- Arrest van 2 december 2011

02/12/2011 - C.08.0510.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel dat vragen opwerpt betreffende de uitlegging van de artikelen 5, §1, en 8, §1, van richtlijn 89/104/E.E.G. van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der Lid-Staten, waarvan de artikelen 2.20, eerste lid, en 2.32, eerste lid, van het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom de omzetting zijn waarvoor alleen het Hof van Justitie van de Europese Unie krachtens artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bevoegd is om uitspraak te doen over prejudiciële vragen, verplicht het Hof ertoe de volgende vragen te stellen: 1.1 Dienen artikel 5, §1, en artikel 8, §1, van de eerste richtlijn 89/104/E.E.G. van 21 december 1988 van de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der Lid-Staten aldus te worden uitgelegd dat het uitsluitend recht van gebruik van het ingeschreven merk door de houder ervan definitief niet meer tegen een derde kan worden aangevoerd voor alle waren waarop de inschrijving betrekking heeft: - wanneer de houder dat merk al lang samen met die derde heeft gebruikt in de vorm van een mede-eigendom voor een deel van de bedoelde waren? - Wanneer hij ter gelegenheid van die verdeling aan die derde zijn onherroepelijke toestemming heeft gegeven om voor die waren gebruik te maken van dat merk? - 1.2 Dienen die artikelen aldus te worden uitgelegd dat de toepassing van een nationale regel, zoals die volgens welke de houder van een recht dat recht niet op onrechtmatige wijze mag gebruiken of misbruik ervan mag maken, uiteindelijk tot gevolg kan hebben dat de uitoefening van dat uitsluitend recht definitief wordt ontzegd voor een deel van de betrokken producten dan wel aldus dat die toepassing moet worden beperkt tot een andere sanctie voor die onrechtmatige uitoefening of voor dat misbruik van recht? 2.1 Dienen artikel 5, §1, en artikel 8, §1, van de eerste richtlijn 89/104/E.E.G. van 21 december 1988 van de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der Lid-Staten aldus te worden uitgelegd dat de nationale rechter, wanneer de houder van een ingeschreven merk zijn verbintenis jegens een derde om voor bepaalde waren van dat merk geen gebruik te maken, beëindigt en aldus dat merk opnieuw zelf wil gebruiken, de nationale rechter niettemin het hergebruik van dat merk definitief kan verbieden op grond dat hierdoor oneerlijke mededinging mogelijk wordt daar de houder voordeel kan halen uit de door die derde voor dat merk voordien gemaakte reclame en dat er verwarring kan ontstaan bij het cliënteel, of dienen zij aldus te worden uitgelegd dat de nationale rechter een andere sanctie moet opleggen die het hergebruik van het merk door de houder niet definitief belet? 2.2 Dienen die artikelen aldus te worden uitgelegd dat het definitief verbod op het gebruik van het merk door de houder verantwoord is als de derde jarenlange inspanningen heeft geleverd om de waren bij het publiek bekend te maken nadat de houder hem voor die waren de toestemming had gegeven om van het merk gebruik te maken (1). (1) Schriftelijke eensluidende conclusie van het O.M., niet gepubliceerd.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.08.0510.F

MARTIN Y PAZ DIFFUSION nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. D. D.

2. FABRIEK VAN MAROQUINERIE GAUQUIE nv,

Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 8 november 2007 gewezen door het hof van beroep te Brussel en tegen het interpretatief arrest van het hof van 12 september 2008.

Op 7 november 2011 heeft advocaat-generaal André Henkes een conclusie neergelegd ter griffie.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes is gehoord in zijn conclusie.

II. FEITEN VAN DE ZAAK

De relevante feiten van de zaak, zoals die blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, kunnen als volgt worden samengevat:

1. N.S., handelend onder het pseudoniem Nathan Baum, die op 9 oktober 1981 overleden is, heeft sedert 27 augustus 1932 handel gedreven in lederwaren en reisartikelen onder de benaming "Nathan-Baum".

Op 12 juni 1987 deponeert de zaakvoerder van de vennootschap Nathan, aan wie dit handelsfonds is overgedragen, bij het Benelux Merkenbureau (BMB) het woordmerk "NATHAN" voor waren van klasse 18, namelijk lederwaren en waren in imitatieleer, alsook koffers en valiezen. De vennootschap Nathan wordt in 1989 failliet verklaard.

2. Bij overeenkomst van 6 juni 1990 verkoopt P.B., handelaar in lederwaren, aan de eiseres de naam "NATHAN" waarvan hij verklaart eigenaar te zijn ter uivoering van een met de vennootschap Nathan gesloten koopovereenkomst die betrekking heeft op die naam, machines, matrijzen en modellen. Die overeenkomst bepaalt dat de verkoop van de naam geschiedt "met het oog op de exploitatie van een productielijn van kleine lederwaren" en dat de verkoper "eigenaar blijft van de naam voor de fabricage van handtassen". P.B. garandeert de eiseres het uitsluitend gebruik van de naam voor de betrokken waren en zij "verbindt zich ertoe af te zien van oneerlijke mededinging bij de fabricage en de distributie van tassen met de modellen en de naam NATHAN".

3. Op 20 februari 1991 deponeert P.B. het woordmerk "NATHAN" nr. 490.920 voor waren van de klassen 18 (leder) en 25 (kledij).

4. Van 1993 tot 1995 vervaardigt de verweerster handtassen voor rekening van P.B. Bij overeenkomst van 2 mei 1995 draagt laatstgenoemde aan de verweerder, zaakvoerder van de verweerster, zijn handelszaak over met inbegrip, onder meer, van "de handelsnaam/uithangbord P.B. ‘NATHAN' waaronder handel wordt gedreven met het gedeponeerd merk ‘NATHAN' nr. 71.435 dat gepatenteerd/ingeschreven is onder het nr. 490.920 ‘depot Benelux'. Die overdracht omvat tevens het logo en de intellectuele eigendom". Bovendien wordt bepaald dat P.B. afstand doet van het recht om elke waar "waarvan het logo of een ander kenmerk [...] gelijkenis vertoont met dat van ‘NATHAN' en meer bepaald met de letter N van ‘NATHAN'" op de markt te brengen en dat, onder voorbehoud van de uitslag van een procedure die tussen de eiseres en P.B. loopt over de overeenkomst van 6 juni 1990, de verweerder zichzelf verbiedt om kleine lederwaren onder de merknaam "NATHAN" te produceren en te verdelen.

5. In de loop van 1995 brengt de verweerder onder de merknaam "NATHAN" handtassen op de markt waarop een letter N is aangebracht in een grafisch beeld dat in horizontale richting uitgerokken is.

Sedert ten minste 25 juli 1996 maakt de eiseres op haar handelspapieren en haar producten tevens gebruik van het teken dat gevormd wordt door een uitgerokken letter N en een grafische voorstelling van het merk "NATHAN" waarvan de twee letters N een reproductie zijn van het vorige teken. De eiseres betoogt bovendien subsidiair dat zij de letter N reeds gebruikte eind 1990, begin 1991, wat door de verweerders wordt betwist.

6. Bij brief van 21 april 1998 stelt de vennootschap Natan, die actief is in de haute couture, de verweerster in gebreke om geen lederen tassen en artikelen meer op de markt te brengen onder de merknaam "NATHAN", omdat die naam veel gelijkenis vertoont met het merk "NATAN" dat zij op 7 mei 1985 heeft gedeponeerd.

In een faxbericht van 18 juli 1998 klaagt de eiseres bij de verweerster over een gebrek aan samenwerking tussen beide vennootschappen dat volgens haar schade berokkent aan het imago van het merk en stelt zij onderling overleg voor over de stoffen en kleuren, alsook de uitwisseling van klantenbestanden en een commissie.

Op 14 augustus 1998 deponeert de eiseres het Benelux beeldmerk "N" onder het nr. 636.308 voor alle waren van de klassen 14 (edele metalen), 16 (papier), 18 (leer), 22 (koorden) en 25 (kledij). Tevens deponeert zij het Benelux beeldmerk "NATHAN" onder het nr. 636.309 voor alle waren van de klassen 18 (leer) en 25 (kledij).

Op 17 augustus 1998 laat de eiseres de door P.B. aan haar gedane overdracht van het woordmerk "NATHAN" voor waren uit klasse 18 inschrijven bij het Beneluxmerkenbureau.

7. Op 19 december 2000 laat de verweerder tevens de door PB aan haar gedane overdracht van het woordmerk "NATHAN" inschrijven bij het Beneluxmerkenbureau, met name voor waren uit die klasse.

8. Op 18 december 2001 richt de eiseres aan de verweerster een schrijven waarin zij haar andermaal tracht te overtuigen van het nut van een nauwere samenwerking tussen beide vennootschappen.

9. Sedert 2002 maken zowel de eiseres als de verweerster gebruik van het beeldmerk "N" en van een nieuwe woordsamenstelling "NATHAN BAUME". De eiseres verspreidt een catalogus van lederartikelen die bestaan uit toilettassen, valiezen, reistassen, hoezen, portemonnees, make-uptasjes en juwelen, portefeuilles, brillenetuis, balpennen en GSM's, sleutelhangers, riemen, agenda's en paraplu's. De verweerster van haar kant vervaardigt en verkoopt handtassen en schoeisel. Bovendien verkopen de partijen aan elkaar hun waren die zij uitstallen in hun respectievelijke winkels.

10. Op 24 januari 2002 deponeert de eiseres op haar naam bij het Beneluxmerkenbureau onder het nr. 712.962 het woordmerk "NATHAN BAUME" voor waren uit de klassen 18 (leer) en 25 (kledij).

11. In haar brieven van 24 juni en 15 december 2003 stelt de eiseres tevens aan de verweerster een nauwere samenwerking tussen de vennootschappen voor. In een faxbericht van 10 december 2004 beklaagt zij zich bij haar over het feit dat de regels inzake mede-eigendom van het merk "NATHAN BAUME" worden geschonden. De partijen overwegen een overeenkomst te sluiten waarin de rechten van elk der partijen worden vastgesteld maar dat plan wordt niet nader uitgewerkt en de betrekkingen tussen de partijen verzuren.

12. Bij exploot van 24 mei 2005 laten de verweerders de eiseres dagvaarden teneinde de beeldmerken "N" en "NATHAN" die op 14 augustus 1998 werden gedeponeerd, en het woordmerk "NATHAN BAUME" dat op 24 januari 2002 werd gedeponeerd, nietig te horen verklaren op grond van artikel 14.B.1. van de Eenvormige Beneluxwet op de merken of ze alleen geldig te horen verklaren voor kleine lederwaren. Die vorderingen worden door de rechtbank van koophandel te Nijvel bij vonnis van 19 oktober 2006 niet gegrond verklaard.

13. Bij exploot van 11 januari 2007 stelt de eiseres bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Nijvel een rechtsvordering in die ertoe strekt de verweerders op straffe van dwangsom het verbod op te leggen om het Benelux-beeldmerk "N" en het Benelux-woordmerk "NATHAN BAUME" nog verder te gebruiken voor de waren van de klassen 18 (leer) en 25 (kledij). Zij baseert die vordering op de artikelen 2.20.1.a, b en c, van het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) en van artikel 95 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument.

De verweerders stellen een tegenvordering in waarin zij eisen dat de eiseres op straffe van dwangsom het verbod wordt opgelegd om nog andere lederwaren dan kleine, met name handtassen, te vervaardigen, in het economisch verkeer te brengen, te koop aan te bieden en te verdelen onder de handelsnaam "N", "NATHAN" en "NATHAN BAUME".

Bij vonnis van 9 mei 2007 wordt de vordering van de eiseres afgewezen en wordt haar op straffe van een dwangsom het verbod opgelegd om nog langer handtassen die identiek of soortgelijk zijn aan die welke de verweerders onder die benamingen verdelen, te vervaardigen, in het economisch verkeer te brengen, te koop aan te bieden en te verdelen.

14. Op het hoger beroep van de verweerders tegen het vonnis van 19 oktober 2006 verklaart het hof van beroep te Brussel in het bestreden arrest van 8 november 2007 dat hoger beroep niet gegrond om de volgende redenen:

- wat betreft het Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom

- het Benelux beeldmerk "N" komt niet eerder voor; de eiseres heeft niet gehandeld in opdracht van de verweerders en evenmin bezat zij een licentie voor dat merk; het merk vertoont geen gelijkenis met het vroegere woordmerk "NATHAN" en is niet algemeen bekend; de vordering tot nietigverklaring wegens depot te kwader trouw is verjaard;

- het Benelux-beeldmerk "NATHAN" is niet gedeponeerd in weerwil van een vertegenwoordigings- of agentuurovereenkomst en een vordering tot nietigverklaring wegens depot te kwader trouw is verjaard;

- het Benelux-woordmerk "NATHAN BAUME" kan geen aanleiding geven tot verwarring met het vroegere Beneluxmerk "NATHAN", wat elk belang ontneemt aan de bewering dat er bij het depot sprake was van kwade trouw;

- wat betreft de door de verweerders aangevoerde grond die is afgeleid uit het gemene recht betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid:

- de Benelux-beeldmerken "N" en "NATHAN" kunnen geen aanleiding geven tot een vordering tot doorhaling wegens misbruik van recht of kwade trouw, daar die vordering in werkelijkheid samenvalt met een vordering tot nietigverklaring wegens depot te kwader trouw, die verjaard is sedert 14 augustus 2003;

- het depot van het Benelux-woordmerk "NATHAN BAUME" is niet onrechtmatig en heeft de verweerders geen schade berokkend.

Op het principaal hoger beroep van de eiseres en het incidenteel beroep van de verweerders tegen het vonnis van 9 mei 2007 beslist het bestreden arrest van 8 november 2007 bovendien dat de verweerders de merken "N", "NATHAN" en "NATHAN BAUME" niet mogen gebruiken voor andere waren dan handtassen en schoeisel en dat de eiseres ze niet mag gebruiken voor laatstgenoemde producten.

14. Het cassatieberoep is gericht tegen laatstgenoemde beslissingen onder het voorbehoud dat die beslissingen niet worden bekritiseerd in zoverre zij betrekking hebben op het merk "NATHAN".

Het cassatieberoep is tevens, voor zoveel als nodig, gericht tegen het interpretatief arrest van 12 september 2008 dat een uitlegging geeft aan de begrippen "handtassen" en "gebruik in het economisch verkeer" waarnaar het dictum van het arrest van 8 november 2007 verwijst.

III. CASSATIEMIDDELEN

...

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel

1. Volgens artikel 2.20.1., a en b, van het Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), afgekort B.V.I.E., geeft het ingeschreven merk de houder een uitsluitend recht op grond waarvan de merkhouder iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken kan verbieden wanneer dat teken gelijk is aan het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven of wanneer dat teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het merk.

Krachtens artikel 2.32, eerste lid, van dat verdrag kan het merk voorwerp van een licentie zijn voor alle of een deel van de waren of diensten waarvoor het is gedeponeerd of ingeschreven.

Die artikelen zijn de omzetting van de artikelen 5, § 1, en 8, § 1, van de richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der Lid-Staten.

2. Het bestreden arrest van 8 november 2007 dat de Benelux inschrijvingen van de merken "N" en "NATHAN BAUME" geldig verklaart ten voordele van de eiseres en beslist dat de eiseres die mag blijven gebruiken voor alle ingeschreven waren, met inbegrip van handtassen en schoeisel, vermeldt dat "het behoud van [die inschrijvingen] haar [...] een uitsluitend recht van gebruik verleent" en dat "zij dus theoretisch het recht heeft te eisen dat de waren waarvoor die merken worden gebruikt niet langer in het economisch verkeer zouden worden gebracht".

Nochtans verklaart het arrest de vordering van de eiseres die ertoe strekt de verweerders het verbod op te leggen om die merken nog te gebruiken voor handtassen en schoeisel, niet gegrond.

Tot staving van die beslissing wijst het erop dat de eiseres "onomwonden verklaart dat haar beslissing om een vordering tot staking in te stellen een antwoord was op de weigering van [de verweerster] om [...] in een systeem van medebeheer te stappen dat zij wenste" en dat "de vordering, in de strikte bewoordingen waarin zij was gesteld, overigens inging tegen een daarmee strijdige praktijk van tien jaar".

Het arrest stelt dienaangaande vast dat de eiseres "steeds heeft toegegeven dat [de verweerster] het recht had [de] tekens ["N" en "NATHAN BAUME"] te gebruiken, met name voor de handtassen en het schoeisel, [dat] er nooit sprake van is geweest dat zij een stilzwijgend vernieuwbare licentie van onbepaalde duur zou krijgen maar wel dat zij samen die merken zouden gebruiken, [dat de eiseres] zelfs zo ver gaat dat zij een vorm van mede-eigendom op de tekens erkent, daar zij onder meer de eerste persoon meervoud gebruikt in de brief van 18 december 2001 toen zij sprak over het depot van de letter N [en dat] hieruit volgt dat [de eiseres] sedert de inschrijvingen van 14 augustus 1998 en 24 januari 2002 [de verweerster] de onherroepelijke toestemming heeft gegeven om die merken te gebruiken op de handtassen en het schoeisel".

Het arrest preciseert daarenboven dat, "zolang de partijen zich toespitsten op de verdeling van tassen en schoeisel, enerzijds, en van kleine lederwaren anderzijds, hun onderlinge betrekkingen probleemloos of op zijn minst correct verliepen" en dat "de problemen zijn ontstaan toen [de eiseres] andere waren in het economisch verkeer begon te brengen en overleg over de keuze van de materialen en de kleuren, alsook over de communicatie eiste".

Het arrest besluit daaruit dat de eiseres de procedure heeft aangewend voor "andere doeleinden dan die waarvoor zij bestond" en aldus misbruik van recht heeft gepleegd.

3. Het middel betoogt dat een derde, namelijk een ander persoon dan de houder, geen gebruik mag maken van een gedeponeerd of ingeschreven merk tenzij hij houder is van een licentie die de toestemming is die bedoeld wordt in het bovenaangehaalde artikel 2.20, eerste lid, en dat zij, aangezien zij moet worden beschouwd als een verbintenis om geen bezwaar aan te tekenen tegen het gebruik van het merk, slechts voor een bepaalde of voor een onbepaalde duur mag worden bedongen, in laatstgenoemd geval evenwel onder het voorbehoud dat de verlener van de licentie ze te allen tijde door zijn wil alleen en zonder verantwoording te hoeven afleggen kan beëindigen door eenzijdige verbreking ad nutum.

3.1 Aangezien er in dit geval geen sprake was van een licentie van bepaalde duur, verwijt het middel het arrest in de eerste plaats dat het arrest het begrip misbruik van recht of onrechtmatige daad miskent omdat het de rechtsvordering waarbij de eiseres dat recht heeft uitgeoefend na haar verbintenis om het niet uit te oefenen, te hebben beëindigd, niet gegrond verklaart als voortvloeiend uit een dergelijk misbruik, zonder enig ander feit of enige andere omstandigheid aan te wijzen dan de weigering van de verweerders die voordeel trokken uit die verbintenis, om zich nog met haar te verstaan na een lange periode.

Het arrest neemt echter niet alleen die weigering van de verweerders in aanmerking maar, naast de verdeling van de exploitatie van de litigieuze merken die gedurende dat tijdvak geschied is in de vorm van mede-eigendom, neemt het bovendien het vergeldingsmotief in aanmerking dat de eiseres tot het instellen van haar vordering heeft aangezet alsook de zeer rigoureuze termen die zij in haar vordering heeft gebruikt.

In zoverre het middel die grief aanvoert, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

3.2 Het middel betoogt evenwel eveneens dat het arrest hoe dan ook artikel 2.20, eerste lid, B.V.I.E. schendt doordat het de eiseres verbiedt haar uitsluitend recht op het gebruik van de litigieuze merken uit te oefenen, hoewel het vaststelt dat zij haar toestemming tot het betrokken gebruik ervan door de verweerders niet heeft gehandhaafd.

3.3 Het middel voert bovendien tegen het arrest aan dat het beslist dat de eiseres aan de verweerster haar onherroepelijke toestemming heeft gegeven om de litigieuze merken te gebruiken voor handtassen en schoeisel, hoewel het bovenaangehaalde artikel 2.20, eerste lid, B.V.I.E. alleen aan de houder een uitsluitend recht van gebruik van het ingeschreven merk verleent en artikel 2.32, eerste lid, van dat verdrag een definitieve verdeling van de exploitatie ervan verbiedt.

3.4 Het middel voert bovendien aan dat het arrest hoe dan ook niet wettig en met name niet zonder die bepalingen te schenden een sanctie heeft kunnen opleggen wegens het misbruik van recht dat het ten aanzien van de eiseres bewezen verklaart door haar de uitoefening van haar recht volledig te ontzeggen.

3.5 Het middel werpt aldus verschillende vragen op om uitlegging van de artikelen 5, § 1, en 8, § 1, van de voormelde richtlijn waarvan de artikelen 2.20, eerste lid, en 2.32, eerste lid, B.V.I.E. de omzetting zijn.

3.6 Alvorens uitspraak te doen, moet het Hof overeenkomstig artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vragen stellen zoals die geformuleerd zijn in het dictum van dit arrest.

Tweede middel

De grond van niet-ontvankelijkheid van het middel, opgeworpen door de verweerders: het middel is nieuw.

4. Om de tegenvordering van de verweerders te betwisten, voert de eiseres in haar conclusie aan dat "de partijen weliswaar waren overeengekomen om de markt tussen elkaar op te delen en de merken ‘N' en ‘NATHAN BAUME' te gebruiken, maar dat zij geenszins van plan waren om de vroegere overeenkomst die enkel betrekking had op het merk ‘NATHAN', verplicht en voor onbepaalde tijd voort te zetten" en dat de verweerders "wel degelijk in gebreke bleven te bewijzen dat de [eiseres] een definitieve verbintenis had aangegaan over het uitsluitend gebruik dat zij van de merken ‘N' en ‘NATHAN BAUME' mochten maken voor de handtassen".

Het middel dat het arrest verwijt dat het de implicaties van het recht van de merkhouder om een einde te maken aan een uitsluitende licentie om het merk te gebruiken, miskent, is niet nieuw.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

De gegrondheid van het middel

5. Tot staving van de beslissing waarbij de eiseres het verbod kreeg opgelegd om nog langer een teken te gebruiken dat gelijk was aan of overeenstemde met de merknamen "N" en "NATHAN BAUME" voor handtassen en schoeisel stelt het bestreden arrest van 8 november 2007 eerst vast dat de partijen een verdeling van de exploitatie van die merken en zelfs een vorm van mede-eigendom op die tekens waren overeengekomen. Vervolgens beslist het dat de eiseres "steeds vrijwillig en buiten elke overeenkomst om heeft erkend dat het aan haar opgelegde verbod op oneerlijke mededinging met de heer B. voor de vervaardiging en de distributie van tassen met de modellen en de naam ‘NATHAN' (cf. artikel 3 van de overeenkomst van 6 juni 1990), ook rustte op de merknamen ‘N' en ‘NATHAN BAUME' voor de handtassen en het schoeisel waarvan de collecties nauw verwant zijn, [dat] uit de door [de verweerster] neergelegde stukken blijkt dat zij al vele jaren enorme inspanningen heeft gedaan om het publiek bekend te maken met dat type hoogwaardige waren [en dat] [de eiseres], indien zij de toestemming zou krijgen om dat soort waren onder de merknamen ‘N' en ‘NATHAN BAUME' in het economisch verkeer te brengen, zich gelet op de omstandigheden van de zaak schuldig zou maken aan oneerlijke mededinging daar zij een onrechtmatig voordeel zou trekken uit alle door [de verweerster] gevoerde reclame en ernstige verwarring zou kunnen doen ontstaan bij de klandizie".

6.1 Het middel betoogt dat, wanneer een door de merkhouder verleende licentie afloopt, die houder ten volle de uitoefening van zijn uitsluitend recht van gebruik van het merk herneemt zodat de derde, daar hij het merk niet meer mag gebruiken, er geen winst meer mee kan maken op de markt. Het middel leidt hieruit af dat "het voordeel" dat voor de houder uit zijn gebruik van het merk voortvloeit uit de reclame, gemaakt door de derde aan wie vroeger toestemming was verleend, alsook "het gevaar voor verwarring" slechts de noodzakelijke en wettelijke gevolgen zijn van het recht van de houder om zijn merk te gebruiken nadat hij de aan die derde verleende toestemming herroepen heeft en zijn niet-gebruik beëindigd heeft. Het middel geeft bovendien toe dat de houder van een ingeschreven merk daarvan geen gebruik mag maken in strijd met de wet, met name met de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, maar voert aan dat een dergelijk met de wet strijdig gebruik veronderstelt dat een of andere bijzondere omstandigheid is gebleken, namelijk een omstandigheid die los staat van wat het hierboven omschreven gevolg en die eigen is aan de uitoefening van het recht van gebruik van het merk door de houder wanneer een derde dat merk niet meer mag gebruiken.

Het middel onderstreept dat de houder van het merk overigens dat recht van gebruik moet uitoefenen op straffe van verval van zijn recht op het merk krachtens artikel 2.26, eerste lid, a, van het B.V.I.E.

6.2 Subsidiair voert het aan dat het arrest de eiseres niet wettig het litigieuze gebruik van haar merken definitief kon verbieden.

6.3 Het verwijt aan het arrest dat het om die redenen de voormelde bepalingen van het B.V.I.E. schendt.

6.4 Het middel werpt aldus tevens vragen van uitlegging op over de artikelen 5, § 1, en 8, § 1, van voormelde richtlijn die aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten worden gesteld.

Dictum

Het Hof

Houdt de uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vragen:

1.1 Dienen artikel 5, § 1, en artikel 8, § 1, van de eerste richtlijn 89/104/EEG van 21 december 1988 van de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der Lid-Staten aldus te worden uitgelegd dat het uitsluitend gebruik van het ingeschreven merk door de houder ervan definitief niet meer tegen een derde kan worden aangevoerd voor alle waren waarop de inschrijving betrekking heeft:

- wanneer de houder dat merk al lang samen met die derde heeft gebruikt in de vorm van een mede-eigendom voor een deel van de bedoelde waren?

- wanneer hij ter gelegenheid van die verdeling aan die derde zijn onherroepelijke toestemming heeft gegeven om voor die waren gebruik te maken van dat merk?

1.2 Dienen die artikelen aldus te worden uitgelegd dat de toepassing van een nationale regel, zoals die volgens welke de houder van een recht dat recht niet op onrechtmatige wijze mag gebruiken of er misbruik van mag maken, uiteindelijk tot gevolg kan hebben dat de uitoefening van dat uitsluitend recht definitief wordt ontzegd voor een deel van de betrokken producten dan wel dat die toepassing moet worden beperkt tot een andere sanctie voor die onrechtmatige uitoefening of voor dat misbruik van recht?

2.1 Dienen artikel 5, § 1, en artikel 8, § 1, van de eerste richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der Lid-Staten aldus te worden uitgelegd dat, wanneer de houder van een ingeschreven merk zijn verbintenis jegens een derde om voor bepaalde waren van dat merk geen gebruik te maken beëindigt en aldus dat merk opnieuw zelf wil gebruiken, de nationale rechter niettemin het hergebruik van dat merk definitief kan verbieden op grond dat hierdoor oneerlijke mededinging mogelijk wordt daar de houder voordeel kan trekken uit de door die derde voor dat merk voordien gemaakte reclame en dat er verwarring kan ontstaan bij het cliënteel, of dienen zij aldus te worden uitgelegd dat de nationale rechter een andere sanctie moet opleggen die het hergebruik van het merk door de houder niet definitief in de weg staat?

2.2 Dienen die artikelen aldus te worden uitgelegd dat het definitief verbod op het gebruik van het merk door de houder verantwoord is als de derde jarenlange inspanningen heeft geleverd om het publiek bekend te maken met de waren nadat de houder hem voor die waren de toestemming had gegeven om van het merk gebruik te maken?

Houdt de kosten aan.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Christine Matray, Sylviane Velu, Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 2 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gemeenschapsmerk

  • Aanpassing

  • Richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 dec. 1988

  • Artikelen 5, § 1, en 8, § 1

  • Geregistreerd merk

  • Uitsluitend recht

  • Tegenstelbaarheid

  • Definitief verbod van gebruik

  • Voorwaarden

  • Prejudiciële vragen

  • Hof van Justitie van de Europese Unie