- Arrest van 30 november 2011

30/11/2011 - P.11.1138.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De in artikel 155 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium bepaalde herstelmaatregel is van toepassing in het geval van instandhouding van de zonder vergunning uitgevoerde werkzaamheden ; aangezien een vergunning vereist is voor elk stuk grond dat moet dienen voor de bouw of plaatsing van één of meerdere vaste inrichtingen, ongeacht de bestemming ervan in een gewestplan of gemeentelijk plan, maken het bestaan en de wettigheid van dergelijk plan geen bestanddeel uit van het misdrijf, noch de noodzakelijke basis voor de sancties of maatregelen wegens de instandhouding van het misdrijf.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1138.F

H. J.,

Mr. Bernard Deltour, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

J.-L. A., gemachtigd ambtenaar van de directie stedenbouw en ruimtelijke orde-ning van het grondgebied van de provincie Luxemburg,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 23 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, op de straf-vordering die tegen de eiser is ingesteld wegens overtreding van artikel 154, eerste lid, 3°, van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, uitspraak doet over de schuld en over de straf

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, op de tegen de eiser ingestelde strafvordering uitspraak doet over het door de verweerder beoogde herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat

Eerste middel

Het arrest wordt verweten dat het niet antwoordt op het verweermiddel waarin wordt aangevoerd dat het gewestplan voor het perceel van de eiser in bosgebied, onwettig is en dat die onwettigheid zich uitstrekt tot de herstelmaatregel die op dat plan steunt.

Enerzijds spreken de appelrechters de eiser vrij van de telastlegging dat hij de ge-westplannen of gemeentelijke plannen heeft overtreden door het optrekken van in-richtingen die onverenigbaar zijn met het karakter van de zone.

Anderzijds is de in artikel 155 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium bepaalde herstelmaatregel met name van toepassing in het geval van instandhouding van de zonder vergunning uitgevoerde werk-zaamheden. Dat middel is bewezen verklaard ten laste van de eiser. Aangezien een vergunning vereist is voor elk stuk grond dat moet dienen voor de bouw of plaatsing van één of meerdere vaste inrichtingen, los van de bestemming ervan in een gewestplan of gemeentelijk plan, maken het bestaan en de wettigheid van der-gelijk plan geen bestanddeel uit van het misdrijf, noch de noodzakelijke basis voor de sancties of maatregelen die de instandhouding van het misdrijf met zich meebrengen.

De appelrechters dienden bijgevolg niet te antwoorden op het voormelde ver-weermiddel, aangezien het geen belang heeft voor de oplossing van het geschil of door hun beslissing irrelevant is geworden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De eiser voert aan dat, aangezien het hof van beroep had vastgesteld dat de rede-lijke termijn is overschreden, het niet langer het herstel van de plaats in de oor-spronkelijke toestand kon bevelen zoals dat door de gemachtigd ambtenaar was gevorderd.

Nadat de appelrechters de voormelde overschrijding hebben vastgesteld, spreken zij de veroordeling uit van de eiser bij eenvoudige schuldigverklaring. Het arrest bestraft dus op reële en meetbare wijze de overdreven lange duur van de rechts-pleging.

De appelrechters waren niet verplicht om daarnaast nog de vordering van de ver-weerder af te wijzen.

Enerzijds immers kan de overschrijding van de redelijke termijn inzake steden-bouw niet tot onvermijdelijk gevolg hebben dat daardoor een toestand, die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, een permanent karakter krijgt door ten gunste van de overtreder het recht te doen ontstaan om daar blijvend voordeel uit te halen.

Anderzijds maakt de uitdrukking "zo daartoe aanleiding bestaat", in het tweede lid van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de uitspraak van teruggave in geval van overschrijding van de redelijke termijn niet facultatief.

Het arrest stelt vast dat de aanvankelijk door de gemachtigd ambtenaar overwogen regularisatie onmogelijk is gebleken. Het voegt daaraan toe dat de door die ambtenaar gevorderde maatregel alleen tot doel heeft om een einde te maken aan een toestand die een schending blijft uitmaken van de stedenbouwkundige reglementering.

De appelrechters vermelden aldus de wettige en specifieke redenen waarmee zij het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand vorderen. Zij verantwoor-den aldus naar recht hun beslissing om die maatregel niet nietig te verklaren of af te zwakken, niettegenstaande de vaststelling van de overschrijding van de bij arti-kel 6.1 van het Verdrag bepaalde redelijke termijn.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Beide onderdelen samen

De eiser voert aan dat het in strijd is met artikel 6.1 EVRM om de strafrechter niet de bevoegdheid toe te kennen om zich uit te spreken over de gepastheid van de door de overheid gekozen herstelmaatregel, wat de strafrechtelijke of burgerrech-telijke aard van die maatregel ook moge zijn.

Het arrest beslist dat het niet aan de rechter staat om dat toezicht uit te oefenen en het rechtvaardigt dit door te preciseren dat de keuze van de wijze van herstel een beoordeling inhoudt van de ruimtelijke ordening en als dusdanig tot de discretio-naire bevoegdheid van de bestuurlijke overheid behoort.

Evenmin als het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten waarop zij is gegrond, schendt die overweging artikel 6.1 EVRM.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 30 november 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bij-stand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Ko-synsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Instandhouding van zonder vergunning uitgevoerde werkzaamheden

  • Onwettig gewestplan