- Arrest van 10 januari 2012

10/01/2012 - P.12.0024.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De miskenning van het recht op de behandeling van de gegrondheid van een strafvervolging binnen een redelijke termijn, zoals bepaald in artikel 6 E.V.R.M., kan door een nationale instantie slechts onderzocht worden voor zover die nationale instantie van de strafvervolging kennis kan nemen; dit is niet het geval voor het onderzoeksgerecht van de uitvoerende autoriteit van een lidstaat, dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel aangezien in dat geval de strafvordering enkel aanhangig is bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit die bijgevolg de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafvervolging (1). (1) Zie Cass. 27 mei 2008, AR P.08.0783.N, AC 2008, nr. 322.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0024.N

H S S,

persoon die het voorwerp uitmaakt van een Europees aanhoudingsbevel,

eiser,

met als raadsman mr. Filip Van Hende, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 december 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat er voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel geen weigeringsgrond bestaat daar het onderzoeksgerecht niet kan oordelen over de overschrijding van de redelijke termijn; artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd wanneer zij afbreuk zou doen aan de grondrechten zoals die bevestigd worden door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna Verdrag Europese Unie); aldus sluit het arrest de toepassing uit van de in die wetsbepaling bedoelde weigeringsgrond.

2. Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd ingeval er ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 Verdrag Europese Unie.

Artikel 6, derde lid, Verdrag Europese Unie bepaalt dat de grondrechten, zoals zij worden bepaald door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als algemene rechtsbeginselen deel uitmaken van het recht van de Unie.

Artikel 6.1 EVRM bepaalt dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling binnen een redelijke termijn.

3. De miskenning van het recht op de behandeling van de gegrondheid van een strafvervolging binnen een redelijke termijn zoals bepaald in artikel 6 EVRM kan door een nationale instantie slechts onderzocht worden voor zover die nationale instantie van de strafvervolging kennis kan nemen. Dit is niet het geval voor het onderzoeksgerecht van de uitvoerende autoriteit van een lidstaat, dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In dat geval is de strafvordering immers enkel aanhangig bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit die bijgevolg de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafvervolging.

4. Hieruit volgt dat de verplichting voor het onderzoeksgerecht de weigeringsgrond bepaald in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, te onderzoeken, niet inhoudt dat dit gerecht ook moet onderzoeken of de redelijke termijn binnen dewelke de strafvervolging moet worden berecht, al dan niet is overschreden.

In zoverre faalt het middel dat uitgaat van het tegendeel, naar recht.

5. Voor het overige is het middel afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 13 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat enkel de rechter van de uitvaardigende Lidstaat kan oordelen over de overschrijding van de redelijke termijn; aldus wordt eisers recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie ontzegd.

7. Het middel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is niet ontvankelijk.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.3 en 13 EVRM: het arrest oordeelt dat het aan het onderzoeksgerecht niet toekomt de regelmatigheid van het Europees aanhoudingsbevel te beoordelen en dat het dit gerecht enkel staat de wettelijke verificaties te verrichten vermeld in artikel 16, § 1, tweede lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel; de eiser had bij zijn verhoor geen bijstand van een advocaat, recht dat hem door artikel 6.3 EVRM nochtans wordt erkend.

9. Het arrest oordeelt niet dat het recht op bijstand van een advocaat enkel kan opgeworpen worden voor de rechter van de uitvaardigende Lidstaat en niet voor de onderzoeksgerechten in België;

In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

10. Artikel 11, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de betrokken persoon binnen vierentwintig uur na zijn effectieve vrijheidsbeneming voor de onderzoeksrechter wordt gebracht die hem in kennis stelt van:

- het bestaan en de inhoud van het Europees aanhoudingsbevel;

- de mogelijkheid in te stemmen met zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit;

- zijn recht een advocaat en een tolk te kiezen.

Artikel 11, § 2, van diezelfde wet bepaalt dat de onderzoeksrechter vervolgens de betrokken persoon hoort omtrent zijn eventuele hechtenis en de opmerkingen die hij ter zake formuleert.

11. Uit deze bepalingen volgt dat het verhoor van de betrokken persoon door de onderzoeksrechter enkel betrekking heeft op zijn eventuele hechtenis. Dit verhoor is vreemd aan de regelmatigheid van het voordien door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit afgeleverde Europees aanhoudingsbevel.

In zoverre faalt het middel naar recht.

12. Voor het overige is het middel afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk.

Vierde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt eisers conclusie niet over de schending van artikel 6.1 en 6.3 EVRM.

14. Het arrest oordeelt:

- de beschikking van de onderzoeksrechter waarbij de hechtenis van de betrokken persoon krachtens artikel 11, § 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt bevolen of deze onder voorwaarde wordt vrijgelaten krachtens artikel 11, § 4, van deze wet, is voor de kamer van inbeschuldigingstelling niet aanhangig zodat deze geen rechtsmacht heeft om over de regelmatigheid van het verhoor en de daarop volgende beschikking van de onderzoeksrechter uitspraak te doen;

- de miskenning van het recht op de behandeling van de gegrondheid van een strafvervolging binnen een redelijke termijn kan door de nationale instantie slechts worden onderzocht voor zover die nationale instantie van de strafvervolging kennis kan nemen; dit is niet het geval voor het onderzoeksgerecht dat uitspraak moet doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel; in dat geval is de strafvordering enkel aanhangig bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit die de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafvervolging.

15. Met deze redenen beantwoordt het arrest eisers verweer over de hierboven vermelde schendingen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 69,66 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, als voorzitter, en de raadsheren Paul Maffei, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 10 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Etienne Goethals, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie

  • Onderzoek van de redelijke termijn door een nationale instantie

  • Voorwaarde

  • Toepassing