- Arrest van 8 december 2011

08/12/2011 - C.10.0733.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Met zeven jaar hoofdverblijfplaats in België gedekt door een wettelijk verblijf, als voorwaarde waarop de vreemdeling die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt zich kan beroepen voor het verkrijgen van de Belgische nationaliteit, dient een aan de verklaring voorafgaande onafgebroken periode te worden verstaan (1). (1) Zie Cass. 20 feb. 2009, AR C.08.0115.N, AC, 2009, nr. 149, met concl. OM; Doc. Kamer 51.2760/033, p. 37; Senaat, zitting 2006-2007, 3-1988/4; zie ook circ. 25 mei 2007.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0733.N

A. M.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

PROCUREUR-GENERAAL HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, met kantoor te 2000 Antwerpen, Waalse Kaai 35A,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 juni 2010.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 12bis, § 1, 3°, van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit, in de versie van toepassing na de wijziging ervan door artikel 382 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I).

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Het hof van beroep hervormt het bestreden vonnis en verklaart het negatief advies van de procureur des Konings te Mechelen van 23 juli 2009 gegrond. Dienvolgens willigt het hof van beroep het verzoek van de eiser de Belgische nationaliteit te verkrijgen, niet in. Het hof van beroep neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop hij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"4. Beoordeling

1. Het verzoek van [de eiser] aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om het dossier over te zenden aan de rechtbank, maakt de zaak, met inbegrip van het negatief advies van de procureur des Konings, bij die rechtbank aanhangig. Ter beoordeling van de rechter staat evenwel niet het negatief advies als dusdanig, maar de vraag of [de eiser] voldoet aan de wettelijke voorwaarden tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit. De rechter is bijgevolg niet gebonden door de elementen aangeduid in het negatief advies, maar beoordeelt de elementen die hem ter zake in het kader van de procedure worden voorgelegd. [...]

2. [...]

3. Krachtens artikel 12bis, § 1, 3°, Wetboek van de Belgische Nationaliteit (zoals vervangen door de wet van 1 maart 2000 en vóór de wijziging ervan bij de wet van 27 december 2006) "kan de vreemdeling, die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, de Belgische nationaliteit verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig § 2 van dit artikel, indien hij sedert tenminste zeven jaar zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gevestigd en, op het tijdstip van de verklaring, gemachtigd is of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd om er zicht te vestigen". Artikel 299 van de Programmawet van 27 december 2004, bepaalt dat voormeld artikel 12bis, § 1, 3°, Wetboek van de Belgische Nationaliteit uitgelegd wordt in die zin dat het alleen van toepassing is op vreemdelingen die zich kunnen beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats gedekt door een wettelijk verblijf.

Zoals volgt uit de wetsgeschiedenis, mag ten aanzien van de vreemdeling, die op het tijdstip van de verklaring de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ingevolge regularisatie, gemachtigd is of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd om er zich te vestigen, voor de berekening van de vereiste van wettelijke verblijfsduur, de aan de regularisatie voorafgaande periode, gedurende dewelke de vreemdeling, zonder onderbreking, over voorlopige verblijfsvergunningen of over toelatingen om voorlopig in het land te verblijven heeft beschikt, in aanmerking worden genomen. [...]

4. Ingevolge artikel 12bis, § 1, 3°, Wetboek van de Belgische Nationaliteit (zoals gewijzigd bij de wet van 27 december 2006) "kunnen de Belgische nationaliteit verkrijgen, door een verklaring af te leggen overeenkomstig § 2 van dit artikel, indien zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt: de vreemdeling die zich kan beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats in België, gedekt door een wettelijk verblijf en die op het tijdstip van de verklaring gemachtigd of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur."

Bij deze laatste wetswijziging heeft de wetgever kennelijk enkel beoogt de interpretatieve bepaling van art. 299 van de Programmawet van 27 december 2004 in de tekst van art. 12bis, § 1, 3°, Wetboek van de Belgische Nationaliteit te integreren. Het was daarbij geenszins de bedoeling om dit artikel te wijzigen op het vlak van de vereiste dat de periode van 7 jaar hoofdverblijf ononderbroken dient te zijn. In de circulaire van 25 mei 2007, m.b.t. de wijziging aan het Wetboek van de Belgische Nationaliteit ingevoerd bij de wet van 27 december 2006, wordt trouwens uitdrukkelijk verwezen "naar de vreemdeling die zonder onderbreking voorlopige verblijfstitels heeft verkregen die zijn hoofdverblijfplaats dekten".

Ten onrechte wordt dan ook zowel door [de eiser] als door de eerste rechter uit de weglating van het woordje ‘sedert' bij de wetswijziging van 27 december 2006 afgeleid dat daardoor de vereiste dat de zeven jaar wettelijk verblijf onafgebroken moet zijn, is weggevallen.

Eveneens ten onrechte houdt [de eiser] thans voor dat enkel het hoofdverblijf onafgebroken dient te zijn en dat naast de periodes van wettelijk verblijf ook tussentijdse periodes van onwettelijk verblijf in aanmerking komen. De wettekst is immers op dit punt zeer duidelijk en de dekking door een wettelijk verblijf strekt zich uit over de hele periode van 7 jaar hoofdverblijfplaats.

5. Te dezen zijn partijen het er kennelijk over eens dat [de eiser] niet in het bezit was van een geldig verblijfsdocument van 9 oktober 2004 (het aflopen van de geldigheidsduur van het attest van immatriculatie) en 16 augustus 2007 (vestiging op basis van zijn Belgische dochter).

Hieruit volgt dat [de eiser] op het ogenblik van de verklaring tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit geen onafgebroken periode van zeven jaar hoofdverblijf in België, gedekt door een wettelijk verblijf, kan bewijzen, zodat hij niet voldoet aan de grondvoorwaarde."

(blz. 3 tot 5, van het bestreden arrest).

Grieven

1. Krachtens artikel 12bis, § 1, aanhef en 3°, van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit, hieronder afgekort als WBN, in de versie van dat artikel die in deze zaak van toepassing is, d.i. ná de wijziging ervan bij een wet van 27 december 2006, kan een vreemdeling die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, de Belgische nationaliteit verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig § 2 van hetzelfde artikel, indien hij zich kan beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats in België gedekt door een wettelijk verblijf en hij op het tijdstip van de verklaring gemachtigd of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur.

De in deze zaak van toepassing zijnde versie van artikel 12bis, § 1, 3°, WBN vereist niet dat sprake is van zeven jaar onafgebroken wettelijk hoofdverblijf in België.

2. Het hof van beroep stelt vast dat de eiser op 9 april 2009 een verklaring aflegde bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te Mechelen om de Belgische nationaliteit te bekomen op grond van artikel 12bis, § 1, 3°, WBN.

Volgens het hof van beroep kan uit de weglating van het woordje "sedert" door de wetswijziging van 27 december 2006 niet worden afgeleid dat de vereiste dat de zeven jaar wettelijk verblijf onafgebroken moet zijn, is weggevallen (blz. 5, tweede alinea, van het bestreden arrest). Het hof van beroep overweegt vervolgens dat de eiser op het ogenblik van de verklaring geen onafgebroken periode van zeven jaar hoofdverblijfplaats in België, gedekt door wettelijk verlijf, bewijst, zodat hij niet voldoet aan de grondvoorwaarde om de Belgische nationaliteit te verkrijgen (blz. 5, vijfde alinea, van het bestreden arrest).

Aangezien uit artikel 12bis, § 1, 3°, WBN, in de versie die in deze zaak van toepassing is, noch uit enige andere wetsbepaling kan worden afgeleid dat zeven jaar wettelijke hoofdverblijfplaats in België onafgebroken moeten zijn, voegt het hof van beroep een voorwaarde toe aan de wet die er niet in vervat ligt. Het hof van beroep schendt aldus artikel 12bis, § 1, 3°, van het WBN.

Aldus verklaart het hof van beroep het negatief advies van de procureur des Konings te Mechelen niet wettig gegrond en weigert niet wettig het verzoek van de eiser de Belgische nationaliteit te verkrijgen, in te willigen (schending van artikel 12bis, § 1, 3°, van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit, in de versie van toepassing na de wijziging ervan bij een wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 12bis, § 1, aanhef en 3°, Wetboek Belgische Nationaliteit, zoals vervangen door de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit en vóór de wijziging ervan bij wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen, kan de vreemdeling, die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, de Belgische nationaliteit verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig § 2 van dit artikel, indien hij sedert ten minste zeven jaar zijn hoofdverblijf in België heeft gevestigd en, op het tijdstip van de verklaring, gemachtigd is of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd om er zich te vestigen.

2. Artikel 299 van de programmawet van 27 december 2004 bepaalt dat voormeld artikel 12bis, § 1, 3°, Wetboek Belgische Nationaliteit zoals alsdan van toepassing, uitgelegd wordt in die zin dat het alleen van toepassing is op de vreemdelingen die zich kunnen beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats gedekt door een wettelijk verblijf.

3. Krachtens artikel 12bis, § 1, aanhef en 3°, Wetboek Belgische Nationaliteit, zoals vervangen door de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen, kan de vreemdeling, die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, de Belgische nationaliteit verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig § 2 van dit artikel, indien hij zich kan beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats in België gedekt door een wettelijk verblijf en hij op het tijdstip van de verklaring gemachtigd of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur.

4. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met de wijziging van het artikel 12bis, § 1, 3°, Wetboek Belgische Nationaliteit bij wet van 27 december 2006, waarbij de termen van de uitleggingswet van 27 december 2004 werden overgenomen, geen versoepeling van de toekenningsvoorwaarden heeft willen doorvoeren.

Met zeven jaar hoofdverblijfplaats gedekt door een wettelijk verblijf in de zin van artikel 12bis, § 1, 3°, Wetboek Belgische Nationaliteit zoals gewijzigd bij wet van 27 december 2006, dient dan ook een aan de verklaring voorafgaande ononderbroken periode te worden verstaan.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 897,72 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare rechtszitting van 8 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Verklaring tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit

  • Vreemdeling

  • Wettelijke verblijfsduur