- Arrest van 15 december 2011

15/12/2011 - F.10.0075.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het wettelijk vermoeden waarin artikel 64, §1, W.B.T.W. voorziet, heeft voor gevolg dat wanneer de administratie bewijst dat goederen die door hun aard bestemd zijn om verkocht te worden, door de belastingplichtige worden aangekocht, hij geacht wordt die goederen te hebben geleverd onder voorwaarden die maken dat B.T.W. verschuldigd is; de belastingplichtige kan dit vermoeden weerleggen door op grond van bewijskrachtige stukken aan te tonen dat die goederen nog in zijn bezit zijn of dat ze een bestemming hebben gekregen die geen B.T.W. opeisbaar maakt, zoals dat het geval kan zijn wanneer de goederen voor eigen gebruik bestemd zijn (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0075.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur van het btw-ontvangkantoor te Oostende, met kantoor te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

TAVERNE RESTAURANT JAN BREYDEL bvba, met zetel te 8460 Oudenburg, Brugsesteenweg 108,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 februari 2009.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 21 juni 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 64, § 1, Btw-wetboek, wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Dit wettelijk vermoeden heeft voor gevolg dat wanneer de administratie bewijst dat goederen die door hun aard bestemd zijn om verkocht te worden, door de belastingplichtige worden aangekocht, hij geacht wordt die goederen te hebben geleverd onder voorwaarden die maken dat btw verschuldigd is.

De belastingsplichtige kan dit vermoeden weerleggen door op grond van bewijskrachtige stukken aan te tonen dat die goederen nog in zijn bezit zijn of dat ze een bestemming hebben gekregen die geen btw opeisbaar maakt. Dit laatste kan het geval zijn wanneer de goederen voor eigen gebruik bestemd zijn.

2. De appelrechters oordelen dat om toepassing te kunnen maken van het wettelijk vermoeden van voormeld artikel 64, § 1, "moet worden vermoed dat [de verweerster] de betreffende aankopen gedaan heeft om de aangekochte goederen te verkopen".

Door aldus aan de eiser de bewijslast op te leggen dat de door de verweerster aangekochte goederen bestemd zijn voor de verkoop, miskennen zij het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1, Btw-wetboek en schenden zij die wetsbepaling.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

3. Overeenkomstig het toepasselijk artikel 59, § 1, eerste lid, Btw-wetboek kunnen iedere overtreding van de bepalingen van dat wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het ministerie van financiën.

Krachtens artikel 64, § 1, van hetzelfde wetboek, wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

4. Uit de voormelde wetsbepalingen volgt dat de administratie het bewijs mag leveren door vermoedens van het feit dat de belastingplichtige niet alle aankopen in zijn boekhouding heeft opgenomen en een hogere omzet heeft gerealiseerd dan aangegeven door aankopen te realiseren op naam van derden.

Eens dit bewijs geleverd kan de administratie vervolgens het bewijs door vermoedens leveren van het feit dat de aldus aangekochte goederen werden omgezet met dezelfde gemiddelde winstmarge als de andere aankopen opgenomen in de boekhouding.

5. De appelrechters oordelen dat de eiser met vermoedens bewijst dat de verweerster aankopen heeft gedaan met aankoopkaarten op naam van VEF Fotoclub en Waterski DS.

Vervolgens stellen zij vast dat de eiser om te bewijzen dat nog een bedrag aan bijkomende btw verschuldigd is door de verweerster tevens steunt op het vermoeden dat de aangekochte goederen werden verkocht met dezelfde gemiddelde winstmarge als de andere aankopen.

Door op grond hiervan te oordelen dat de eiser het bewijs van de bijkomende verschuldigde btw levert door een niet-toegelaten opeenstapeling van vermoedens, zodat het verzet van de verweerster gegrond is, schenden de appelrechters de hiervoor aangehaalde wetsbepalingen.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Dictum

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak hieromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Edward Forrier en Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 15 december 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Bewijs

  • Vermoedens

  • Artikel 64, § 1, Btw-wetboek

  • Wettelijk vermoeden

  • Tegenbewijs