderdeel tevergeefs aangevoerde onwettigheid.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

59. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 816,09 euro waarvan op het cassatieberoep I en II telkens 273,03 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep III 240,03 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Filip Van Volsem, en op de openbare rechtszitting van 29 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Zwijgrecht

  • Artikel 6 Wet Grondstoffen Landbouw

  • Onderzoeksverrichtingen tot opsporing en vaststelling van overtredingen

  • Verplichting deze onderzoeksverrichtingen te ondergaan

  • Verzoenbaarheid