- Arrest van 6 januari 2012

06/01/2012 - C.11.0025.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Hoewel artikel 1385 Burgerlijk Wetboek een wettelijk en niet weerlegbaar vermoeden van schuld aan de door een dier veroorzaakte schade instelt ten laste van de eigenaar van dat dier of ten laste van degene die zich ervan bedient terwijl hij het in gebruik heeft, sluit dat artikel niet uit dat die aansprakelijkheid vervalt bij gebrek aan oorzakelijk verband, met name wanneer het dier zich niet abnormaal noch onvoorzienbaar heeft gedragen en een fout van het slachtoffer de schade heeft veroorzaakt, waardoor elke mogelijke fout van de eigenaar of bewaarder als oorzaak van de schade wordt uitgeschakeld (1). (1) Cass. 26 feb. 1978, AR 7601, AC, 1986-87, nr. 383.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0025.F

C. D.,

Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

P. D.,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 juni 2010 gewezen door het hof van beroep te Luik.

Raadsheer Alain Simon heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 1382, 1383 en 1385 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verwijst naar de middelen van het beroepen vonnis en stelt volgende feiten vast: "(eiser) is landbouwer en zijn bedrijf paalt aan dat van zijn broer, (verweerder) die een landbouwbedrijf uitbaat als bijberoep; (eiser) is sinds twee jaar volledig arbeidsongeschikt nadat hij een houtblok in het aangezicht kreeg waaraan hij een ernstige handicap overhield; zijn rechteroog is blind en hij zijn rechteroor is gehandicapt; sindsdien krijgt hij hulp van E. W., een jonge man die handenarbeid voor hem verricht; op 17 april 2007 bleek de afsluiting die de beide bedrijven scheidt te zijn beschadigd door de grazende dieren van die beide broers die door mekaar liepen; (eiser) verklaart dat (verweerder) hem erop attent heeft gemaakt dat zijn stier nerveus was en op zijn weide liep; (verweerder) heeft aan (eiser) voorgesteld "'s avonds samen de afsluiting te bekijken om ze te herstellen" maar (eiser) verklaart dat hij reeds 's ochtends naar de weide was gegaan om de omvang van de herstelling te bepalen die zijn arbeider, E. W., in eerste instantie kon uitvoeren en die diezelfde avond zou worden voltooid zoals met (verweerder) was overeengekomen; terwijl hij zich in de weide bevond, heeft de stier die aan (verweerder) toebehoort (eiser) op de hoorns genomen en in de prikkeldraad geworpen waarin hij een uurlang bleef vastzitten tot de buren hem bevrijdden; (...) hij heeft ernstige letsels opgelopen die naar eigen zeggen niet te veronachtzamen gevolgen zullen nalaten; hij [vordert] de veroordeling (van de verweerder) tot het betalen van een provisioneel bedrag van 5.000 euro en de aanstelling van een geneesheer-deskundige (...); de eiser meent dat (verweerder) aansprakelijk is op grond van de artikelen1382 en 1385 van het Burgerlijk Wetboek",

en wijst vervolgens, met bevestiging van de beslissing van de eerste rechter, de vordering van de eiser af en veroordeelt hem in de kosten.

Het arrest grondt die beslissingen op de volgende redenen:

"1. Wat betreft de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek:

(Eiser) toont niet aan dat er een fout is die een oorzakelijk verband vertoont met de schade die (verweerder) heeft geleden doordat hij de zaken in hun oorspronkelijke staat zou hebben gelaten om uit werken te gaan en (eiser) heeft voorgesteld om die avond, samen met hem, de afsluiting te herstellen. Hij heeft (eiser) niet verplicht om de afsluiting onmiddellijk alleen te herstellen. Hoewel beide partijen toegeven dat de stier die dag tamelijk nerveus was toont (eiser) evenmin aan dat de stier die bewuste ochtend al moest worden afgezonderd, noch welke fout de verweerder zou hebben begaan door hem niet meteen op te sluiten. Het louter feit om een nerveuze stier in een weide te laten waar hij gewoonlijk toeft is ‘alledaags' voor een landbouwer en is geen fout. (Eiser) voert ten slotte tevergeefs aan dat (verweerder) redelijkerwijs had moeten weten dat hij als landbouwer net als iedere dag ook die dag zeker naar zijn weiden zou zijn gegaan. Zoals hierna wordt verduidelijkt, had hij moeten wachten op de komst van zijn arbeider om hem bij de herstelling van zijn afsluiting te helpen of had hij ten minste voorzichtiger moeten zijn in het besef dat er zich een nerveuze stier op de plaats van de feiten bevond.

(Eiser) blijft (verweerder) verwijten dat hij 'de stier in zijn box' had moeten plaatsen, alvorens naar zijn werk te gaan en dat hij hem heeft gevraagd zijn koeien terug te halen, maar hij bewijst hiermee niet dat de bijzondere omstandigheden van de zaak zoals hij die zelf beschrijft, een onmiddellijke afzondering van het dier vergden, noch dat de dieren die door elkaar liepen dringend moesten worden gescheiden. (Eiser) bewijst met andere woorden niet dat (verweerder), op de vermelde punten, niet zou hebben gehandeld zoals een normaal voorzichtig en bedachtzaam persoon - in dit geval een landbouwer - in een soortgelijke situatie. Bovendien bestaat er volgens (eiser) geen verband tussen het risico van een stier te midden van vaarzen 'die te jong zijn om bevrucht te worden' en de concrete gegevens waarop de eventuele aansprakelijheid van (verweerder) voor de oorzaken en gevolgen van de aangevoerde schade kan worden gesteund.

2. Wat betreft de toepassing van artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek:

(Eiser) heeft geen punt wanneer hij aanvoert dat hij ‘op de hoorns werd genomen door de stier' toen hij naar de weide is gegaan om de omvang van de herstelling in te schatten, aangezien de buurman M. verklaard heeft dat toen hij met andere personen naar het veld is gegaan om (eiser) ter hulp te komen, deze blijkbaar de afsluiting aan het herstellen was die de dieren even daarvoor hadden vernield. (...). Het gedrag van de stier (namelijk een mens te hebben aangevallen met wie hij vertrouwd was) lijkt niet abnormaal hoewel sommigen het dier omschrijven als zachtaardig en anderen als ‘een kreng', vermits beide partijen toegeven dat hij nerveus was door de aanwezigheid van loopse koeien. Toch wist (eiser), hetgeen hij ook niet betwist, dat de stier die ochtend opgewonden en nerveus was. Desalniettemin heeft hij niet alleen het risico genomen rond te gaan in de weide om de omvang van de schade in te schatten, maar ook om die te herstellen waardoor hij meer tijd in de weide heeft doorgebracht en alle aandacht had voor de herstelling. Doordat hij aldus alleen in de weide was hoewel hij reeds gehandicapt was aan rechteroog en -oor, hetgeen zijn visuele en auditieve waarnemingsvermogen beperkte, moet ervan worden uitgegaan dat hij een fout heeft begaan die heeft bijgedragen tot de schade. (Eiser) heeft immers zelf toegegeven dat zijn arbeider moest langskomen en verklaard dat hij hem wilde vragen de afsluiting te herstellen zodat hij, als hij de herstelling dringend achtte en niet wachten kon op de terugkeer (van verweerder), op zijn minst had kunnen wachten op de komst van zijn arbeider om samen de afsluiting te herstellen. Doordat hij alleen handelde met zijn rug naar de stier die mogelijk op hem kon afkomen, en die hij in de buurt wist, heeft hij een onvoorzichtig risico genomen dat helaas heeft bijgedragen tot de schade. Zodoende belet de fout van het slachtoffer dat de oorzaak van de schade ligt in een handeling van het dier dat zich niet abnormaal of onvoorzienbaar heeft gedragen, of in een fout van de eigenaar, zoals hierboven werd onderzocht. (Eiser) tilt zwaar aan het feit dat (verweerder) naar het werk is gegaan zonder zich te bekommeren om het vee en zonder enige maatregel te hebben getroffen om de stier af te zonderen hoewel hij wist dat die agressief was. Beide broers hadden nochthans een akkoord gesloten voor (verweerder) naar het werk vertrok en het bleek niet nodig te zijn om de stier af te zonderen om enig gevaar voor een voorzichtig landbouwer te vermijden. Hoewel het ongeval de eiser helaas aanzienlijk heeft geschaad , zijn ze het gevolg van het gebrek aan voorzichtigheid en voorzorg waarvan hij die dag blijk had gegeven.

Er moet inzonderheid beklemtoond worden dat: 1. (Eiser) als landbouwer bij het betreden van de weide niet alleen de aanwezigheid had moeten opmerken van een stier omgeven door loopse vaarzen maar ook had moeten weten dat die toestand een reëel probleem vormde voor elke persoon die de kudde zou naderen of in haar nabijheid zou komen. Hoewel geen enkele hoogdringendheid een onmiddellijke interventie vereiste - noch om de afsluiting te herstellen, noch om het vee af te zonderen - heeft (eiser) bewust dat ontegensprekelijk voorspelbaar risico gelopen; 2. (Eiser) heeft overigens nergens de bewering van (verweerder) ontkracht namelijk dat 'het gedrag van de stier volledig in de lijn lag van de aard van een mannelijk dier in aanwezigheid van loopse vrouwelijke dieren' (...) 3. Elke discussie over de kwestie of (eiser), op het ogenblik dat de stier aanviel, reeds bezig was met het herstellen van de afsluiting - een taak die hij allerminst onverwijld diende aan te vatten aangezien er geen enkele gezagsverhouding bestond tegenover (verweerder) - van geen enkel werkelijk belang is voor de oplossing van het geschil aangezien het volstaat op te merken dat (eiser), tegen alle elementaire voorzichtigheidregels in, in de weide was gegaan en zich door eigen toedoen in de buurt van een dier bevond wiens agressieve houding, door omstandigheden waarvan hij zich bewust was of moest zijn, normaliter in de lijn van de verwachtingen lag voor een bedachtzaam landbouwer; 4. (Eiser) zich aldus vrijwillig en zonder enige dwang vooraf of op het ogenblik zelf aan een gevaar heeft blootgesteld dat hij had kunnen vermijden, hetzij door de weide niet in te gaan, hetzij door de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen om elke aanval van de stier te voorkomen. Dergelijke voorzorgen moesten des te meer worden genomen wegens de handicap van 'eiser' waardoor zijn visuele en auditieve waarnemingsvermogens onvermijdelijk beperkter waren. In die omstandigheden ligt alleen de onvoorzichtigheid van (eiser) bijgevolg aan de oorsprong van de door het dier toegebrachte letsels zodat (verweerder) in voldoende mate de grond van vrijstelling bewijst die hem van elke aansprakelijkheid vrijstelt, ondanks het in artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde wettelijk vermoeden'.

(...)

Vijfde onderdeel

Artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek stelt een wettelijk en niet weerlegbaar vermoeden van schuld in ten laste van de eigenaar of bewaarder van het dier voor de schade die het dier veroorzaakt. Die bepaling sluit niet uit dat de aansprakelijkheid van de eigenaar of van de bewaarder vervalt als er geen oorzakelijk verband is, dat is als de fout van het slachtoffer de daad van het dier heeft uitgelokt of die elke fout van de eigenaar of bewaarder van het dier uitsluit als oorzaak van de schade.

Dat is slechts mogelijk als de onweerlegbaar vermoede fout van de eigenaar of bewaarder van het dier door het materiële gedrag van het dier dat aan de oorsprong ligt van de schade is uitgeschakeld als oorzaak van de schade, hetgeen impliceert dat de eigenaar of bewaarder van het dier volledig vreemd is aan de gebeurtenissen waarin het dier schade heeft toegebracht aan een derde.

In casu stelt het arrest de verweerder vrij van elke aansprakelijkheid voor de stier waarvan hij de eigenaar is op grond dat het gedrag van de stier abnormaal, noch onvoorzienbaar was en dat de eiser die de weide waar de stier stond heeft betreden zich vrijwillig heeft blootgesteld aan een gevaar dat hij had kunnen vermijden. Die redenen zouden de vrijstelling van de verweerder als eigenaar van het dier enkel en alleen dan wettigen als de eigenaar zelf het initiatief had genomen om die weide te betreden, zonder uitnodiging of voorstel van de verweerder, de eigenaar van de stier. In dat geval zou men kunnen aannemen dat de vermoede schuld van de eigenaar van het dier als oorzaak van de schade is uitgeschakeld. Zoals de eiser aanvoert in de passages van zijn verzoekschrift tot hoger beroep en in de in het eerste onderdeel van het middel vermelde beroepsconclusie, ontkent het arrest niet dat uit de verklaring van de verweerder bleek dat die de eiser had uitgenodigd om de weide te betreden waarin de stier zich bevond om de koeien terug te halen en ze af te zonderen van de stier. Het arrest stelt dus niet vast dat de verweerder niets te maken had met de gebeurtenissen die aan de oorsprong liggen van de schade die de stier heeft veroorzaakt waarvan hij de eigenaar is en dat de schuld van de eiser bijgevolg zou volstaan om het juridisch oorzakelijk verband tussen de vermoede fout van de verweerder en de door zijn dier veroorzaakte schade uit te schakelen. Het arrest is dus niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek).

Als het arrest oordeelt dat de eiser ontkomt aan de vermoede aansprakelijheid van artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek op grond dat hij geen enkele fout heeft begaan door zijn stier niet op te sluiten en in de weide te laten, schendt het eveneens artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek aangezien het vermoeden van schuld dat weegt op de eigenaar of bewaarder van het dier onweerlegbaar is.

III. BESLISSSING VAN HET HOF

(...)

Vijfde onderdeel

Hoewel artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek een wettelijk en onweerlegbaar vermoeden van schuld aan de door een dier veroorzaakte schade instelt ten laste van de eigenaar van een dier of ten laste van degene die zich ervan bedient terwijl hij het in gebruik heeft, waardoor die eigenaar of bewaarder aansprakelijk wordt gesteld voor de schade die het dier heeft veroorzaakt, sluit het een vrijstelling van die aansprakelijkheid niet uit bij gebrek aan oorzakelijk verband, met name wanneer het dier zich niet abnormaal en onvoorzienbaar heeft gedragen en een fout van het slachtoffer de schade heeft veroorzaakt, waardoor elke mogelijke fout van de eigenaar of bewaarder als oorzaak van de schade is uitgeschakeld.

Op grond van de vermeldingen op de grief van onwettigheid die is aangevoerd in het vierde onderdeel van het middel, oordeelt het arrest enerzijds dat "het gedrag van de stier normaal en voorzienbaar [was]", anderzijds dat de eiser "zich [...] vrijwillig [...] heeft blootgesteld aan een gevaar waaraan hij zich had kunnen onttrekken doordat hij de weide waar de stier zich bevond heeft betreden".

Het arrest beslist bijgevolg naar recht dat de eiser alleen aansprakelijk is voor het ongeval en dat voornoemd artikel 1385 hier niet moet worden toegepast.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 6 januari 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Aansprakelijkheid van de eigenaar of van de bewaarder

  • Vermoeden van schuld

  • Vrijstelling