- Arrest van 15 december 2011

15/12/2011 - F.10.0091.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt voor hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist met betrekking tot de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de strafrechtelijke beslissing uitmaken (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0091.N

1. BELGIAN REFINING CORPORATION (BRC) nv, met zetel te 2040 Antwerpen, Scheldelaan 490 - Haven 663,

2. M. S.,

3. A. L.,

4. A. S.

5. F. D.,

6. G. D.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, federale overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14,

2. BELGISCHE STAAT, federale overheidsdienst Financiën, voor wie optreedt de gewestelijk directeur van de Douane en Accijnzen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok - Oostkaai 22,

3. BELGISCHE STAAT, federale overheidsdienst Financiën, gewestelijke directie Antwerpen, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur van de Douane en Accijnzen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok - Oostkaai 22,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 64, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 2 februari 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 21 juni 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters niet antwoorden op het verweer van de eisers dat een veroordeling tot betaling van de rechten geen terugbetaling op grond van artikel 239 CDW in de weg staat en dat de overwegingen van de strafrechter niet beletten dat de niet-naleving van artikel 11bis van Verordening (EEG) nr. 1062/87 van de Commissie van 27 maart 1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer een omstandigheid is die recht kan geven op teruggaaf.

2. Met de reden dat zij geen uitspraak kunnen doen over de vordering van de eisers zonder miskenning van het gezag van rechterlijk gewijsde van de strafrechtelijke uitspraak, beantwoorden de appelrechters dit verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Een vordering tot teruggaaf op grond van artikel 239 CDW kan slechts worden ingewilligd indien er aan de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid is.

4. Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt voor hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist, met betrekking tot de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de strafrechtelijke beslissing uitmaken.

5. De appelrechters stellen vast dat de tweede tot zesde eisers bij het arrest van 21 november 2001 strafrechtelijk veroordeeld werden en dit arrest oordeelt dat het vereiste morele element, het algemeen opzet, in hoofde van de beklaagden aanwezig is en er geen onoverkomelijke dwaling of overmacht voorhanden is.

6. Door op deze grond te oordelen dat zij geen uitspraak kunnen doen over de vordering van de eisers strekkende tot teruggaaf van de rechten op grond van artikel 239 CDW, zonder het gezag van rechterlijk gewijsde van het arrest van 21 november 2001 te miskennen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

7. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat het arrest van 21 november 2001 geoordeeld heeft dat de verweerders geen enkele gedraging hebben gesteld die aanleiding zou kunnen geven tot een vordering tot teruggaaf op grond van artikel 239 CDW.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

8. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de ontvankelijkheid van een vordering tot teruggaaf op grond van artikel 239 CDW het bewijs of minstens de aanvoering veronderstelt van een fout of onzorgvuldig optreden lastens de vervolgende overheid.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eisers op 448, 96 euro en voor de verweerders op 146,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Edward Forrier en Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 15 december 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden