- Arrest van 10 januari 2012

10/01/2012 - P.11.0843.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Anders dan het 'plegen' of het 'voortzetten' van de inbreuk op een bestemmingsvoorschrift door een daarmee strijdig gebruik, die het stellen van één of meerdere zowel positieve als aflopende handelingen van gebruik veronderstelt, vormt de 'instandhouding' één voortdurend misdrijf van behoud van de delictuele toestand van gebruik die ten gevolge van voormelde positieve handeling(en) is ontstaan en waaraan de dader geen einde stelt; de voltooiing van het plegen of het voortzetten van het strijdige gebruik door het beëindigen van voormelde positieve handelingen sluit het voortbestaan van een met het bestemmingsvoorschrift strijdige toestand die door dit gebruik is ontstaan, niet uit.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0843.N

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor de provincie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50, bus 1.

eiser tot herstel,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. A C M D,

beklaagde,

2. A H J M U, overleden,

beklaagde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 29 maart 2011, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 13 december 2005.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 2 en 65 Strafwetboek, de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, artikel 146, eerste lid, 1°, en derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, artikel 146, eerste lid, 6°, Stedenbouwdecreet 1999, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 46, 2°, van het decreet van 21 november 2003, als in de versie vóór en na de wijziging bij artikel 50, 4°, Aanpassingsdecreet 2009, artikel 6.1.1, eerste lid, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 43, 2°, van het decreet van 16 juli 2010, de artikelen 1.1.2, 9°, 4.1, 1°, 6.1.1, eerste lid, 1°, derde en vierde lid, en 6.1.41, § 1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, artikel 2, § 1, Stedenbouwdecreet 1996, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 97 Aanpassingsdecreet 2009, en artikel 11 Gewestplannenbesluit 1972: de appelrechters weigeren onterecht de telastlegging wegens instandhouding van "stallingen die gebruikt worden deels voor bewoning, deels voor het stallen van dieren en deels als stapelruimte en opslagruimte", zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen, "vanaf 1 januari 1990 tot minstens de dag van de dagvaarding" (dit is tot 1 april 2003), te herkwalificeren als een inbreuk op artikel 6.1.1, eerste lid, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, met name het niet-vergunde gebruik, na 1 mei 2000, in strijd met de gewestplanbestemming; immers, het plegen van een inbreuk op het gewestplan door het niet-vergunde gebruik van een constructie in strijd met de bestemmingsvoorschriften is een voortdurend misdrijf in zoverre een ononderbroken delictuele toestand bestaat die door de dader wordt bestendigd; het vormt minstens een voortgezet misdrijf in zoverre opeenvolgend, door het strijdig gebruik, inbreuken worden begaan op de bestemmingsvoorschriften die, overeenkomstig artikel 65 Strafwetboek, de voortzetting zijn van eenzelfde misdadig opzet, en aldus slechts één misdrijf opleveren, dat pas voltooid is na het laatste feit; deze inbreuk op het gewestplan als voortdurend, minstens voortgezet misdrijf, is te onderscheiden van het instandhoudingsmisdrijf bepaald in artikel 6.1.1, eerste lid, 1°, en derde lid, alsook in artikel 6.1.1, vierde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, daar het instandhoudingsmisdrijf het verzuim betreft om aan het bestaan van eerder voltooide wederrechtelijke werken of wijzigingen een einde te maken, terwijl bij de inbreuk op de gewestplanbestemming door strijdig gebruik geen eerder voltooid misdrijf door verzuim wordt in stand gehouden, maar het misdrijf zelf voortduurt of wordt voortgezet; de enkele omstandigheid dat de wederrechtelijke constructie werd opgericht vóór 1 mei 2000, en dat de gewestplanbestemming aldus reeds geschonden werd op een tijdstip dat deze schending nog niet strafbaar was, belet niet dat de na 1 mei 2000 aangehouden bestemming, vanaf dat ogenblik, een misdrijf oplevert, daar na 1 mei 2000 de constitutieve bestanddelen van het misdrijf voorhanden zijn, met name de strijdigheid met de gewestplanbestemming in functie van het gebruik van de constructies; het arrest kan dan ook niet wettig, louter op grond van het tijdstip van oprichting van de wederrechtelijke stallingen vóór 1 mei 2000, en zonder uit te sluiten dat de wederrechtelijke bestemming ook na 1 mei 2000 bestond, oordelen dat geen inbreuk voorhanden is op artikel 146, eerste lid, 6°, Stedenbouwdecreet 1999, en, sinds 1 september 2009, op artikel 6.1.1, eerste lid, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; de inbreuk op de gewestplanbestemming als voortdurend misdrijf, minstens als voortgezet misdrijf, brengt met zich mee dat het "oprichtingsmisdrijf" in dit verband pas als voltooid kan worden beschouwd wanneer de strijdige bestemming beëindigd wordt; het instandhoudingsmisdrijf, dat werd gedepenaliseerd, en op grond waarvan, sinds 1 september 2009, geen herstelvordering meer kan worden ingewilligd wanneer de instandhouding niet meer strafbaar is op het ogenblik van de uitspraak, kan slechts bestaan na voltooiing van het plegen of het voortzetten van de inbreuk op de gewestplanbestemming; in zoverre de redengeving van het arrest toelaat aan te nemen dat de appelrechters eveneens oordelen dat het plegen of voortzetten van een inbreuk op de gewestplanbestemming "agrarisch gebied", een toevoeging van een gedraging zou betekenen aan de oorspronkelijke telastlegging, geeft het aan de dagvaarding een uitlegging die niet verenigbaar is met de inhoud en de bewoordingen ervan, daar het gebruik van de stallingen - "deels voor bewoning, deels voor het stallen van dieren en deels als stapelruimte en opslagruimte"- uitdrukkelijk is vermeld in de oorspronkelijke telastlegging, evenals de bestendiging van de wederrechtelijke toestand, aangeduid in de telastlegging als "instandhouding".

2. De appelrechters oordelen niet dat het toevoegen aan de oorspronkelijke telastlegging van het plegen of voortzetten van een inbreuk op de gewestplanbestemming "agrarisch gebied" een ongeoorloofde toevoeging zou betekenen, maar wel dat het uitbreiden van de telastlegging tot het misdrijf van oprichting, zoals gevorderd door de eiser, dergelijke ongeoorloofde toevoeging zou betekenen.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

3. Het na 1 mei 2000 aanhoudend gebruik van een constructie in strijd met de gewestplanbestemming "waarbij het misdrijf zelf voortduurt of wordt voortgezet" (memorie, p. 11), maakt geen zelfstandig misdrijf uit maar is strafbaar krachtens artikel 146, eerste lid, 6°, Stedenbouwdecreet 1999, en, sinds 1 september 2009, krachtens artikel 6.1.1, eerste lid, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, die zowel het plegen, het voortzetten als het in stand houden van een inbreuk op de nog van kracht zijnde plannen van aanleg strafbaar stellen.

4. Anders dan het "plegen" of het "voortzetten" van de inbreuk op een bestemmingsvoorschrift door een daarmee strijdig gebruik, die het stellen van één of meerdere zowel positieve als aflopende handelingen van gebruik veronderstellen, vormt de "instandhouding" één voortdurend misdrijf van behoud van de delictuele toestand van gebruik die ten gevolge van voormelde positieve handeling(en) is ontstaan en waaraan de dader geen einde stelt. De voltooiïng van het plegen of het voortzetten van het strijdige gebruik door het beëindigen van voormelde positieve handelingen sluit het voortbestaan van een met het bestemmingsvoorschrift strijdige toestand die door dit gebruik is ontstaan, niet uit.

In zoverre het middel aanvoert dat bij de inbreuk op de gewestplanbestemming door strijdig gebruik van de constructie het misdrijf zelf enkel voortduurt of wordt voortgezet maar geen eerder voltooid misdrijf door verzuim wordt in stand gehouden (memorie, p. 11, tweede paragraaf), faalt het naar recht.

5. De dagvaarding vermeldt als tijdsperiode van de telastlegging "vanaf 1 januari 1990 tot minstens de dag van de dagvaarding", dit is tot 1 april 2003.

Het arrest oordeelt niet alleen dat "het misdrijf van oprichting (...) zeker gepleegd werd vóór 1 mei 2000, datum dat de inbreuk op art. 146, 6° DRO (...) nog niet strafbaar was", maar ook dat "uit de libellering van de enige telastlegging, meer bepaald de bewoordingen en de daarin vermelde data, (...) duidelijk (blijkt) dat de [verweerders] enkel vervolgd werd[en] voor feiten van instandhouding, wel nog strafbaar op het ogenblik van de dagvaarding."

Zonder de bewijskracht van de dagvaarding te miskennen, vermochten de appelrechters op grond van voormelde libellering die niet het bestaan van eenheid van opzet tussen meerdere daden van gebruik vermeldt, te besluiten tot de vervolging van een "enige" telastlegging in die zin dat niet werd vervolgd elk aanhoudend gebruik van de constructie "in zoverre opeenvolgend, door het strijdig gebruik, inbreuken worden begaan op de bestemmingsvoorschriften die, overeenkomstig artikel 65 van het Strafwetboek, de voortzetting zijn van eenzelfde misdadig opzet, en aldus slechts één misdrijf oplevert, dat pas voltooid is na het laatste feit" (memorie, p. 10, onderaan, en p. 11, bovenaan).

6. Voor het overige oordelen de appelrechters "dat de herstelvordering in zoverre geënt op het misdrijf van instandhouding niet meer gegrond is conform art. 6.1.1, derde en vierde lid VCRO, ook in zoverre gebaseerd op de inbreuk van art. 6.1.1.6° VCRO."

7. Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun weigering om de oorspronkelijke telastlegging te heromschrijven als een telastlegging op grond van artikel 6.1.1, eerste lid, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 365,64 euro waarvan 30,36 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 10 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Stedenbouw

  • Inbreuk op de plannen van aanleg en verordeningen

  • Plegen en voortzetten van de inbreuk

  • Instandhouding

  • Begrip