- Arrest van 14 december 2011

14/12/2011 - P.11.2021.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De enkele verwijzing naar de ernst van de feiten en naar de openbare orde is onvoldoende om de handhaving van de voorlopige hechtenis te verantwoorden als het gerechtelijk onderzoek abnormale vertraging kent (1). (1) Cass. 18 dec. 1991, AR 9571, AC, 1991-1992, nr. 213.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2021.F

K. N. Z.,

mr. Alexandre Chateau, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 november 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het enige middel voert de schending aan van artikel 5.3 EVRM. Het verwijt het arrest ook dat het niet antwoordt op de conclusie van de eiser.

Eerste onderdeel

De eiser voert aan dat vertraging opgelopen bij het gerechtelijk onderzoek van de zaak de handhaving van de voorlopige hechtenis verhindert, zonder dat de overwegingen betreffende de openbare veiligheid die hechtenis nog langer kunnen rechtvaardigen.

Het middel herinnert eraan dat de verwijzing naar de ernst van de feiten en naar de openbare orde op zich onvoldoende is om de handhaving van de voorlopige hechtenis te verantwoorden als het gerechtelijk onderzoek abnormale vertraging kent.

Nergens in de overwegingen evenwel omschrijft het arrest de vertraging die is vastgesteld in de uitvoering van de aanvullende onderzoeksopdrachten waarom de eiser heeft verzocht, als abnormaal.

Het arrest verwijst daarentegen naar het maatschappelijk gevaar, dat het in verband brengt met de gewelddadigheid van de feiten waarvan de eiser verdacht blijft, alsook naar diens persoonlijkheid die beschreven wordt in het licht van een psychiatrisch deskundigenonderzoek.

Op grond daarvan hebben de appelrechters kunnen oordelen dat, ondanks de betrekkelijk lange duur van het gerechtelijk onderzoek, de handhaving van de voorlopige hechtenis absoluut noodzakelijk bleef voor de openbare veiligheid, aangezien hier een moordpoging ten laste wordt gelegd.

Dergelijke beslissing schendt artikel 5.3 EVRM niet, vermits die bepaling niet tot doel heeft de Lidstaten te verplichten om een verdachte die nochtans als gevaarlijk wordt aangemerkt, onmiddellijk in vrijheid te stellen wegens vertraging die is opgelopen bij de uitvoering van een onderzoekshandeling.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Ofschoon de beoordeling van de duur van de voorlopige hechtenis op een geactualiseerde, nauwkeurige en gepersonaliseerde wijze dient te gebeuren, volgt daaruit niet dat het onderzoeksgerecht dat onderzoek moet beperken tot de tijdvakken tijdens welke het onderzoek geen vooruitgang boekte.

Bij de beoordeling dient daarentegen rekening te worden gehouden met de rechtspleging in haar geheel, te weten vanaf de uitvaardiging van het bevel tot aanhouding tot het ogenblik waarop het rechtscollege, dat uitspraak moet doen over de eventuele handhaving van de hechtenis, nagaat of zij wel verenigbaar is met artikel 5.3 EVRM.

De appelrechters verwijzen met name naar de verslagen van het deskundigenonderzoek naar de geestesgesteldheid van 10 december 2010 en 18 maart 2011, naar de vordering die de procureur des Konings heeft ingediend met het oog op de regeling van de rechtspleging, naar de door de onderzoeksrechter op 31 oktober 2011 bevolen ambtsverrichtingen, naar het feit dat de eiser geen duurzame banden had, naar zijn persoonlijkheidsanalyse en de risico's op ontvluchting en herhaling die daaruit blijken. Die overwegingen maken de geactualiseerde, nauwkeurige en gepersonaliseerde beoordeling uit waarvan de eiser ten onrechte beweert dat zij niet uit het arrest blijkt.

Dit onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde en vierde onderdeel

De eiser heeft een conclusie neergelegd waarin hij aanvoert dat de redelijke termijn is overschreden. Hij wijt die overschrijding aan het feit dat een op 28 juni 2011 aangevraagde onderzoeksopdracht, door toedoen van de onderzoeksmagistraat pas vier maanden later kon bevolen worden. Hij heeft kritiek uitgeoefend op de redenen waarop de raadkamer zich heeft gebaseerd om het voormelde verweermiddel af te wijzen. Aangezien de eiser bovendien, subsidiair, verschillende voorwaarden voor zijn vrijlating heeft voorgesteld, welke volgens hem elk risico op herhaling wegnemen, verwijt hij de appelrechters dat zij niet duidelijk aangeven waarom de voorgestelde voorwaarden onvoldoende zouden zijn.

Op de conclusie van de eiser antwoordt het arrest dat, gezien de complexiteit van het dossier en de talrijke ambtsverrichtingen, de vier maanden vertraging in de uitvoering van bijkomende onderzoekshandelingen die gevraagd zijn de dag voor de rechtszitting die voor de regeling van de rechtspleging was bepaald, niet tot gevolg heeft dat de totale duur van de hechtenis die de eiser sedert zijn aanhouding tot op vandaag heeft ondergaan, onredelijk wordt.

Volgens het arrest en de redenen van de vordering die het overneemt, maken het schot dat de eiser, die uit de echtelijke woonst was gezet, op zijn geknielde vrouw zou hebben afgevuurd, nadat hij haar had laten weten dat hij gekomen was om haar te doden, de lijdensweg die hij zijn vorige echtgenote zou hebben doen ondergaan, de doodsbedreigingen die hij tegen zijn kinderen zou hebben geuit, feiten uit die, gesteld dat zij bewezen zouden zijn, getuigen van minachting voor andermans leven en fysieke integriteit, wat een grove aantasting van de openbare veiligheid uitmaakt.

Het arrest voegt daaraan toe dat de karaktertrekken van de eiser, die met name blijk geeft van een systematische identificatie met een opgeblazen en narcistisch zelfbeeld, wanneer dat beeld bedreigd wordt, een perverse relatie tot de vrouwelijke leefwereld in de hand kunnen werken.

De bewering volgens welke die feitelijke gegevens en persoonlijkheidsgegevens zowel de voortzetting van de hechtenis als een gespecialiseerde therapeutische behandeling noodzakelijk maken, vermeldt de reden waarom de appelrechters de voorwaarden niet in aanmerking hebben genomen die de eiser heeft voorgesteld om het gevaar af te wenden dat de eiser volgens het arrest oplevert.

Het arrest antwoordt voorts op het verweermiddel dat een schending aanvoert van artikel 5.3, door uit het geheel van de hierboven samengevatte overwegingen af te leiden dat er een reëel vereiste van openbaar belang blijft bestaan dat rechtvaardigt dat tijdelijk wordt afgeweken van de regel van eerbiediging van de individuele vrijheid.

De appelrechters omkleden hun beslissing aldus regelmatig met redenen.

De onderdelen missen feitelijke grondslag.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 14 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique

Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Ongewone vertraging van het gerechtelijk onderzoek

  • Gronden van de handhaving

  • Ernst van de feiten

  • Openbare orde