- Arrest van 6 januari 2012

06/01/2012 - C.10.0384.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel, dat melding maakt van de schending van een wettelijke bepaling, voldoet aan het vereiste van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk het verzoekschrift de vermelding moet bevatten van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, op voorwaarde dat die schending kan leiden tot de vernietiging van het bestreden dictum (1). Cass. 21 dec. 2007, AR C.06.0155.F, AC, 2007, nr. 660, met concl. O.M. in Pas., 2007, nr. 660.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0384.F

G. M.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

STAD ROCHEFORT,

in aanwezigheid van

FRANSE GEMEENSCHAP,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 11 september 2007 van het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- artikel 84, § 2, van de gemeentewet van 30 maart 1836, vóór de coördinatie ervan bij het koninklijk besluit van 24 juni 1988 tot codificatie van de gemeentewet onder het opschrift Nieuwe Gemeentewet, bekrachtigd bij de wet van 26 mei 1989.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verwerpt de door de eiseres ingestelde vordering tot schadevergoeding en veroordeelt haar in de kosten van de beide aanleggen, vereffend op 925,63 euro, om de volgende redenen :

"Uit de neergelegde stukken blijkt dat (de eiseres) slechts één keer werd benoemd, met name op 27 augustus 1971;

Die vaste benoeming bepaalde dat 'het aantal uren dat eenieder moet presteren, zal worden vastgesteld in het lesrooster van september 1971' ; dat kwam in werkelijkheid neer op 16 lesuren beroepstechnieken en -praktijk in het lager secundair onderwijs vanaf 1 september 1971 (...);

Het feit dat (de eiseres) vervolgens werd gevraagd om meer uren les te geven, waardoor zij zelfs een volledig lesrooster van 24 uren verkreeg, heeft geen weerslag op het aantal uren waarop haar benoeming betrekking heeft, ook al werden die uren tegen hetzelfde tarief betaald als de andere;

(De verweerster) legt thans een document over van het algemeen bestuur onderwijspersoneel van de Franse Gemeenschap van 4 december 2003, waaruit blijkt dat [de eiseres], tijdens het jaar 1982-1983, 24 uren les heeft gegeven, waarvan 5 tijdelijke (dus 19 vaste uren), in 1983-1984, 24 uren waarvan 5 tijdelijke (dus 19 vaste uren), in 1984-1985, 24 uren waarvan 4 tijdelijke (dus 20 vaste uren), en dat zij in 1985-1986 wel 4 tijdelijke lesuren heeft overgehouden, maar verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden heeft gevraagd en dat dit verlof in feite betrekking had op de in vast verband gepresteerde uren;

Hieruit kan worden afgeleid dat een terbeschikkingstelling voor de uren die niet begrepen zijn in de vaste benoeming, geen weerslag zou hebben gehad op de thans gevorderde wachtweddetoelage;

(De eiseres) toont niet aan dat (de verweerster), en nog minder (de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij), een fout zou hebben begaan die haar schade heeft berokkend".

Grieven

Krachtens artikel 84, § 2, van de gemeentewet van 30 maart 1836 benoemt de gemeenteraad de personeelsleden wier benoeming niet door de wet wordt geregeld.

In haar conclusie betoogde de eiseres dat het "vaststaat dat (de verweerster), tijdens haar gehele loopbaan, aan de subsidiërende overheid heeft verklaard dat (de eiseres) al haar prestaties (een ambt met volledige prestaties, dus 24 lestijden) heeft verricht terwijl ze vast benoemd was. Dit is nooit betwist: dit is de (reguliere) situatie van (de eiseres) vanaf september 1976 tot het begin van het schooljaar 1982. Volgens de rechtspraak (dat wil zeggen, voordat decreten deze aangelegenheid hebben verduidelijkt) staat het dus vast dat, wanneer een leerkracht vast benoemd werd zonder vermelding van het aantal lesuren en hem later - zoals dat voor (de eiseres) het geval is - zonder enig voorbehoud of zonder enige verduidelijking meer ambtsbevoegdheden worden toegekend, zulks betekent dat 'de tegenpartij (de stad) de ambtsbevoegdheden in vast verband van verzoekster noodzakelijkerwijze heeft uitgebreid' (Raad van State, nr. 26.309 van 26 maart 1986). Daarover bestaat geen betwisting, temeer daar de prestaties aldus, zoals te dezen, ten behoeve van de subsidiërende overheid formeel als "vast" zijn omschreven. Zowel het beginsel van de vastheid van de gemeentelijke betrekkingen als de toepassing, door analogie, van de basisbeginselen van het statuut van het onderwijzend personeel van de Gemeenschap, die destijds zijn vastgelegd in de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 maart 1969, leggen een dergelijke regeling op".

Vóór de inwerkingtreding van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd rijksonderwijs, bestond er geen enkele bepaling waarin de benoeming en de voorwaarden waaronder de tijdelijk aangestelde leden van het door de gemeenten ingerichte secundair onderwijs vast benoemd konden worden, formeel waren vastgelegd. Bijgevolg was de gemeenteraad van de verweerster krachtens de gemeentewet van 30 maart 1836 bevoegd om de eiseres te benoemen en, in voorkomend geval, het lesrooster te wijzigen waarvoor zij vast benoemd was. Wanneer de gemeenteraad, na een oorspronkelijke vaste benoeming, het in die oorspronkelijke benoeming vastgelegde lesrooster zonder voorbehoud uitbreidt, dan vormt dit een benoeming in de zin van artikel 84, § 2, van de gemeentewet.

Hieruit kan worden afgeleid dat, wanneer de inrichtende macht het aantal lesuren van een leerkracht zonder voorbehoud uitbreidt, zijn vaste benoeming impliciet maar noodzakelijkerwijs wordt aangevuld met het aantal toegekende uren.

Het arrest stelt vast dat "(de eiseres), tijdens het jaar 1982-1983, 24 uren les heeft gegeven, waarvan 5 tijdelijke (dus 19 vaste uren), in 1983-1984, 24 uren waarvan 5 tijdelijke (dus 19 vaste uren), in 1984-1985, 24 uren waarvan 4 tijdelijke (dus 20 vaste uren), en dat zij in 1985-1986 wel 4 tijdelijke lesuren heeft overgehouden, maar verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden heeft gevraagd en dat dit verlof in feite betrekking had op de in vast verband gepresteerde uren". Het arrest erkent aldus dat het lesrooster van de eiseres verschillende keren werd uitgebreid, waardoor het vaste lesrooster werd gebracht op 19 uren voor de schooljaren 1982-1983 en 1983-1984 en op 20 uren vanaf het schooljaar 1984-1985.

Het arrest, dat beslist dat "uit de neergelegde stukken blijkt dat (de eiseres) slechts één keer werd benoemd, met name op 27 augustus 1971" en dat "(de) vaste benoeming (van de eiseres) bepaalde dat ‘het aantal uren dat eenieder moet presteren, zal worden vastgesteld in het lesrooster van september 1971'; dat kwam in werkelijkheid neer op 16 lesuren beroepstechnieken en -praktijk in het lager secundair onderwijs vanaf 1 september 1971", beslist impliciet maar noodzakelijkerwijs dat een uitbreiding, zonder voorbehoud, van het ambt door de bevoegde overheid, niet gelijkstaat met een vaste benoeming. Het schendt derhalve artikel 84, § 2, van de gemeentewet van 30 maart 1836. Uit de redenen van het arrest kan althans niet worden opgemaakt of het hof van beroep heeft willen beslissen dat alleen een formele akte van benoeming de ambtsbevoegdheden van de eiseres definitief had kunnen uitbreiden. De redenen van het arrest zijn bijgevolg dubbelzinnig en miskennen dus de motiveringsverplichting (schending van artikel 149 van de Grondwet) en stellen het Hof niet in staat de beslissing op zijn wettigheid te toetsen in het licht van artikel 84, § 2, van de gemeentewet van 30 maart 1836 (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

De eerste grond van niet-ontvankelijkheid, door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij opgeworpen tegen het middel: de schending van artikel 84, § 2, van de gemeentewet van 30 maart 1836 kan op zich niet leiden tot vernietiging:

Het middel, dat melding maakt van de schending van een wettelijke bepaling, voldoet aan het vereiste van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk het verzoekschrift de vermelding moet bevatten van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, op voorwaarde dat die schending kan leiden tot de vernietiging van het bestreden dictum.

Het arrest beslist dat het feit dat de verweerster de eiseres niet ter beschikking heeft gesteld voor de uren die niet zijn vervat in de vaste benoeming, geen fout aan de zijde van de verweerster oplevert, op grond dat "het feit dat [de eiseres], [na haar eenmalige vaste benoeming, die betrekking had op 16 lesuren], gevraagd werd om meer uren les te geven, waardoor zij zelfs een volledig lesrooster van 24 uren verkreeg, geen weerslag heeft op het aantal uren waarop haar benoeming betrekking had".

De schending van artikel 84, § 2, van de gemeentewet van 30 maart 1836, die het middel aanvoert om die reden te bekritiseren, zou, indien het middel gegrond was, volstaan om te leiden tot de vernietiging van de beslissing waarbij eiseres' vordering tot schadevergoeding verworpen wordt.

De tweede grond van niet-ontvankelijkheid, door de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij opgeworpen tegen het middel: het middel heeft geen belang:

Het arrest, dat vermeldt dat "een terbeschikkingstelling voor de uren die niet begrepen zijn in de vaste benoeming, geen weerslag zou hebben gehad op de thans door [de eiseres] gevorderde wachtweddetoelage", stelt, in tegenstelling tot wat de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij aanvoert, niet vast dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de fout, die hierin bestaat dat de eiseres niet ter beschikking is gesteld voor de uren die voor het schooljaar 1985-86 niet waren vervat in haar vaste benoeming, en de door laatstgenoemde aangevoerde schade, op grond dat zij "verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden heeft gevraagd en dat dit verlof in feite betrekking had op de in vast verband gepresteerde uren".

De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het middel

Krachtens artikel 84, § 2, van de gemeentewet van 30 maart 1836 benoemt de gemeenteraad de personeelsleden wier benoeming niet door de wet worden geregeld.

De gemeenteraad is bevoegd om een lid van het onderwijzend personeel van de gemeente vast te benoemen.

Wanneer een leerkracht vast benoemd wordt met een bepaald lesrooster, breidt de gemeenteraad die hem later, zonder voorbehoud, bijkomende lesuren toekent, zijn ambtsbevoegdheden noodzakelijkerwijs definitief uit.

Het arrest wijst erop dat "de vordering strekt tot vergoeding van de schade die [de eiseres] zou hebben geleden ten gevolge van de fout die [de verweerster] zou hebben begaan bij het vaststellen van de prestaties voor het schooljaar 1982-1983", dat "[de eiseres] aanvoert dat zij op 27 augustus 1971 vast werd benoemd en dat zij aldus, vanaf 1976-1977, een volledig lesrooster heeft gehad tot in 1982-1983, dat zij vanaf dat schooljaar op tijdelijke basis verschillende uren les heeft gegeven tot in 1985-1986", dat "zij beweert dat [de verweerster] haar eerst wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking ter beschikking had moeten stellen", dat "zij verklaart dat zij, in geval van gedeeltelijke of volledige schrapping van haar betrekking, na haar terbeschikkingstelling de wachtweddetoelage verder zou hebben ontvangen voor haar volledige lesrooster maar dat de op tijdelijke basis gepresteerde uren, omdat zij niet ter beschikking was gesteld, niet in aanmerking genomen zijn" en dat "zij dit beschouwt als een fout van [de verweerster], waarvoor zij moet worden veroordeeld tot vergoeding van de door haar aangevoerde schade".

Het arrest vermeldt dat "[de eiseres] slechts één keer werd benoemd, met name op 27 augustus 1971", dat "die vaste benoeming bepaalde dat ‘het aantal uren dat eenieder moet presteren, [zou worden vastgesteld] in het lesrooster van september 1971'; dat kwam in werkelijkheid neer op 16 lesuren beroepstechnieken en -praktijk in het lager secundair onderwijs vanaf 1 september 1971".

Het arrest stelt vast dat "[de eiseres], tijdens het jaar 1982-1983, 24 uren les heeft gegeven, waarvan 5 tijdelijke, dus 19 vaste uren, in 1983-1984, 24 uren waarvan 5 tijdelijke, dus 19 vaste uren, in 1984-1985, 24 uren waarvan 4 tijdelijke, dus 20 vaste uren".

Het arrest, dat beslist dat "het feit dat [de eiseres] [na 1 september 1971] werd gevraagd om meer uren les te geven, waardoor zij zelfs een volledig lesrooster van 24 uren verkreeg, geen weerslag heeft op het aantal uren waarop haar benoeming betrekking heeft", en hieruit afleidt dat "[de eiseres] niet aantoont dat [de verweerster] [...] een fout zou hebben begaan die haar schade heeft berokkend", schendt artikel 84, § 2, van de gemeentewet van 30 maart 1836.

Het middel is gegrond.

De eiseres heeft er daarenboven belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard ten aanzien van de daartoe voor het Hof opgeroepen partij.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest.

Verklaart het arrest bindend ten aanzien van de Franse Gemeenschap.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 6 januari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Wettelijke bepaling waarvan de schending wordt aangevoerd

  • Begrip

  • Ontvankelijkheid