- Arrest van 3 januari 2012

03/01/2012 - P.11.0894.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en krachtens artikel 14.7 I.V.B.P.R. mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken; dit verbod van een tweede berechting of bestraffing veronderstelt dat de beide berechtingen of bestraffingen betrekking hebben op eenzelfde persoon en dat de eerste berechting of bestraffing op het ogenblik van de tweede berechting of bestraffing is afgesloten met een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land definitief is; die vereiste houdt wat betreft door de belastingsautoriteiten inzake personenbelasting opgelegde sancties in dat die sancties niet meer met een bezwaar bij de belastingsautoriteiten kunnen worden betwist en niet meer met een gewoon rechtsmiddel voor de rechter kunnen worden aangevochten (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0894.N

1. C. M. P. M. C.,

inverdenkinggestelde,

2. F. C. A. D.,

inverdenkinggestelde,

3. F. A. J.-M. G.,

inverdenkinggestelde,

eisers,

met als raadsman mr. Michel Maus, advocaat bij de balie te Brugge.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 april 2011.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft op de rechtszitting van 3 januari 2012 verslag uitgebracht en de voornoemde eerste advocaat-generaal heeft mondeling geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Een inverdenkinggestelde kan slechts onmiddellijk cassatieberoep instellen tegen een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling over zijn hoger beroep tegen een verwijzingsbeschikking in gelijkaardige gevallen als waarin hij overeenkomstig artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering hoger beroep kan instellen.

2. Het arrest oordeelt terecht dat de hogere beroepen van de eisers tegen de verwijzingsbeschikking niet ontvankelijk zijn in zoverre die betrekking hebben op de verwijzing wegens bezwaren.

De tegen die beslissing gerichte cassatieberoepen zijn niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat uit de door de eisers overgelegde stukken niet blijkt dat er effectief reeds een administratieve sanctie werd opgelegd inzake btw en personenbelasting geeft het arrest aan de door de eisers voor de appelrechters overgelegde stukken 19, 20, 21, 22 en 24 een betekenis die niet verenigbaar is met de volledige inhoud ervan en miskent het mitsdien de bewijskracht ervan.

4. Met het uit de vordering van het openbaar ministerie (p. 12, ro 2) overgenomen oordeel (p. 17, voorlaatste alinea) dat "uit deze stukken (niet blijkt) of er effectief reeds een administratieve sanctie werd opgelegd inzake btw en personenbelasting", verwijst het arrest niet naar de door de eisers voor de appelrechters overgelegde stukken 19, 20, 21, 22 en 24, maar wel naar de door hen voor de raadkamer overgelegde stukken 11 en 12. Het arrest kan bijgevolg de bewijskracht van de stukken 19, 20, 21, 22 en 24 niet miskennen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat geen betalingsbewijs voorligt van de beweerde fiscale regularisatie geeft het arrest aan de door de eisers voor de appelrechters overgelegde stukken 23 en 24 een betekenis die niet verenigbaar is met de volledige inhoud ervan en miskent het mitsdien de bewijskracht ervan.

6. Met het uit de vordering van het openbaar ministerie (p. 12, ro 2) overgenomen oordeel (p. 17, voorlaatste alinea) dat "evenmin (...) enig betalingsbewijs van de beweerde fiscale regularisatie voor(ligt)", verwijst het arrest niet naar de door de eisers voor de appelrechters overgelegde stukken 23 en 24, maar wel naar de stukken van het gerechtelijk onderzoek en naar de door de eisers voor de raadkamer overgelegde stukken. Het arrest kan bijgevolg de bewijskracht van de stukken 23 en 24 niet miskennen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, in samenhang met de artikelen 6, 1131, 1133 en 2044 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers tot bewijs van het definitief karakter van de hen opgelegde sancties een onherroepelijke dadingovereenkomst met uitdrukkelijke afstand van rechtsvordering dienen voor te leggen; in fiscale zaken is een dading in de zin van artikel 2044 Burgerlijk Wetboek evenwel uitgesloten en is een uitdrukkelijke afstand van rechtsvordering strijdig met het openbare orde-karakter van het fiscaal recht; het arrest heeft dan ook de bewijswaarde van de voor de appelrechters overgelegde stukken 19, 20, 21, 22, 23 en 24 (akkoordverklaringen en bevestigingen van betaling) juridisch verkeerd geïnterpreteerd; door niet op grond van de overgelegde stukken te onderzoeken of de fiscale verzetstermijnen reeds waren verstreken en dus of de eisers reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve en onherroepelijke sanctie in de zin van artikel 6 EVRM, miskent het arrest de bewijswaarde en de bewijskracht van deze stukken.

8. Met het uit de vordering van het openbaar ministerie (p. 12, ro 2) overgenomen oordeel (p. 17, voorlaatste alinea) dat "zonder voorlegging van een dadingovereenkomst waarin (uitdrukkelijk) afstand van rechtsvordering wordt gedaan, (...) deze aanslagen echter nog aangevochten (kunnen) worden voor de (burgerlijke) fiscale rechtbanken" en dat er "derhalve niet uitgemaakt (kan) worden of er een definitieve administratieve sanctie werd opgelegd", geeft het arrest geen uitlegging van de stukken van het gerechtelijk onderzoek en van de voor de raadkamer overgelegde stukken en verwijst het arrest evenmin naar de voor de appelrechters overgelegde stukken. Het arrest kan bijgevolg de bewijskracht van deze stukken niet miskennen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: door te oordelen dat aan de eisers voor het jaar 2008 geen belastingsverhoging werd overgelegd geeft het arrest aan de door de eisers voor de appelrechters overgelegde stukken 19 tot en met 24 een betekenis die niet verenigbaar is met de volledige inhoud ervan en miskent het de bewijskracht ervan.

10. Met het uit de vordering van het openbaar ministerie (p. 12, ro 2 en p. 13, ro 5) overgenomen oordeel (p. 17, voorlaatste alinea) dat er "echter geen sprake (is) van enige belastingverhoging voor het jaar 2008" en dat er in de door eisers overgelegde notities van onderhoud met de BBI "blijkbaar geen sprake is van enige belastingverhoging voor het jaar 2008", verwijst het arrest niet naar de voor de appelrechters overgelegde stukken 19 tot en met 24, maar wel naar de reeds voor de raadkamer overgelegde stukken 11 en 12. Het arrest kan bijgevolg de bewijskracht van stukken 19 tot en met 24 niet miskennen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede en derde middel

11. Het eerste onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 6 EVRM in samenhang met artikel 444 WIB92 en artikel 70 Btw-wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de toetsing van het strafrechtelijk karakter van een sanctie in de zin van artikel 6 EVRM afhangt van de beoordeling of de opgelegde belastingsverhoging en boete zeer zwaar zijn en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de ernst van de overtreding en de concrete gegevens en de context waarin die werd begaan; de aard en de zwaarte van de sanctie moeten immers abstract en in het licht van de maximumsanctie worden beoordeeld; bovendien zijn de ernst van de overtreding en de concrete gegevens en context waarin die is begaan irrelevant voor de beoordeling van het strafrechtelijk karakter van een sanctie.

Het tweede onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, in samenhang met artikel 444 WIB92 en artikel 70 Btw-wetboek het arrest oordeelt ten onrechte dat de toetsing van het strafrechtelijk karakter van een sanctie in de zin van artikel 6 EVRM afhangt van een in een bepaalde zaak opgelegde sanctie en dus geval per geval moet worden beoordeeld; die toetsing heeft geen individueel en in concreto karakter, maar moet gebeuren aan de hand van de wettelijke norm op grond waarvan de sanctie werd opgelegd; het is de sanctionerende norm die het karakter van de sanctie bepaalt en niet de sanctie in een bepaalde zaak.

Het derde middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14.7 IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat fiscaal-administratieve sancties cumuleerbaar zijn met fiscale strafsancties; er is immers een schending van het non bis in idem-beginsel indien in hoofde van eenzelfde persoon strafrechtelijk erkende sancties elkaar opvolgen en beide sancties dezelfde feiten of substantieel dezelfde feiten bestraffen.

12. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en krachtens artikel 14.7 IVBPR mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

Dit verbod van een tweede berechting of bestraffing veronderstelt dat de beide berechtingen of bestraffingen betrekking hebben op eenzelfde persoon en dat de eerste berechting of bestraffing op het ogenblik van de tweede berechting of bestraffing is afgesloten met een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land definitief is.

13. Met overname van de vordering van het openbaar ministerie (p. 14, ro 6) oordeelt het arrest (p. 17, voorlaatste alinea) onder meer dat de toepassing van het non bis in idem-beginsel vereist dat wordt nagegaan of zij aan wie een administratieve boete of belastingsverhoging werd opgelegd dezelfden zijn als zij die voor de strafrechter worden vervolgd (vereiste van identiteit van personen) en dat bijgevolg een aan Coast-Adventure vzw opgelegde administratieve sanctie of belastingverhoging inzake de vennootschapsbelasting of btw geen beletsel vormt voor een vervolging van de eisers als mededader aan de fiscale inbreuken inzake vennootschapsbelasting en btw, aangezien hen voor die inbreuken nog geen penale sanctie werd opgelegd.

Met die zelfstandige redenen verwerpt het arrest eisers' vordering om de strafvordering wat betreft de telastleggingen A1 tot en met A6 (niet-indienen van btw-aangiften inzake Coast-Adventure vzw) en B1 tot en met B6 (niet-indienen van aangiften in de vennootschapsbelasting inzake Coast-Adventure vzw) onontvankelijk te verklaren.

Het tweede en derde middel die deze beslissing aanvechten, zijn gericht tegen overtollige redenen en in zoverre niet ontvankelijk.

14. De vereiste dat de eerste berechting of bestraffing op het ogenblik van de tweede berechting of bestraffing moet afgesloten zijn met een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land definitief is, houdt wat betreft door de belastingsautoriteiten inzake personenbelasting opgelegde sancties in dat die sancties niet meer met een bezwaar bij de belastingautoriteiten kunnen worden betwist en niet meer met een gewoon rechtsmiddel voor de rechter kunnen worden aangevochten.

15. Met overname van de vordering van het openbaar ministerie (p. 12, ro 2 en 4) oordeelt het arrest (p. 17, voorlaatste alinea) onder meer eensdeels dat definitief opgelegde administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter de strafvordering kunnen doen vervallen en anderdeels dat er mogelijk effectief aanvullende aanslagen en sancties werden ingekohierd en betaald en dat de eisers deze aanslagen nog kunnen aanvechten voor de burgerlijke fiscale rechtbanken, zodat op basis van de stukken niet kan worden uitgemaakt of er een definitieve administratieve sanctie werd opgelegd.

Met die zelfstandige redenen verwerpt het arrest eisers' vordering om de strafvordering wat betreft de telastleggingen C1 tot en met C4 (niet-aangifte in de personenbelasting inzake de eerste eiser), C5 tot en met C8 (niet-aangifte in de personenbelasting inzake de tweede eiser) en C9 tot en met C12 (niet-aangifte in de personenbelasting inzake de derde eiser) onontvankelijk te verklaren.

Het tweede en derde middel die deze beslissing aanvechten, zijn gericht tegen overtollige redenen en in zoverre niet ontvankelijk.

Prejudiciële vragen

16. De eisers verzoeken het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

17. "Schendt artikel 449 WIB92 het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en met artikel 14, 7°, IVBPR, door het mogelijk te maken dat personen aan wie bij toepassing van artikel 444 WIB92 een belastingverhoging van 50% werd opgelegd en die deze belastingverhoging hebben betaald, naderhand nog strafrechtelijk kunnen worden vervolgd?

18. Schendt artikel 73 Btw-wetboek het gelijkheidsbeginsel en de artikelen 10 en 11 Grondwet, samen gelezen met het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en met artikel 14, 7°, IVBPR, door het mogelijk te maken dat personen aan wie bij toepassing van artikel 70 Btw-wetboek een administratieve geldboete van 50% werd opgelegd en die deze administratieve geldboete hebben betaald, naderhand nog strafrechtelijk kunnen worden vervolgd?"

17. Aangezien de middelen die de prejudiciële vragen opwerpen niet ontvankelijk zijn om redenen die vreemd zijn aan de wettelijke bepalingen die het voorwerp van die vragen uitmaken, dient het Hof de vragen niet te stellen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Bepaalt de kosten op 97,88 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 3 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Non bis in idem

  • Personenbelasting

  • Voorwaarden

  • Toepassing