- Arrest van 7 december 2011

07/12/2011 - P.11.1205.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 62, tweede lid, Wegverkeerswet, stelt de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal van de overtreding niet afhankelijk van de voorwaarde dat het serienummer vermeld wordt van het toestel dat gediend heeft om de onwettige snelheid van het voertuig te meten (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2011, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1205.F

J. D. K.,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Bergen van 26 mei 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 22 november 2011 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

Op de rechtszitting van 7 december 2011 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de voornoemde procureur-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De eiser verwijt het vonnis dat het hem wegens overdreven snelheid veroordeelt op grond van een proces-verbaal zonder bewijswaarde, daar het vonnis het serienummer niet vermeldt van de ter vaststelling van de overtreding gebruikte radar.

Krachtens artikel 62, tweede lid, Wegverkeerswet, hebben de vaststellingen die steunen op materiële bewijsmiddelen die door automatisch werkende toestellen in het bijzijn van een bevoegd agent worden opgeleverd, bewijskracht zolang het tegendeel niet bewezen is, wanneer het gaat om overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

Krachtens het vierde lid van dat artikel veronderstelt die bewijskracht dat het toestel is goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen die, op het ogenblik van de feiten, zijn vastgesteld bij het koninklijk besluit van 11 oktober 1997 betreffende de goedkeuring en homologatie van de automatisch werkende toestellen, gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de voormelde wet en haar uitvoeringsbesluiten.

Geen van de voormelde wettelijke of reglementaire bepalingen onderwerpt de bewijswaarde van het proces-verbaal van de overtreding aan de voorwaarde dat het serienummer vermeld wordt van het toestel dat gediend heeft om de onwettige snelheid van het voertuig te meten.

Ofschoon die vermelding is voorgeschreven in een circulaire van het college van procureurs-generaal, volgt daaruit niet dat het ontbreken ervan tot gevolg heeft dat het proces-verbaal zijn wettelijke bewijswaarde verliest als, voor het overige, de instructies werden nageleefd die de intrinsieke waarde van het bewijs waarborgen.

Daarenboven kan uit het feit alleen dat het serienummer van de snelheidsmeter eerst wordt vermeld in een later proces-verbaal, dat door het openbaar ministerie in antwoord op de dienaangaande door de beklaagde opgeworpen betwisting bij het dossier is gevoegd, geen miskenning van het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging worden afgeleid.

Het vonnis vermeldt dat het oorspronkelijk proces-verbaal alle gegevens bevat die het mogelijk maken om vast te stellen dat de door de verbalisant gebruikte snelheidsmeter een gehomologeerd toestel is waarvan de werking zowel vóór als na de snelheidscontrole werd nagegaan en dat gebruikt werd overeenkomstig de richtlijnen van de fabrikant en van de administratie.

Het vonnis wijst erop dat het dossier daarenboven het opleidingsattest bevat van de politieagent die de radar heeft gebruikt, alsook een afschrift van het in het oorspronkelijk proces-verbaal vermelde certificaat van nazicht, die per navolgend proces-verbaal bij het dossier zijn gevoegd. Dat stuk vermeldt het serienummer van het gebruikte en gecontroleerde toestel.

De appelrechters concluderen daaruit dat er geen reden was om geen bewijswaarde toe te kennen aan de vaststelling van de overdreven snelheid, zolang het tegendeel niet bewezen is.

Die vermeldingen en de conclusie die de correctionele rechtbank daaruit getrokken heeft, schenden noch artikel 62, eerste, tweede, vierde en zevende lid, Wegverkeerswet, noch artikel 11.1 Wegverkeersreglement, noch het voormelde algemeen rechtsbeginsel.

Het middel kan niet worden aangenomen.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 7 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van afgevaardigd griffier Aurore Decottignies.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Vaststellingen door goedgekeurde of gehomologeerde automatisch werkende toestellen in het bijzijn van een bevoegd agent

  • Bijzondere bewijswaarde