- Arrest van 10 januari 2012

10/01/2012 - P.11.0938.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een vermogensvoordeel is uit het misdrijf verkregen indien er een causaal verband bestaat tussen dit misdrijf en het vermogensvoordeel; een eventueel causaal verband tussen dit vermogensvoordeel en een latere verrichting doet het causaal verband tussen dit vermogensvoordeel en het voordien gepleegde misdrijf niet verdwijnen (1). (1) Cass. 18 okt. 2011, AR P.11.0201.N, AC, 2011, nr. 555.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0938.N

I

G M,

beklaagde,

eiser,

tegen

1. Martin MICHEL, met kantoor te 2060 Antwerpen, Franklin Rooseveltplaats 12, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van P DIAMONDS bvba,,

burgerlijke partij,

2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22,

vervolgende partij,

verweerders.

II

BELGISCHE STAAT, voormeld,

vervolgende partij,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. P DIAMONDS bvba,

beklaagde,

2. J P,

beklaagde,

3. G M,

beklaagde,

verweerders.

III

N H H U,

beklaagde,

eiseres,

met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Benjamin Gillard, beiden advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

Martin MICHEL, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van P DIAMONDS bvba, voormeld,

burgerlijke partij,

verweerder.

IV

P A C V W,

beklaagde,

eiser,

tegen

Martin MICHEL, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van P DIAMONDS bvba, voormeld,

burgerlijke partij,

verweerder.

V

J P, voormeld,

beklaagde,

eiser,

met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Benjamin Gillard, beiden advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. Martin MICHEL, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van P DIAMONDS bvba, voormeld,

burgerlijke partij,

2. BELGISCHE STAAT, voormeld,

vervolgende partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 april 2011.

De eiser I voert geen middel aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eiser IV voert geen middel aan.

De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eisers I, III, IV en V

1. Het arrest spreekt de eiser I vrij voor de telastleggingen C.I, E.I, E.II, E.III, F.I en F.II van de zaak I en de telastleggingen van de zaak II, de eiseres III voor de telastleggingen B, F.I en F.II van de zaak I, de eiser IV voor de telastleggingen C.I, C.II, D.II, E.I, E.II, E.III.a), F.I, F.II en H van de zaak I en de eiser V voor de telastleggingen C.I, E.I, E.II, E.III, F.I, en F.II van de zaak I en de telastleggingen van de zaak II. Het wijst de vordering van de verweerders I.1, III, IV en V.1 in de zaak I af als ongegrond.

De tegen die beslissingen gerichte cassatieberoepen van de eisers I, III, IV en V zijn, elk wat hen betreft, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Middel van de eiser II

2. Het middel voert schending aan van de artikelen 29, 62.2 en 79, tweede lid, CDW, artikel 199.1 van de Verordening (EG) nr. 2454/93 van 2 juli 1993 van de Commissie houdende vaststellingen van enkele bepalingen ter uitvoering van de Verordening (EG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, de artikelen 2 en 5 van de wet van 11 september 1962 betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie (hierna: Wet In-, Uit- en Doorvoer Goederen), artikel 231 AWDA en artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 30 december 1993 tot regeling van de in- uit- en doorvoer van goederen en de daaraan verbonden technologie (hierna Besluit In-, Uit- en Doorvoer Goederen): het arrest spreekt ten onrechte de verweerders II vrij voor de feiten 1 en 2 van de zaak II: het arrest stelt vast dat de verweerders II in België ruwe diamanten hebben ingevoerd onder dekking van valse of bedrieglijk verkregen machtigingen aangezien bij de bevoegde autoriteiten facturen werden aangeven met een opgegeven waarde van de diamanten, die niet de werkelijk betaalde of te betalen prijs was; het opgeven van een onjuiste waarde van goederen bij de aanvragen tot voorafgaande machtiging houdt in dat die machtiging werd verkregen op basis van een onjuiste of een opzettelijk onvolledige verklaring en dus nietig is; door bewust aan de diamanten een onjuiste waarde te geven, hebben de verweerders II de invoerformaliteiten niet regelmatig vervuld en werd ingevoerd met aangifte, maar onder dekking van valse of bedrieglijk verkregen machtigingen in de zin van artikel 231, § 1, AWDA; geen wetsbepaling vereist voor de feiten 1 en 2 van de zaak II in hoofde van de aangever een bijzonder opzet bestaande in het misleiden van de douaneautoriteiten.

3. Krachtens artikel 2 Wet In-, Uit- en Doorvoer Goederen kan de Koning bij in de Ministerraad overlegd besluit, met het oog op de in die bepaling vermelde doelstellingen de in-, uit- en doorvoer van goederen en van technologie reglementeren, onder meer door een stelsel van vergunningen, door de heffing van bijzondere rechten, door toezichtsmaatregelen of door de invoering van formaliteiten zoals het oorsprongscertificaat.

Volgens artikel 2, § 2, Besluit In-, Uit- en Doorvoer Goederen moeten de aanvragen om voorafgaande machtiging inzonderheid alle gegevens bevatten ter identificatie van de door de transactie gebonden partijen, de precieze omschrijving van de beoogde goederen of technologie, hun oorsprong, de hoeveelheid en de waarde die het voorwerp zijn van de aanvraag.

Artikel 5, § 1, 1°, Besluit In-, Uit- en Doorvoer Goederen schrijft de nietigheid voor van de voorafgaande machtigingen verkregen op aanvragen die onjuiste of opzettelijk onvolledige verklaringen bevatten en dit onverminderd de bepalingen van artikel 231 AWDA.

Volgens artikel 10, eerste lid, Wet In-, Uit- en Doorvoer Goederen wordt de overtreding van de krachtens deze wet uitgevaardigde bepalingen gestraft overeenkomstig de artikelen 231, 249 tot 253 en 263 tot 284 AWDA.

Artikel 231, § 1, AWDA bepaalt dat de artikelen 220 tot 225, 227, 229, 230, 248, § 1, en 277 toepasselijk zijn bij invoer, uitvoer of doorvoer zonder aangifte ofwel met aangifte maar onder dekking van valse of bedrieglijk verkregen machtigingen, van alle al dan niet belastbare goederen, welke tijdelijk en om welke reden ook, aan verbodsbepalingen, beperkingen of controlemaatregelen zijn onderworpen bij het binnenkomen, bij het uitgaan of bij de doorvoer, langs alle grenzen of alleen langs een gedeelte ervan.

Volgens artikel 79, tweede lid, CDW omvat het in het vrije verkeer brengen de toepassing van de handelspolitieke maatregelen en het vervullen van de andere formaliteiten voor de invoer van goederen, alsmede de toepassing van de wettelijk verschuldigde rechten.

Artikel 62.2 CDW schrijft voor dat bij de aangifte alle bescheiden moeten worden gevoegd, die moeten worden overgelegd om de toepassing mogelijk te maken van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.

Volgens artikel 29.1 CDW is de douanewaarde van ingevoerde goederen de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht.

4. Uit de samenlezing van die bepalingen volgt dat invoeren van goederen, waarvoor bij de aanvragen van een voorafgaande machtiging een onjuiste waarde werd aangegeven en welke machtiging bij toepassing van de artikelen 2, § 2, en 5, § 1, 1°, Besluit In-, Uit- en Doorvoer Goederen bijgevolg nietig is, invoeren zijn met aangifte maar onder dekking van valse of bedrieglijk verkregen machtigingen in de zin van artikel 231, § 1, AWDA. Die feiten zijn strafbaar bij toepassing van artikel 231, § 1, AWDA, zonder dat in hoofde van de aangever het opzet moet worden aangetoond om de douaneautoriteiten te misleiden.

5. Het arrest (p. 37-39) grondt de vrijspraak van de verweerders II voor de feiten 1 en 2 van de zaak II op de volgende redenen:

- volgens de eiser II zijn de documenten (ontvangstbewijzen en de facturen) vermeld onder de telastleggingen van zaak II vals;

- de valsheid heeft alleen betrekking op de fictieve verhoging van het op de facturen vermelde bedrag;

- de omstandigheid dat de aangegeven karaten werden overgewaardeerd, bewijst nog niet dat er enige valsheid werd gepleegd met betrekking tot de ingevoerde karaten of diamanten zelf;

- het was niet de bedoeling de douaneautoriteiten te misleiden; de douaneautoriteiten hebben destijds overigens geen bezwaar gemaakt tegen deze overfacturering en zij waren hiervan op de hoogte; de bedragen op de Kimberley-certificaten kwamen immers niet overeen met die van de facturen; het onderzoek werd overigens niet opgestart op vraag van de douaneadministratie.

6. Uit die door het arrest gedane vaststellingen in verband met het onjuist opgeven van de waarde volgt dat de machtigingen tot invoer overeenkomstig de artikelen 2, § 2, en 5, § 1, 1°, Besluit In-, Uit- en Doorvoer Goederen nietig zijn en de invoer met aangifte maar onder dekking van valse of bedrieglijk verkregen machtigingen geschiedde in de zin van artikel 231, § 1, AWDA.

De beslissing dat de feiten 1 en 2 van de zaak II niet bewezen zijn en de verweerders II voor die feiten moeten worden vrijgesproken is, zelfs met de vaststelling dat het niet de bedoeling was van de verweerders II om de douaneautoriteiten te misleiden, niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Middelen van de eiseres III

Eerste middel

Eerste onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het verklaart enerzijds de telastleggingen C.II, C.III, C.IV, D.I.a, D.I.b en D.II van de zaak I bewezen en oordeelt aldus dat de waarde van de in deze facturen opgenomen prestaties of leveringen niet overeenstemt met de werkelijke waarde van de geleverde goederen of diensten; het spreekt anderzijds de medebeklaagde van de eiseres III vrij voor de feiten 1, 2 en 3 van de zaak II stellende dat het niet bewezen is dat in de onderscheiden facturen de waarde van de diamanten niet met de werkelijke waarde van de geleverde goederen overeenstemt.

8. Het arrest (p. 37-38 en 42-43) oordeelt met betrekking tot de zaak II niet alleen zoals aangehaald in het onderdeel, maar ook dat:

- de valsheid van de vermelde facturen alleen betrekking heeft op de fictieve verhoging van het op de facturen vermelde bedrag;

- de eiser II in de appelconclusie feitelijk onjuist stelt dat meer diamanten werden aangekocht door de verweerster II.1 dan in haar boekhouding is vermeld;

- het niet is bewezen dat de ingevoerde karaten voor de betrokken facturen niet juist zouden zijn en de omstandigheid dat door de overfacturering de aangegeven karaten werden overgewaardeerd, nog niet bewijst dat enige valsheid werd gepleegd met betrekking tot de ingevoerde karaten of de diamanten zelf;

- het niet de bedoeling was de douaneautoriteiten te misleiden; die autoriteiten hebben destijds geen bezwaar gemaakt tegen deze overfacturering en waren hiervan op de hoogte; de bedragen op de Kimberley-certificaten en de facturen waren niet dezelfde;

- het vaststaat dat geen douanefraude werd gepleegd;

- het geenszins is aangetoond dat in een factuur enige valsheid anders dan de creatie van een fictieve schuld voorligt, dat er door de overfacturering een feitelijke overwaardering ontstaat van de geleverde goederen en dat de overfacturering uitsluitend fictief is;

- er in de handelsboeken, handelsgeschriften of handelsdocumenten van de verweerster II.1 geen discrepantie is wat betreft de aan- en verkoop van met rechten of accijns belaste goederen of goederen waarvoor bedragen bij invoer of uitvoer kunnen worden toegekend.

Met het geheel van die redenen en deze die het onderdeel weergeeft, geeft het arrest niet te kennen dat de op de facturen vermelde waarde van de diamanten correct is, maar wel dat de aangegeven karaten correct zijn.

Het onderdeel berust aldus op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat het niet bewezen is dat in de onderscheiden facturen de waarde van de diamanten niet overeenstemt met de werkelijke waarde van de geleverde goederen en dat door de overfacturering een feitelijke overwaardering van het geleverde ontstaat, waarbij de overfacturering uitsluitend fictief zou zijn; aldus heromschrijft het arrest de telastleggingen C.II, C.III, C.IV, D.I.a, D.I.b en D.II van de zaak I, zonder de eiseres III ter zake de mogelijkheid te geven verweer te voeren en zonder de identiteit van de feiten vast te stellen.

10. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de tevergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door zich te beperken tot de loutere bevestiging van het bestaan van het moreel element inzake het mededaderschap van de eiseres III aan de telastleggingen C.II, C.III, C.IV, D.I.a, D.I.b, D.II en H van de zaak I beantwoordt het arrest niet het in haar appelconclusie aangevoerde verweer omtrent het ontbreken van dit moreel bestanddeel in hoofde van de eiseres III.

12. Het arrest (p. 41) verklaart de eiseres III onder meer op de volgende gronden schuldig aan de telastleggingen C.II, C.III, C.IV, D.I.a, D.I.b, D.II en H van de zaak I:

- de eiseres III was de tijdelijke levenspartner van de eiser I en zij heeft haar actieve medewerking verleend aan de opbouw van de fictieve schuld;

- zij was ervan op de hoogte en maakte de betrokken facturen op en deed betalingen;

- het onroerend goed te N werd mede door haar aangekocht met het mede door haar verkregen illegaal vermogen;

- het is niet geloofwaardig dat de eiseres III niet zou geweten hebben, zelfs geen enkel vermoeden zou hebben gehad, van enige fraude; zij was als rechterhand van de beide zaakvoerders een noodzakelijke uitvoerder en heeft er ook de voordelen van kunnen genieten.

Met die redenen beantwoordt het arrest het in het middel aangehaalde verweer, zonder dat het daarbij elk argument dat tot ondersteuning van dit verweer werd aangevoerd maar geen afzonderlijk middel vormt, diende te beantwoorden.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Tweede onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, 43bis, eerste of tweede lid, 196 en 197 Strafwetboek, evenals miskenning van het wettelijk begrip rechtstreekse vermogensvoordelen: het arrest oordeelt ten onrechte dat de telastleggingen C.II, C.III en C.IV van de zaak I vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek hebben opgeleverd en spreekt ten onrechte lastens de eiseres III een bijzondere verbeurdverklaring uit voor 1.849.239,10 euro, 7.510.768,00 euro en 1.735.929,00 euro, die zouden voortkomen uit de bewezen verklaarde misdrijven dan wel die de overeenstemmende waarde daarvan vormen; valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken als instrumentele of middelenmisdrijven kunnen op zich niet rechtstreeks vermogensvoordelen opleveren; hoogstens kunnen vermogensvoordelen voortkomen uit misdrijven die "dankzij" deze misdrijven konden worden gepleegd; de concrete feitenconstellatie waarop de voormelde telastleggingen betrekking hebben, houdt weliswaar verband met facturen die (beweerdelijk) werden opgesteld met als doel over het bedrag van de over- en meerfacturatie te beschikken of de fiscus te bedriegen bij de fiscale aangifte, maar het bereiken van deze doeleinden veronderstelt andere (vermogens)misdrijven dan deze valsheden.

14. Het arrest spreekt lastens de eiseres III geen bijzondere verbeurdverklaring uit van de bedragen van 1.849.239,10 euro, 7.510.768,00 euro en 1.735.929,00 euro, die zouden voortkomen uit de bewezen verklaarde misdrijven dan wel de overeenstemmende waarde daarvan vormen. Het spreekt wel bij toepassing van de artikelen 42, 3°, 43bis, eerste lid, 196 en 197 Strafwetboek de bijzondere verbeurdverklaring uit van het huis gelegen te N, A J-laan 25 en het appartement gelegen te W, K-straat 8, die werden aangekocht met de illegale opbrengsten uit de bewezen verklaarde telastlegging C.II.

Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.

15. Artikel 42, 3°, Strafwetboek bepaalt: "Bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en de waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen."

Uit die bepaling volgt dat naast de vermogensvoordelen die "rechtstreeks" uit het misdrijf zijn verkregen, met name de primaire vermogensvoordelen, ook "de goederen en waarden die in de plaats zijn gesteld" van die primaire vermogensvoordelen, met name de vervangingsgoederen en "de inkomsten uit de belegde voordelen" die voortvloeien uit de primaire vermogensvoordelen of de vervangingsgoederen, kunnen worden verbeurdverklaard. Deze twee laatste categorieën betreffen eveneens voordelen die verkregen zijn uit het misdrijf, zij het onrechtstreeks ten gevolge van bepaalde verrichtingen die deze voordelen rechtstreeks opleveren.

Het begrip "rechtstreeks" in artikel 42, 3°, Strafwetboek wijst aldus niet op een beperking van de verbeurdverklaring tot de voordelen die zonder enige tussenschakel verkregen zijn uit het misdrijf, maar duidt op de primaire vermogensvoordelen als één der vermogensvoordelen die naast nog andere voor verbeurdverklaring vatbaar is.

De in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde straf van de bijzondere verbeurdverklaring kan worden toegepast op de vermogensvoordelen die zowel rechtstreeks als onrechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen.

16. Een vermogensvoordeel is uit het misdrijf verkregen indien er een causaal verband bestaat tussen dit misdrijf en het vermogensvoordeel. Een eventueel causaal verband tussen dit vermogensvoordeel en een latere verrichting doet het causaal verband tussen dit vermogensvoordeel en het voordien gepleegde misdrijf niet verdwijnen.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

17. Elk misdrijf kan in beginsel vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek opleveren.

Het onderdeel dat ervan uitgaat dat valsheid in geschriften of het gebruik van valse stukken nooit een vermogensvoordeel in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek kunnen opleveren, faalt in zoverre naar recht.

18. De rechter oordeelt in feite, mitsdien op onaantastbare wijze, of een misdrijf vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft opgeleverd. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

19. Het arrest (p. 52) verklaart de eiseres III onder meer schuldig aan de telastlegging C.II van de zaak I, die omschreven is als het valselijk opstellen of doen opstellen van de vermelde facturen en andere documenten, het opnemen of doen opnemen van deze documenten in de boekhouding van de verweerster II.1, waarbij de prestaties of leveringen opgenomen in deze facturatie voorzien van fictieve verhogingen niet overeenstemt met de werkelijke waarde van de geleverde goederen of diensten, evenals het gebruik van die valse documenten, dit alles met het bedrieglijk opzet om door deze over- of meerfacturatie over dit bedrag in verschil illegaal te kunnen beschikken. Het arrest (p. 33) oordeelt dat in de boekhouding van de verweerster II.1 een leverancierschuld is opgebouwd, die niet wordt verantwoord door werkelijke aankopen en dat aldus de verweerster II.1 een fictieve schuld heeft opgebouwd die kon worden gebruikt om niet-geboekte illegale aankopen te financieren.

Het arrest (p. 53) verklaart lastens de eiseres III het huis gelegen te N, Abel Janssenslaan 25 en het appartement te Antwerpen (Wilrijk), Kernenergiestraat 8, verbeurd op de volgende gronden (p. 45-47):

- het vermogensvoordeel is te dezen de opbouw van een niet langer officieel en dus aan onder meer de fiscus onttrokken vermogen, dat kan worden aangewend om illegale goederen, zoals in casu bloed- en conflictdiamanten, wit te wassen of aan te kopen;

- het misdrijf van valsheid in geschriften heeft te dezen rechtstreeks een boekhoudkundig vermogen gecreëerd dat niet aan de werkelijkheid beantwoordt waardoor, door de aanwending ervan, illegale vermogensvoordelen legaal kunnen worden en dit illegaal vermogen los staat van de eventueel ontdoken belastingen;

- het vaststaat dat de veroordeelde beklaagden gezamenlijk een vermogen ten bedrage van 11.095.936,10 euro uit de bewezen verklaarde feiten hebben verkregen, zonder dat dit betekent dat elk van hen voor het geheel verantwoordelijk is;

- in het bedrag van 11.095.936,10 euro het huis te N, J-laan 25 en het appartement te W, K-straat 8 zijn begrepen, die werden aangekocht door de eiseres III en de eiser I met de illegale opbrengsten uit de betreffende bewezen verklaarde misdrijven;

- deze onroerende goederen een nog in het vermogen van de eiseres III voorhanden zijnde deel vormen van het door de bewezen verklaarde misdrijven verkregen voordeel en dit deel niet meer bedraagt dan het ten laste van de eiseres III uit hoofde van de telastlegging C.II gevorderde.

20. Het louter opbouwen van een fictieve schuld kan als dusdanig geen door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoeld vermogensvoordeel vormen. Het arrest kon op de enkele grond dat door de overfacturatie zoals omschreven onder de telastlegging C.II een fictieve schuld werd opgebouwd, die kon worden aangewend om illegale goederen, zoals in casu bloed- of conflictdiamanten, wit te wassen of aan te kopen, zonder de vaststelling dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd, niet oordelen dat de beklaagden voor het bedrag van die fictieve schuld vermogensvoordelen hebben verkregen, waarmee de zich nog in het vermogen van onder meer de eiseres III bevindende onroerende goederen werden aangekocht. De beslissing om deze onroerende goederen lastens de eiseres III verbeurd te verklaren als uit de telastlegging C.II verkregen vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek, is dan ook niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven van de eiseres III

21. De overige grieven van de eiseres III kunnen niet leiden tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing. Zij behoeven dan ook geen antwoord.

Middelen van de eiser V

Eerste middel

22. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en de artikelen 324bis en 324ter Strafwetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, waarin begrepen het principe dat de vervolgende partij of de burgerlijke partij het bewijs dienen te leveren van het misdrijf en twijfel in het voordeel van de beklaagde geldt: het arrest verklaart de eiser V schuldig aan de telastlegging A.I van de zaak I, als leidend persoon van een criminele organisatie met als doel illegale diamanttrafiek en frauduleuze diamanthandel en injectie van Ivoriaanse diamanten in zendingen Ghanese diamanten, terwijl uit diverse overwegingen in het arrest (p. 27, 32-33, 36-38 en 44) blijkt dat er in werkelijkheid twijfel bestond omtrent diens schuld.

23. Uit het oordeel "Met andere woorden het hof [van beroep] stelt samen met de verdediging vast dat nooit enige verboden Ivoriaanse diamant werd aangetroffen in een zending van Ghanese diamanten" (p. 27), "(...) deze beide schriften alleen maar aanleiding hebben gegeven tot de hypothetische berekeningen, (...) zodat ze geen bewijs kunnen opleveren van enige illegale invoer van Ivoriaanse diamanten in Antwerpen" (p. 32), "Het is te dezen (...) niet bewezen dat in enige concrete zending diamanten of karaten aanwezig zijn die niet zouden zijn vermeld op de facturen of in de boekhouding" (p. 33), "Dat door de overfacturering de aangegeven karaten werden overgewaardeerd bewijst daarom nog niet dat er enige valsheid werd gepleegd met betrekking tot de ingevoerde karaten of diamanten zelf" (p. 37) en "Het is dan ook niet bewezen dat de betreffende als vals aangehouden facturen enige valsheid met betrekking tot de oorsprong of herkomst van erin vermelde aankopen van diamanten bevatten" (p. 38), volgt niet dat er bij de appelrechters enige twijfel bestond omtrent de schuld van de eiser V aan de telastlegging A.I van de zaak I.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

24. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel van de eiseres III.

Het kan om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.

Derde middel

Eerste onderdeel

25. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 246 tot 248 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de regels betreffende het bewijs in strafzaken: de eiser V heeft met verwijzing naar een beschikking van de raadkamer van 20 juni 2007 aangevoerd dat zijn vervolging voor de telastlegging C.III van de zaak I niet ontvankelijk is, aangezien hij voor die feiten buiten vervolging werd gesteld en de in de artikelen 246 tot 248 Wetboek van Strafvordering bepaalde procedure niet werd gevolgd; hij heeft met verwijzing naar een in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank van 25 oktober 2007 aangevoerd dat hij wat betreft de telastlegging H van de zaak I voor de vóór 31 december 2001 gepleegde feiten niet kon worden veroordeeld, gelet op de vrijspraak voor de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2001.

26. De rechter vermag de aanvoering van het verval van de strafvordering wegens het gezag van gewijsde van een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling en wegens het non bis idem-beginsel van een beslissing van vrijspraak niet verwerpen op de enkele grond dat het strafdossier geen eensluidend verklaard afschrift bevat van die beschikking of geen bewijs bevat van de afwezigheid van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de beschikking of beslissing.

27. Het arrest (p. 25-26, nr. 4-5) beantwoordt het in zijn appelconclusie aangevoerd verweer van de eiser V, als volgt:

- in het strafdossier is geen eensluidend verklaard afschrift van de beschikking van de raadkamer te Antwerpen van 20 juni 2007 aanwezig en uit geen enkel stuk blijkt dat tegen deze beschikking geen rechtsmiddel is aangewend;

- geen bewijs ligt voor dat het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 25 oktober 2007 in kracht van gewijsde is getreden;

- de eiser V heeft in het petitum van zijn appelconclusie niet geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van dit deel van de strafvordering op grond van het ne bis in idem-beginsel.

Op die gronden is de beslissing tot afwijzing van het door de eiser V aangevoerde verval van de strafvordering met betrekking tot de telastlegging C.III, H (voor de periode tot 31 december 2001) van de zaak I niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven van de eiser V

28. Deze grieven, die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.

Ambtshalve middel met betrekking tot de eisers I en IV

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 42, 3°, 43bis, 196 en 197 Strafwetboek

29. Het arrest spreekt lastens de eiser I op basis van de telastleggingen C.II, C.III en C.IV bij toepassing van de artikelen 42, 3°, 43bis, eerste lid en tweede lid, 196 en 197 Strafwetboek de bijzondere verbeurdverklaring uit van het huis te N, J- laan 25 en het appartement te W, K-straat 8, evenals van een bedrag van 8.000.000,00 euro.

Het arrest spreekt lastens de eiser IV op basis van de telastleggingen C.III en C.IV bij toepassing van de artikelen 42, 3°, 43bis, tweede lid, 196 en 197 Strafwetboek de bijzondere verbeurdverklaring uit van een bedrag van 500.000,00 euro.

30. Die beslissingen zijn om de redenen vermeld als antwoord op het tweede onderdeel van het derde middel van de eiseres III niet naar recht verantwoord.

Omvang van cassatie

31. De vernietiging van de schuldigverklaring van de eiser V aan de telastlegging C.III en H (voor de periode tot 31 december 2001) van de zaak I heeft de vernietiging tot gevolg van zijn schuldigverklaring aan de telastlegging E.IV en zijn veroordeling tot straf en de bijdrage aan het Slachtofferfonds.

De vernietiging laat zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen A.I, C.II, C.IV, D.I.a, D.I.b, D.II, G en H (voor de periode na 31 december 2001) van de zaak I onaangetast.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het:

- de verweerders II vrijspreekt voor de feiten 1 en 2 van de zaak II;

- lastens de eiseres III de bijzondere verbeurdverklaring uitspreekt van het huis te N, J-laan 25 en het appartement te W, K-straat 8;

- lastens de eiser I de bijzondere verbeurdverklaring uitspreekt van het huis te N, J-laan 25 en het appartement te W, K-straat 8 en van een bedrag van 8.000.000,00 euro;

- lastens de eiser IV de bijzondere verbeurdverklaring uitspreekt van een bedrag van 500.000,00 euro;

- de eiser V schuldig verklaart aan de telastleggingen C.III, H (voor de periode vóór 31 december 2001) en E.IV van de zaak I en hem tot straf en tot de bijdrage aan het Slachtofferfonds veroordeelt.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Zegt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eisers I, III en IV elk tot vijf zesden van hun cassatieberoep en laat het overige zesde telkens ten laste van de Staat.

Veroordeelt de verweerders II elk tot een zesde van de kosten van het cassatieberoep van de eiser II en laat de overige helft van de kosten ten laste van de Staat.

Veroordeelt de eiser V tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de overige helft ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten in het geheel op 1.036,61 euro waarvan de eisers I, III, IV en V elk 176,88 euro verschuldigd zijn en de eiser II 329,09 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 10 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Bijzondere verbeurdverklaring

  • Uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel