- Arrest van 21 december 2011

21/12/2011 - P.11.2042.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon met het oog op zijn verwijdering is geen onmenselijke of vernederende behandeling wanneer de uitvoeringsmodaliteiten zelf van de vrijheidsberoving niet betwist worden en de minder dwingende maatregelen die de terugkeer moeten verzekeren door toedoen van de betrokken onderdaan ontoereikend zijn gebleken.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2042.F

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK,

tegen

K. S.,

Mr. Dominique Andrien, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 1 december 2011.

De eiser voert in een verklaring van cassatieberoep die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep

De verweerder voert aan dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is omdat artikel 31, § 1 en 2, Voorlopige Hechteniswet alleen in dat rechtsmiddel voorziet tegen arresten en vonnissen waarbij de hechtenis wordt gehandhaafd.

Het cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen het arrest dat uitspraak doet met toepassing van artikel 72 Vreemdelingenwet, wordt evenwel noch door die bepaling, noch door het voormelde artikel 31 geregeld, maar door artikel 359, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, waarin geen sprake is is van de beperkende voorwaarde die de verweerder erin wil lezen.

Vermits de door de verweerder voorgestelde prejudiciële vraag gericht is tegen artikel 72 Vreemdelingenwet, heeft zij betrekking op een bepaling die geen verband houdt met de ontvankelijkheidsvoorwaarden van het cassatieberoep.

Er is dus geen reden om ze te stellen.

Eerste middel

1. Wanneer de onderzoeksgerechten kennis nemen van een beroep van een vreemdeling tegen een vrijheidsberovende maatregel met het oog op diens verwijdering van het grondgebied, gaan zij alleen na of de maatregel alsook de beslissing tot verwijdering waarop zij steunt, in overeenstemming zijn met de wet, zonder zich te mogen uitspreken over hun gepastheid.

Het wettigheidstoezicht heeft betrekking op de formele geldigheid van de akte, met name of zij wel gemotiveerd is en of zij wel in overeenstemming is zowel met de internationale rechtsnormen die rechtstreeks van toepassing zijn in de interne rechtsorde, waaronder richtlijn 2008/115/EG van 16 december 2008, als met de Vreemdelingenwet.

De toetsing houdt eveneens in dat wordt nagegaan of de door de bestuurlijke overheid aangevoerde feiten zich werkelijk hebben voorgedaan en met de werkelijkheid overeenstemmen. De rechter onderzoekt daarbij of de beslissing wel steunt op een redengeving zonder kennelijke beoordelingsfout of feitelijke vergissing.

Artikel 237, derde lid, Strafwetboek alsook het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten verbieden het onderzoeksgerecht na te gaan of de maatregel deugdelijk, relevant of doeltreffend is.

2. Het arrest wijst erop dat reeds tot tweemaal toe tegen de eiser een bevel is uitgevaardigd om het grondgebied te verlaten, dat hem telkens ter kennis is gebracht zonder dat hij van zijn vrijheid werd beroofd, dat hij de maatregelen tot verwijdering niet heeft nageleefd, dat tegen hem een derde bevel is uitgevaardigd, ditmaal samen met een beslissing tot vasthouding in een welbepaalde plaats, en dat de rechtspleging regelmatig is.

Het arrest beslist om de eiser niettemin vrij te laten, op grond dat hij een vast adres heeft, met goede resultaten middelbaar onderwijs volgt en zich nooit in ongunstige zin bij de overheid heeft doen opmerken. De appelrechters leiden daaruit af dat de hechtenis, enerzijds, als een onmenselijke en vernederende behandeling en, anderzijds, als een onevenredige inmenging in het privé- en gezinsleven van de eiser diende beschouwd te worden.

3. Elke daad waarbij opzettelijk hevige pijn of ernstig lichamelijk of moreel leed wordt toegebracht, is een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 EVRM. Onder vernederende behandeling wordt begrepen, elke daad die bij degene die ze ondergaat, in andermans of eigen ogen, zware vernedering of verlies van waardigheid veroorzaakt.

De rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon met het oog op zijn verwijdering is een maatregel die bij artikel 5.1.f EVRM is bepaald en is geen onmenselijke of vernederende behandeling in bovenvermelde zin, wanneer, zoals uit het arrest blijkt, de uitvoeringsmodaliteiten zelf van de vrijheidsberoving niet betwist worden en de minder dwingende maatregelen die de terugkeer moeten verzekeren, door toedoen van de betrokken onderdaan onvoldoende zijn gebleken.

4. Het recht op eerbiediging van het privé-leven, dat bij artikel 8 EVRM is bepaald, is geen onbeperkt recht. Die bepaling sluit de inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dat recht niet uit, wanneer die inmenging bij wet is bepaald en een maatregel is die in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid, de goede zeden of de rechten en vrijheden van anderen.

Uit het feit dat een vreemdeling die op onwettige wijze in het Rijk verblijft, een vast adres heeft, slaagt voor het middelbaar onderwijs, niet bekend staat bij de politie en niet gehoorzaamt aan de bevelen om het grondgebied te verlaten die hem zonder dwang ter kennis zijn gebracht, kan niet worden afgeleid dat zijn vrijheidsberoving volgens de wettelijke voorschriften niet langer beantwoordt aan het doel dat bij artikel 8.2 EVRM is bepaald of een handeling zou zijn die buiten verhouding staat tot de verwijdering die met minder dwingende maatregelen niet kon worden verzekerd.

Bijgevolg verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Er is geen grond om acht te slaan op het tweede middel, dat niet tot cassatie zonder verwijzing kan leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 21 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Arrestatie of detentie met het oog op verwijdering van het grondgebied

  • Onmenselijke en vernederende behandeling