- Arrest van 13 december 2011

13/12/2011 - P.11.1256.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer een verzoek tot opheffing van een onderzoekshandeling ingevolge artikel 61quater, §5 of §6, Wetboek van Strafvordering ter beoordeling wordt voorgelegd aan de kamer van inbeschuldigingstelling, kan deze op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van één van de partijen of ambtshalve, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure onderzoeken en kan zij krachtens artikel 235bis, §5, overeenkomstig artikel 131, §1, 1 en 2, de nietigheid uitspreken van een handeling en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt die invloed heeft op een handeling van het onderzoek of op de bewijsverkrijging (1) (2). (1) Cass. 16 mei 2000, AR P.00.0296.N, AC, 2000, nr. 299. (2) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1256.N

1. C.B.S. IMMO nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 1-7,

verzoekster tot opheffing van een onderzoekshandeling,

2. S.B. TOWER nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 1-7,

verzoekster tot opheffing van een onderzoekshandeling,

3. M.B.S. INVESTMENTS nv, met zetel te 2600 Berchem, Fruithoflaan 118-120, bus 42,

verzoekster tot opheffing van een onderzoekshandeling,

eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 juni 2011.

De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het eerste onderdeel van het tweede middel voert schending aan van de artikelen 61quater, § 1 en § 5, en 235bis, § 1 en § 2, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiseressen geen beroep kunnen doen op artikel 235bis Wetboek van Strafvordering omdat zij niet als partij betrokken zijn in dit gerechtelijk onderzoek; de eiseressen die de kamer van inbeschuldigingstelling hebben gevat in overeenstemming met artikel 61quater Wetboek van Strafvordering, worden alzo partij in de procedure, voorgelegd aan de kamer van inbeschuldigingstelling, en kunnen van haar nazicht vragen van de regelmatigheid van de rechtspleging.

2. Artikel 61quater, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat eenieder die geschaad wordt door een onderzoekshandeling met betrekking tot zijn goederen, aan de onderzoeksrechter de opheffing ervan kan vragen.

Wanneer een verzoek tot opheffing van een onderzoekshandeling ingevolge artikel 61quater, § 5 of § 6, Wetboek van Strafvordering ter beoordeling wordt voorgelegd aan de kamer van inbeschuldigingstelling, kan deze op vordering van het openbaar ministerie, op verzoek van één van de partijen of ambtshalve, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure onderzoeken en kan zij krachtens artikel 235bis, § 5, overeenkomstig artikel 131, § 1, 1 en 2, de nietigheid uitspreken van een handeling en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt die invloed heeft op een handeling van het onderzoek of op de bewijsverkrijging.

Wanneer het verzoek tot opheffing van een onderzoekshandeling uitgaat van een persoon die geen partij is in het strafonderzoek en die de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij dit verzoek krachtens artikel 61quater, § 5 of § 6, Wetboek van Strafvordering aanhangig is gemaakt, vraagt de regelmatigheid van de rechtspleging te onderzoeken, moet die kamer, indien zij het verzoek tot opheffing van de onderzoekshandeling afwijst, de regelmatigheid van die onderzoekshandeling en van de hieraan voorafgaande handelingen die daartoe aanleiding hebben gegeven, onderzoeken maar niet de regelmatigheid van de ganse strafrechtspleging zelf waarin de verzoeker geen partij is, noch partij wordt door het instellen van een verzoek tot opheffing van een onderzoekshandeling overeenkomstig artikel 61quater Wetboek van Strafvordering.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

3. Het arrest doet uitspraak over het verzoekschrift van de eiseressen, ingediend overeenkomstig artikel 61quater, § 6, Wetboek van Strafvordering ingevolge het uitblijven van een beschikking van de onderzoeksrechter over het verzoek van de eiseressen tot opheffing van de verzegeling van de deur van de kluizenzaal van de CBS-building waarvan zij de eigenaressen zouden zijn.

Het oordeelt dat het verzoek tot ontzegeling zonder voorwerp is geworden omdat de onderzoeksrechter inmiddels op 1 april 2011 de ontzegeling van de kluizenzaal heeft bevolen. Het oordeelt verder dat de onderzoekshandelingen die aanleiding gaven tot de verzegeling, regelmatig zijn geschied en dat de eiseressen, te weten verzoeksters tot opheffing van een onderzoekshandeling, geen beroep kunnen doen op artikel 235bis Wetboek van Strafvordering om nazicht te laten doen van de regelmatigheid van de overige handelingen van de strafrechtspleging waarin zij geen partij zijn.

De eiseressen tegen wie geen strafvordering is ingesteld of die geen burgerlijke partij zijn, hebben geen belang of hoedanigheid tegen deze beslissingen op te komen.

De cassatieberoepen zijn niet ontvankelijk.

Overige grieven

4. De overige grieven die geen betrekking hebben op de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen, behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten op 63,39 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 13 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Verzoek tot opheffing van een onderzoekshandeling

  • Artikel 61quater Sv.

  • Hoger beroep

  • Onderzoek van de regelmatigheid van de procedure

  • Artikel 235bis

  • Toepassing