- Arrest van 13 december 2011

13/12/2011 - P.11.1393.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De opdracht bedoeld in artikel 488bis, f, §1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de voorlopige bewindvoerder tot taak heeft de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren of de beschermde persoon in dat beheer bij te staan, houdt geen vertegenwoordiging van de beschermde persoon als verweerder op de strafvordering in, aangezien artikel 185 Wetboek van Strafvordering die vertegenwoordiging aan de advocaat voorbehoudt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1393.N

Johan DE NOLF, advocaat te 8000 Brugge, Maagdenstraat 31, in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder toegevoegd aan S F V,

vrijwillig tussengekomen partij,

eiser,

tegen

1. N B,

burgerlijke partij,

2. BAVIK nv, met zetel te 8531 Harelbeke (Bavikhove), Rijksweg 33,

burgerlijke partij,

3. NATIONALE SUISSE VERZEKERINGEN nv, met zetel te 1000 Brussel, Tweekerkenstraat 14,

burgerlijke partij,

4. INTERNATIONAL INSURANCE COMPANY OF HANNOVER, vennootschap naar Engels recht, met zetel te Bra-Berkshire Rgi20 PE (Verenigd Koninkrijk), Opladen Way,

burgerlijke partij,

5. KILN, verzekeringsmaatschappij naar Engels recht, met zetel te Londen (Verenigd Koninkrijk), Lloyds Building,

burgerlijke partij,

6. ASSURANCES CONTINENTALS nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Lange Nieuwstraat 17,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest is ten aanzien van de eerste verweerder, N B, bij verstek gewezen.

In zoverre het gericht is tegen de beslissing op de door deze partij ingestelde burgerlijke rechtsvordering, is het cassatieberoep dat is ingesteld vóór het verstrijken van de gewone termijn van verzet, voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet:

- het antwoord van de appelrechters op eisers verweer over artikel 488bis, k, Burgerlijk Wetboek is volstrekt naast de zaak;

- het arrest antwoordt niet op eisers verweer over de opgedrongen procespositie van vrijwillig tussenkomende partij.

3. De verplichting de vonnissen en arresten met redenen te omkleden is een vormvereiste. Een onjuiste, onaangepaste, onvolledige of zelfs in rechte verkeerde motivering levert geen schending van artikel 149 Grondwet op.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

4. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de eiser in zijn appelconclusie heeft aangevoerd dat de strafvordering niet ontvankelijk is omdat de dagvaarding van S V in strijd met artikel 488bis, k, Burgerlijk Wetboek niet aan hem was betekend en aldus nietig is.

5. Anders dan het middel aanvoert, beantwoordt het arrest dit verweer met de redenen die het bevat en die het middel weergeeft.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

6. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd maar geen afzonderlijk middel vormt.

7. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de eiser in zijn appelconclusie, bij de ontwikkeling van zijn verweer over de ontvankelijkheid van de strafvordering, onder meer ook heeft aangevoerd dat de eerste rechter hem ongevraagd en ongewild heeft aangenomen als vrijwillig tussenkomende partij, zonder hieraan evenwel enig rechtsgevolg te verbinden.

Aldus dienden de appelrechters die aanvoering niet nader te beantwoorden.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 488bis, k, Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt onterecht dat de dagvaarding in strafzaken van een beschermde persoon niet aan de woonplaats of verblijfplaats van de voorlopige bewindvoerder moet worden betekend.

9. Krachtens artikel 182, eerste lid, Wetboek van Strafvordering worden de zaken die tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank behoren, bij haar aanhangig gemaakt, hetzij door de verwijzing naar die rechtbank overeenkomstig de artikelen 130 en 160, hetzij door een dagvaarding, rechtstreeks aan de verdachte en aan de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke personen gedaan door de burgerlijke partij en, in alle gevallen, door de procureur des Konings, hetzij door de oproeping van de verdachte bij proces-verbaal, conform artikel 216quater, hetzij door de oproeping met het oog op onmiddellijke verschijning overeenkomstig artikel 216quinquies, en kunnen de partijen eveneens vrijwillig en op een eenvoudige oproeping verschijnen, zonder dat een dagvaarding nodig is.

Artikel 185, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de beklaagde, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij en de burgerlijke partij persoonlijk verschijnen of in de persoon van een advocaat.

10. Artikel 488bis, f, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de voorlopige bewindvoerder tot taak heeft de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren of de beschermde persoon in dat beheer bij te staan.

Die opdracht houdt geen vertegenwoordiging van de beschermde persoon als verweerder op de strafvordering in, aangezien artikel 185 Wetboek van Strafvordering die vertegenwoordiging aan de advocaat voorbehoudt.

Uit artikel 488bis, k, Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd, gedaan worden aan diens woonplaats of verblijfplaats, volgt slechts dat betekeningen en kennisgevingen in aangelegenheden die tot bevoegdheid van de voorlopige bewindvoerder behoren, aan diens woonplaats of verblijfplaats moeten gebeuren.

11. De dagvaarding in strafzaken houdt geen verband met het beheer van de goederen van de beschermde persoon maar beoogt de schuldigverklaring van de beklaagde en zijn veroordeling tot straffen of maatregelen op zijn persoon of zijn goederen.

Hieruit volgt dat, hoewel de voormelde bepalingen niet eraan in de weg staan dat, in strafzaken, de betekening van een dagvaarding van een beklaagde aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd, ook rechtsgeldig wordt gedaan aan de woonplaats of verblijfplaats van de voorlopige bewindvoerder, de betekening van de dagvaarding in strafzaken enkel aan de beklaagde aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd, de strafvordering rechtsgeldig bij de strafrechter aanhangig maakt.

Het middel dat op een andere rechtsopvatting berust, faalt naar recht.

Derde middel

12. Het middel voert miskenning aan van het recht van verdediging: aan de basis van het verstekvonnis van 13 april 2010 lag geen eerlijk proces vermits S V geroepen werd zich op burgerlijk gebied te verdedigen, terwijl die bevoegdheid haar bij vonnis van de vrederechter was ontnomen, zodat het arrest niet vermocht het bij het beroepen vonnis van 9 november 2010 bevestigde verstekvonnis van 13 april 2010, integraal te bevestigen.

13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het verzet van S V tegen het verstekvonnis van 13 april 2010 bij het vonnis nr. 2017 van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 9 november 2010 ontvankelijk werd verklaard en haar veroordeling, zowel op strafrechtelijk als op burgerlijk gebied, als niet bestaande werd verklaard.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest, met bevestiging van het vonnis nr. 2018 van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 9 november 2010, het verstekvonnis van 13 april 2010 bevestigt, mist het feitelijke grondslag.

14. Voor het overige is het middel niet tegen het arrest zelf gericht maar tegen het verstekvonnis van 13 april 2010 en het beroepen vonnis (nr. 2018) van 9 november 2010.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 69,66 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 13 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Voorlopige bewindvoerder

  • Opdracht

  • Omvang