- Arrest van 16 december 2011

16/12/2011 - F.09.0018.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 3, §1, c), van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, vóór de wijziging ervan bij artikel 2 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1 maart 2007, in samenhang gelezen met artikel 3, §1, a), van dezelfde ordonnantie en, voor zover nodig, voornoemd artikel 3, §1, a), schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie volgens welke zij, enerzijds, van de toepassingssfeer van de in die ordonnantie bedoelde belasting de eigenaars uitsluiten van een op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gelegen bebouwde eigendom of de houders van zakelijke rechten op een dergelijk goed die dat goed bestemmen voor een gebouw van collectief wonen dat afzonderlijke flats bevat die ieder door een gezin worden betrokken, zoals een seniorenresidentie, maar, anderzijds, die belasting ten laste leggen van de eigenaars of de houders van zakelijke rechten die dat goed bestemmen voor de collectieve huisvesting van bejaarden, terwijl zowel eerstgenoemden als laatstgenoemden houders zijn van een eigendomsrecht of van andere zakelijke rechten op een gebouw dat bestemd is voor bewoning en dus voor een residentiële bestemming (1). (1) Zie Cass. 14 mei 2010, AR F.09.0018.F, nr. 338.

Arrest - Integrale tekst

A.R. F.09.0018.F

RESIDENCE CHRISTALAIN nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 29 juni 2007.

Bij een arrest van 14 mei 2010 heeft het Hof zijn uitspraak aangehouden tot het Grondwettelijk Hof de in het dictum van dat arrest weergegeven prejudiciële vraag zal hebben beantwoord.

Het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord bij het arrest nr. 92/2011 van 31 mei 2011.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

Het Hof heeft het eerste middel beantwoord bij het voornoemde arrest van 14

mei 2010.

Het tweede middel luidt als volgt:

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

Tweede onderdeel

Krachtens artikel 2 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 betreffende de gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen, wordt vanaf het aanslagjaar 1993 een jaarlijkse belasting geheven ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen, gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en van houders van een zakelijk recht op onroerende eigendommen die niet voor bewoning bestemd zijn.

Artikel 3, § 1, a), van die ordonnantie, zoals het in deze zaak van toepassing is, bepaalt dat de belasting verschuldigd is door ieder gezinshoofd dat een op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen bebouwde eigendom volledig of gedeeltelijk als eerste of tweede verblijfplaats bewoont en dat volgens die ordonnantie als gezin wordt beschouwd, ofwel een alleenstaande persoon, ofwel een vereniging van twee of meerdere personen die gewoonlijk in eenzelfde woning verblijven en er in gemeenschap leven.

Volgens artikel 3, § 1, c), zoals het in deze zaak van toepassing is, is de belasting verschuldigd door de volle eigenaar of, bij gebreke aan een volle eigenaar door de erfpachter, de vruchtgebruiker of de houder van een recht van gebruik van een bebouwde eigendom of van een gedeelte ervan, gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die niet bestemd is voor een in a) hierboven bedoeld gebruik.

Het Hof heeft in zijn arrest van 14 mei 2010 het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld om uit te maken of artikel 3, § 1, c), van die ordonnantie, vóór de wijziging ervan bij artikel 2 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 1 maart 2007, in samenhang gelezen met artikel 3, § 1, a), en, voor zover nodig, artikel 3, § 1, a), van de genoemde ordonnantie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in de interpretatie die moet worden gevolgd zoals het Hof zegt in zijn antwoord op het eerste onderdeel in zijn arrest van 14 mei 2010, en volgens welke

- zij, enerzijds, van de toepassingssfeer van de in die ordonnantie bedoelde belasting de eigenaars uitsluiten van een op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gelegen bebouwde eigendom of de houders van zakelijke rechten op een dergelijk goed die dat goed bestemmen voor een gebouw van collectief wonen dat afzonderlijke flats bevat die ieder door een gezin worden betrokken, zoals een seniorenresidentie,

- maar, anderzijds, die belasting ten laste leggen van de eigenaars of de houders van zakelijke rechten die dat goed bestemmen voor de collectieve huisvesting van bejaarden,

terwijl zowel eerstgenoemden als laatstgenoemden houders zijn van een eigendomsrecht of van andere zakelijke rechten op een gebouw dat bestemd is voor bewoning en dus voor een residentiële bestemming.

Bij het arrest nr. 92/2011 van 31 mei 2011 heeft het Grondwettelijk Hof die vraag bevestigend beantwoord.

Het bestreden arrest vermeldt dat "de bewoners die collectief gehuisvest zijn in het pand van de [eiseres] in Jette niet in afzonderlijke flats binnen hetzelfde gebouw wonen [en dat] zij dus evenmin personen zijn die in dezelfde woning een gemeenschappelijk leven leiden onder het gezag van een gezinshoofd".

Het oordeelt dat de personen die in dat pand verblijven, gelet op de collectieve aard van hun huisvesting, geen gezinnen zijn in de zin van voornoemd artikel 3, § 1, a), en dat de eiseres, als "eigenaar van een pand dat voor een dergelijke huisvesting dient, onder de toepassing valt van artikel 3, § 1, c)".

Het bestreden arrest dat aldus toepassing maakt van die ongrondwettige bepaling, verantwoordt niet naar recht zijn beslissing om de vordering van de eiseres tot teruggave van de litigieuze belastingen niet-gegrond te verklaren.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat het hoofdberoep ontvankelijk verklaart;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 16 december 2011 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De waarnemend eerste voorzitter,

Vrije woorden

  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest

  • Gewestbelasting ten laste van bezetters van bebouwde eigendommen en houders van een zakelijk recht op sommige onroerende goederen

  • Artikel 3, § 1, a) en c) van de ordonnantie van 23 juli 1992

  • Miskenning van het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie inzake belastingen