- Arrest van 7 december 2011

07/12/2011 - P.11.1863.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De strafuitvoeringsrechtbank die met toepassing van de artikelen 66, §3, en 70 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf, kennisneemt van de zaak, doet geen uitspraak in het kader van een rechtspleging die is ingeleid met een vordering tot herroeping van het openbaar ministerie en de bij die bepalingen ingestelde spoedeisende rechtspleging valt bijgevolg niet onder toepassing van de termijnen die bij artikel 68, §1 en 2, van diezelfde wet zijn bepaald.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1863.F

T. V.,

Mr. Marko Obradovic, advocaat bij de balie te Nijvel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Luik van 28 oktober 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 5 mei 2011, verkreeg de eiser een maatregel van elektronisch toezicht.

Op 22 oktober 2011 werd hij, ingevolge een op diezelfde dag door de procureur des Konings uitgevaardigd bevel tot voorlopige aanhouding, opnieuw in de strafinrichting opgesloten.

Bij beschikking van 24 oktober 2011 heeft de rechtbank de maatregel van elektronisch toezicht voor een maand geschorst en de zaak, voor het overige, naar de zitting van de dag erop verdaagd.

De voormelde beschikking werd aan de veroordeelde ter kennis gebracht op 25 oktober 2011. Hij heeft ze voor ontvangst getekend en werd uit de gevangenis gehaald om op de rechtszitting te verschijnen.

Het proces-verbaal van die rechtszitting vermeldt dat het openbaar ministerie heeft gevorderd, dat de veroordeelde aan de rechtbank de feiten heeft uiteengezet die tot zijn aanhouding hebben geleid, dat zijn raadsman heeft gepleit en dat de zaak in beraad werd genomen voor uitspraak van het vonnis op 28 oktober 2011.

De beslissing, die op de aangekondigde dag werd gewezen, herroept het elektronisch toezicht.

Dat is het vonnis dat hier wordt bestreden.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het middel voert miskenning aan van het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging, alsook schending van de artikelen 64, 66 en 68 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden.

De strafuitvoeringsrechtbank wordt verweten dat zij de maatregel van elektronisch toezicht heeft herroepen zonder dat de veroordeelde ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier per gerechtsbrief werd opgeroepen en zonder dat dit dossier op de griffie ten minste vier dagen voor inzage ter beschikking werd gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman.

2. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting of uit het vonnis blijkt niet dat de eiser, bijgestaan door zijn advocaat, de miskenning van zijn recht van verdediging heeft aangevoerd. Het middel dat, wat dat betreft, voor het eerst voor het Hof wordt aangevoerd, is niet ontvankelijk.

3. De in artikel 68, § 1 en 2, van de wet van 17 mei 2006, bedoelde termijnen gelden voor de aanhangigmaking van de zaak bij de strafuitvoeringsrechtbank met het oog op een herroeping, schorsing of herziening. Die termijnen slaan niet op het geval waarin de zaak bij de rechtbank aanhangig gemaakt wordt door middel van een door de procureur des Konings op grond van artikel 70 verleend bericht van voorlopige aanhouding.

De ontvangst van dergelijk bericht verplicht de rechtbank om uitspraak te doen over de schorsing. Zo zij de schorsing beveelt is de rechtbank bij wet verplicht om, ofwel de uitvoeringsmodaliteit van de straf binnen een maand te herroepen, ofwel de schorsing op te heffen.

Wanneer de zaak met toepassing van de artikelen 66, § 3, en 70 van de wet bij de rechtbank aanhangig is gemaakt, doet ze bijgevolg geen uitspraak in het kader van een rechtspleging die was ingeleid met een vordering tot herroeping die uitging van het openbaar ministerie. Daaruit volgt dat de bij die bepalingen ingestelde spoedeisende rechtspleging niet onderworpen is aan de termijnen die de eiser aanvoert.

In zoverre faalt het middel naar recht.

4. De eiser kan geen grief ontlenen aan het feit dat het vonnis niet vermeldt dat de zaak, met het oog op herroeping van de toegekende maatregel, bij de rechtbank aanhangig is gemaakt door het openbaar ministerie, vermits die wijze van aanhangigmaking juist niet werd toegepast.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 7 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van afgevaardigd griffier Aurore Decottignies.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique

Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Straf

  • Uitvoeringsmodaliteit

  • Herroeping

  • Voorlopige aanhouding

  • Schorsing

  • Rechtspleging