- Arrest van 22 december 2011

22/12/2011 - C.11.0005.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Bij wijziging van de bestemming van bedrijfsruimten ingevolge een stedenbouwkundige vergunning dient de aard van de leegstaande of verwaarloosde gebouwen te worden beoordeeld naar de gewijzigde bestemming (1). (1) Zie de andersluidende concl. van het OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0005.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, voor wie optreedt de Vlaamse minister bevoegd voor Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, met kantoor te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 19,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. L B,

2. B P,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 mei 2008.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 3 oktober 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 2, 5°, van het Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten [hierna: Leegstandsdecreet] verstaat onder inventaris "het instrument dat alle leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten bevat die aan een heffing kunnen worden onderworpen en/of voor een financiële steun voor vernieuwing in aanmerking komen".

Artikel 2, 1°, van hetzelfde decreet verstaat onder bedrijfsruimten "de verzameling van alle percelen waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en waar een economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt".

Artikel 2, eerste lid, van het Besluit van de Vlaamse regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het Leegstandsdecreet bepaalt dat de verzameling van alle percelen waarop zich minstens één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en waar een economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt en die geheel of gedeeltelijk leegstaat en/of gedeeltelijk verwaarloosd is, onder de toepassing van dit besluit valt.

Krachtens artikel 2, tweede lid, van voormeld besluit is de laatste hoofdactiviteit terzake bepalend of voor nieuwe bedrijfsruimten de bestemming die aan de gebouwen in de stedenbouwkundige vergunning werd gegeven.

2. Hieruit volgt dat bij wijziging van de bestemming ingevolge een stedenbouwkundige vergunning voor de toepassing van voormelde bepalingen de aard van de leegstaande of verwaarloosde gebouwen dient te worden beoordeeld naar de gewijzigde bestemming.

3. De appelrechter stelt vast dat:

- de verweerders eigenaar zijn van een voormalige boerderij met berging, schuur en stallingen;

- aan de verweerders op 3 december 2001 een vergunning werd afgeleverd om van het hoevegebouw een residentiële woning te maken;

- het registratieattest van 5 april 2004 melding maakt van de volledige leegstand en van de kenmerken van verwaarlozing van de schuur en de stallingen.

De appelrechter oordeelt dat de kwestieuze schuur oorspronkelijk een bedrijfsgebouw bij een landbouwonderneming was en het verlenen van een vergunning voor de functiewijziging van de woning automatisch impliceerde dat ook de vroegere bedrijfsgebouwen hun agrarische functie verloren en van dan af als woningbijgebouwen dienden aanzien te worden.

4. Door op deze gronden te oordelen dat de kwestieuze schuur ten onrechte werd geregistreerd op basis van het Leegstandsdecreet, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 529,26 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 22 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Leegstand en verwaarlozing

  • Bedrijfsruimten

  • Stedenbouwkundige vergunning

  • Bestemmingswijziging

  • Gebouwen

  • Aard

  • Beoordeling

  • Criterium