- Arrest van 11 januari 2012

11/01/2012 - P.11.1867.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem dat in artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten is vastgelegd, strekt ertoe te vermijden dat één en dezelfde persoon twee straffen van dezelfde aard krijgt voor dezelfde gedraging ; wanneer de tuchtstraf van een gedetineerde alleen betrekking heeft op de uitvoeringsmodaliteiten van een door de rechter opgelegde straf, zonder dat zij de duur verlengt van de opsluiting die de veroordeelde dient te ondergaan, kan dergelijke maatregel, in de regel, niet als een strafrechtelijke maatregel worden aangemerkt (1). (1) Zie Cass. 24 nov. 2009, AR P.09.0965.N, AC, 2009, nr. 692; Marie-Aude BEERNAERT, 'Le cumul des sanctions disciplinaires et pénales à l'aune du principe non bis in idem', opm. onder Corr. Verviers, 7 dec. 2009, J.L.M.B., 2010, p. 481.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1867.F

F. D. V.,

Mr. Philippe Culot, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 6 oktober 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

De eiser, die vervolgd wordt omdat hij een cipier in de uitoefening van zijn ambt heeft geslagen, voert aan dat het arrest, door de strafvordering ontvankelijk te verklaren, artikel 14.7 IVBPR schendt en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem miskent. Dienaangaande werpt hij op dat hem voor die feiten reeds tuchtrechtelijke maatregelen van strafrechtelijke aard waren opgelegd.

De regel die in artikel 14.7 IVBPR is vastgelegd, strekt ertoe te vermijden dat één en dezelfde persoon twee straffen van dezelfde aard krijgt voor dezelfde gedraging.

Wanneer de tuchtrechtelijke sanctie van een gedetineerde alleen betrekking heeft op de door de rechter opgelegde strafuitvoeringsmodaliteiten, zonder dat zij de duur verlengt van de opsluiting die de veroordeelde dient te ondergaan, kan dergelijke maatregel, in de regel, niet als een strafrechtelijke maatregel worden aangemerkt.

Het hof van beroep stelt eerst vast dat het gedrag van de eiser dat aan de basis lag van de strafvervolging, tuchtrechtelijk was bestraft met negen dagen naakte cel en drie maanden streng celregime. Het vermeldt vervolgens dat de uitgesproken straffen tot doel hadden de ordehandhaving te verzekeren alsook de uitvoering van de administratieve reglementen, overeenkomstig artikel 77 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen. Het arrest vermeldt ten slotte dat de genomen tuchtrechtelijke maatregelen, waarvan niet vaststaat dat zij de toekenning van penitentiaire verloven zouden vertragen, alleen maar strafuitvoeringsmodaliteiten zijn en geen verlenging van de straf of een aanvullende gevangenisstraf.

Die overwegingen schenden noch de aangevoerde wetsbepaling noch het aangevoerde algemeen rechtsbeginsel.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

Eerste middel

De eiser voert aan dat de appelrechters artikel 14.7 IVBPR schenden en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem miskennen, door de strafvordering ontvankelijk te verklaren hoewel de feiten die aanleiding hebben gegeven tot tuchtrechtelijke en vervolgens strafrechtelijke vervolging, dezelfde zijn.

Aangezien het arrest naar recht beslist dat het gedrag van de eiser niet eerder tot een tuchtrechtelijke sanctie van strafrechtelijke aard had geleid, kan het middel niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 11 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Non bis in idem

  • Tuchtstraf van een gedetineerde

  • Strafrechtelijke veroordeling wegens dezelfde feiten

  • Toepasselijkheid