- Arrest van 30 november 2011

30/11/2011 - P.11.1164.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De partijen hebben gedurende vijftien dagen vóór de rechtszitting die voor de regeling van de rechtspleging is vastgesteld, het recht te verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te stellen ; wanneer een verzoek in die zin binnen de voormelde termijn is ingediend, wordt de rechtspleging geschorst in afwachting van de definitieve behandeling van het verzoek.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1164.F

G. D. G.,

Mr. Jean-Louis Libert, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

1. N. M. e.a.,

10. Mrs. Dominique COLLIN en Jean-Paul TASSET, advocaten bij de balie te Luik, curatoren van het faillissement van KF Construct bvba,

12. SIM INVEST nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van de eiser, inverdenkinggestelde

(...)

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, voor het overige, het hoger beroep van de eiser tegen de beschikking tot verwijzing niet gegrond verklaart

(...)

Tweede middel

Het middel verwijt het arrest dat het de beschikking tot verwijzing niet onwettig verklaart, aangezien de raadkamer de rechtspleging had moeten schorsen omdat sommige bijkomende onderzoekhandelingen waartoe de onderzoeksrechter opdracht had gegeven ingevolge eisers verzoek van 27 mei 2010, niet volledig waren uitgevoerd op het ogenblik dat dit rechtscollege uitspraak deed.

Krachtens artikel 127, § 3, Wetboek van Strafvordering, hebben de partijen gedurende vijftien dagen vóór de rechtszitting die voor de regeling van de rechtspleging is vastgesteld, het recht te verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, overeenkomstig artikel 61quinquies van voornoemd wetboek. Wanneer een verzoek in die zin binnen de voormelde termijn is ingediend, wordt de rechtspleging geschorst in afwachting van de definitieve behandeling van het verzoek.

Wanneer een partij betwist dat de door de onderzoeksmagistraat bevolen bijkomende onderzoekshandelingen volledig zijn uitgevoerd, dient het onderzoeksgerecht de rechtspleging niet te schorsen als het, op grond van een feitelijke beoordeling, van mening is dat de aldus vergaarde informatie voldoende is om uitspraak te doen over de regeling van de rechtspleging zonder dat het recht van verdediging hierdoor wordt geschonden.

In zoverre het middel een onderzoek van feiten vereist, wat niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort, is het niet ontvankelijk.

Door te doen wat de raadkamer had moeten doen, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling het door de eiser voorgedragen verweermiddel onderzocht in het licht van de toepassing van de voormelde bepaling.

Zij heeft vooreerst erop gewezen dat de eiser via de stukken die hij heeft neergelegd, de mening leek toegedaan te zijn dat het volledige onderzoek, dat een aanvang nam in 2003, diende te worden overgedaan. Zij heeft vervolgens geoordeeld dat de inwilliging van zijn verzoek in deze fase de rechtspleging nodeloos zou vertragen zonder dat zulks noodzakelijkerwijs een ander licht zou werpen op de feiten, en dat het aan de bodemrechter staat om, als daartoe grond bestaat, de bewijskracht van de vergaarde gegevens te beoordelen aangezien de accumulatie van de door de eiser beschreven leemten, gesteld dat die zouden vaststaan, de rechtbank tot de mening zouden kunnen brengen dat de zaak op oneerlijke wijze behandeld is, en zij hieruit gevolgen zou trekken.

Met die overwegingen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 30 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Regeling van de rechtspleging

  • Verzoek om bijkomende onderzoekshandelingen

  • Gevolg

  • Schorsing van de rechtspleging