- Arrest van 20 december 2011

20/12/2011 - P.11.0447.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de interpretatie die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft aan het recht op bijstand van een raadsman, blijkt niet dat zulks vereist is wanneer met betrekking tot de feiten ten laste van de verdachte of beklaagde een monstername of een huiszoeking wordt uitgevoerd.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0447.N

1. J G J V

beklaagde,

2. GARAGE V nv,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

T V,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 januari 2011.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste en tweede onderdeel

1. De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers' conclusie dat zij niet werden ingelicht van hun zwijgplicht en hun recht op bijstand van een raadsman (eerste onderdeel) alsook dat hun recht op een eerlijk proces werd miskend doordat zij bij de monsternames en de huiszoeking geen bijstand van een raadsman hebben kunnen genieten (tweede onderdeel).

2. Het arrest oordeelt dat het recht op bijstand van een raadsman alleen geldt voor fysieke personen, met name de eerste eiser, en dat volgens de actuele stand van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dit recht geldt tijdens het politieverhoor in de fase van de vrijheidsberoving. Verder stelt het arrest vast dat de eerste eiser nooit van zijn vrijheid werd beroofd en alle gelegenheid had om een raadsman te raadplegen, zodat het recht van de eisers op een eerlijk proces niet werd miskend.

Het arrest beantwoordt aldus eisers' verweer met betrekking tot de "cautieplicht" en de afwezigheid van een raadsman bij de overige onderzoekshandelingen.

De onderdelen missen feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: in conclusie hebben de eisers doen gelden dat hun recht op bijstand van een raadsman werd miskend, niet alleen omdat zij geen bijstand van een raadsman hebben genoten tijdens de verhoren, maar ook omdat de monsternames en de huiszoeking buiten de aanwezigheid van een raadsman hebben plaatsgevonden; het arrest beperkt zich tot een onderzoek van het recht op bijstand wat het verhoor van de verdachte betreft, zonder eveneens de wettigheid van de monsternames of van de huiszoeking in het licht van dit recht op bijstand te onderzoeken.

4. Uit de interpretatie die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft aan het recht op bijstand van een raadsman, blijkt niet dat zulks vereist is wanneer met betrekking tot de feiten ten laste van de verdachte of beklaagde een monstername of een huiszoeking wordt uitgevoerd.

Het onderdeel faalt naar recht.

Vierde onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, en artikel 14.1 en 14.3.d IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest beperkt ten onrechte het recht op bijstand van een raadsman tot de hypothese waarin de verdachte die wordt verhoord, van zijn vrijheid is beroofd.

6. Het arrest (p. 42, ro. 9.2.4 en 9.2.5) overweegt: "Volgens de actuele stand van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (...) zou het feit dat een verdachte niet werd bijgestaan in de fase van de vrijheidsberoving een aantasting van artikel 6.3.c EVRM inhouden. (...) De eerste [eiser] is in het kader van deze strafvordering echter nooit van zijn vrijheid beroofd en beschikte steeds over het recht van komen en gaan wanneer hij verhoord werd; zo kon hij zich bij ieder verhoor, zo hij dit wenste, verwijderen om een advocaat te raadplegen teneinde een strategie van verdediging, ook met betrekking tot het voorgenomen of aan de gang zijnde verhoor, voor te bereiden. (...) Het hof (van beroep) stelt vast dat het recht van verdediging van de eerste [eiser], en van de tweede [eiseres] die handelde door zijn toedoen, in dit strafproces, dat in zijn geheel moet worden beschouwd, niet werd geschonden."

Met die reden verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht dat eisers' recht op een eerlijk proces en recht van verdediging niet werd miskend.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten op 207,60 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Koen Mestdagh en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 20 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Strafonderzoek

  • Recht op een eerlijk proces

  • Beklaagde

  • Monstername of huiszoeking

  • Recht op bijstand van een raadsman