- Arrest van 15 december 2011

15/12/2011 - F.10.0083.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het dwangbevel dat ter kennis wordt gebracht van degene die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, is één van de wijzen waarop de verjaring in de zin van artikel 2244 B.W. kan worden gestuit (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0083.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de rekenplichtige ontvanger van het derde btw-ontvangkantoor te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4/4,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

F. O.,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 2 februari 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 12 juli 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Eerste voorzitter Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 81, eerste lid, Btw-wetboek, zoals het op het geschil van toepassing is, verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan.

Krachtens artikel 83, eerste lid, Btw-wetboek, zoals het op het geschil van toepassing is, wordt de verjaring ten aanzien van de voldoening, de interesten en de administratieve geldboeten, gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Krachtens artikel 85, § 2, Btw-wetboek stuit de kennisgeving van het dwangbevel de verjaring van de vordering van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten en van het toebehoren en stelt zij de belastingplichtige in staat verzet te doen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze bepaald in artikel 89.

Krachtens artikel 89, tweede lid, Btw-wetboek, zoals het op het geschil van toepassing is, kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts worden gestuit bij door de belastingplichtige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.

Krachtens artikel 2251 Burgerlijk Wetboek loopt de verjaring tegen alle personen, behalve tegen hen voor wie de wet uitzondering maakt.

2. Uit het geheel van voormelde bepalingen volgt dat:

- het dwangbevel dat ter kennis wordt gebracht van degene die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, een van de wijzen is waarop de verjaring in de zin van artikel 2244 Burgerlijk Wetboek kan worden gestuit;

- de verjaring, behoudens een nieuwe stuiting, tegen de Staat is verkregen vijf jaar na de kennisgeving van het dwangbevel, tenzij een rechtsgeding hangend is;

- dit rechtsgeding kan bestaan in het verzet van de belastingplichtige, dat de opschorting van de uitvoerbare kracht van het dwangbevel tot gevolg heeft, en waaruit volgt dat de verjaring tijdens de gehele duur ervan tegen de Staat niet is verkregen;

- de verjaring niet loopt tegen hen voor wie de wet een uitzondering maakt waarmee deze bepaling wil voorkomen dat de verjaring zou intreden terwijl een wettelijke regeling de schuldeiser verhindert de betaling van zijn vordering te verkrijgen.

3. Artikel 73sexies, eerste lid, Btw-wetboek bepaalt dat personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de ontdoken belasting.

De strafrechtelijk veroordeelde dader of medeplichtige kan niet tot betaling worden gedwongen zolang niet vaststaat dat de belasting verschuldigd is en het bedrag ervan niet vaststaat ingevolge het verzet van de belastingplichtige tegen het dwangbevel.

4. De appelrechters oordelen dat het verzet aangetekend door de belastingplichtige, te weten de bvba Frans Obbers Juwelen, de administratie niet belet om tot invordering van de verschuldigde btw over te gaan ten laste van de verweerder als hoofdelijk aansprakelijke in de zin van artikel 73sexies, Btw-wetboek en dat dienvolgens de verjaring ten aanzien van de verweerder niet werd geschorst door het verzet van de belastingplichtige tegen de dwangbevelen van 4 juli 1991 en 8 januari 1992.

Door aldus te oordelen schenden de appelrechters de in het middel aangewezen wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Edward Forrier en Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 15 december 2011 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Verjaring

  • Dwangbevel

  • Stuitende werking