- Arrest van 22 december 2011

22/12/2011 - C.11.0007.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het gezag van het gewijsde in strafzaken, dat verhindert dat de feiten, die het voorwerp van de strafrechtelijke beslissing uitmaakten, opnieuw worden betwist naar aanleiding van een latere procedure voor de burgerlijke rechter, geldt alleen voor hetgeen zeker en noodzakelijk is beslist door de strafrechter met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken (1). (1) Cass. 24 april 2009, AR C.07.0120.N, AC 2009, nr. 275, met concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0007.N

ETHIAS nv, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. D W,

2. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde van 26 mei 2010.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

1. Het gezag van het gewijsde in strafzaken verhindert dat de feiten, die het voorwerp van de strafrechtelijke beslissing uitmaakten, opnieuw worden betwist naar aanleiding van een latere procedure voor de burgerlijke rechter.

Dit gezag van rechterlijk gewijsde geldt alleen voor hetgeen zeker en noodzakelijk is beslist door de strafrechter met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de beslissing in strafzaken uitmaken.

2. Het bestreden vonnis stelt vast dat:

- de eerste verweerder bij vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Oudenaarde van 13 december 2002 werd vrijgesproken voor het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen voor het ongeval van 23 december 1999;

- het ongeval te wijten was aan het optrekken van de handrem;

- degene die aan de handrem heeft getrokken op dat moment als bestuurder van het voertuig moet beschouwd worden;

- de eerste verweerder bij het voormeld vonnis van 13 december 2002 werd vrijgesproken omdat er onzekerheid was wie het voertuig bestuurde.

3. Uit die gegevens volgt niet noodzakelijk en zeker dat, volgens de strafrechter, de eerste verweerder geen bestuurder maar wel passagier was van het voertuig.

4. Door te beslissen dat de eerste verweerder in deze omstandigheden op grond van zijn vrijspraak bij het vonnis van 13 december 2002 niet als bestuurder kan worden aangezien in het kader van de vordering op grond van artikel 29bis WAM, schenden de appelrechters de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent, rechtszitting houdende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 22 december 2011 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Begrip