- Arrest van 11 januari 2012

11/01/2012 - P.11.1332.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechterlijke macht is bevoegd om te onderzoeken of de keuze, door de gemachtigd ambtenaar, voor het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of voor een welbepaalde herstelmaatregel, alleen ingegeven was door het belang van een goede ruimtelijke ordening ; de rechter is bevoegd om een vordering niet in te willigen als die kennelijk onredelijk is of steunt op gronden die met het voormelde doel geen verband houden (1). (1) Zie Cass. 4 feb. 2003, AR P.01.1462.N, AC, 2003, nr. 80 ; Cass. 18 maart 2008, AR P.07.1509.N, AC, 2008, nr. 187.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1332.F

GEMACHTIGD AMBTENAAR van het operationele Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Erfgoed en Energie, Waalse overheidsdienst,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

F. T.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 14 juni 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

Tot staving van zijn vordering om de plaats te herstellen door de volledige afbraak van het litigieuze gebouw, heeft de eiser aangevoerd dat er tussen de toegestane constructie en het opgetrokken gebouw aanzienlijke verschillen waren vastgesteld. Hij betoogt eveneens dat het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand niet buitensporig zou zijn daar het gebouw niet afgewerkt was en er aanzienlijke werkzaamheden nodig waren om het in overeenstemming te brengen met de bouwvergunning.

Het arrest oordeelt, enerzijds, dat de afbraak niet in verhouding zou staan tot het doel omdat die maatregel gelijk zou staan met de nietigverklaring van de vergunning die aan de verweerder is verleend en hem de voordelen zou ontnemen die hij op grond van die titel geniet en, anderzijds, dat de bewering dat het opgetrokken gebouw dermate van het ontwerp verschilt dat de volledige constructie in strijd is met de bouwvergunning en moet worden afgebroken, niet juist is.

Met die overwegingen antwoordt het arrest op de conclusie van de eiser.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

De eiser oefent kritiek uit op de vermelding in het arrest volgens welke het aan de correctionele rechter staat om, met toepassing van artikel 159 Grondwet, de externe en interne wettigheid van de vordering van de gemachtigd ambtenaar na te gaan.

Het middel betoogt dat de aangevoerde grondwettelijke bepaling niet de grondslag vormt van het aan de hoven en rechtbanken opgedragen wettigheidstoezicht, aangezien de keuze van de wijze van herstel geen besluit of verordening is in de zin van het voormelde artikel 159.

De eiser betwist niet dat de correctionele rechter bevoegd is om na te gaan of, zonder daarbij te vervallen in een toezicht op de opportuniteit, de maatregel die de gemachtigde ambtenaar heeft gevorderd niet kennelijk onredelijk is en of die maatregel in overeenstemming is met de wet.

Aangezien het middel zich ertoe beperkt de juridische grondslag te betwisten die het arrest aan dit toezicht geeft, maar niet het toezicht zelf, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Derde onderdeel

De rechterlijke macht is bevoegd om te onderzoeken of de keuze, door de gemachtigde ambtenaar, voor het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of voor een welbepaalde herstelmaatregel, alleen ingegeven was door het oogmerk van een goede ruimtelijke ordening. De rechter is bevoegd om een vordering niet in te willigen als die kennelijk onredelijk is of steunt op gronden die met het voormelde doel geen verband houden.

De rechter kan bij zijn beoordeling van de kennelijk onredelijke aard van de vordering rekening houden met het bestaan van een eventuele andere maatregel die noodzakelijk kan blijken, rekening houdend met de aard van de overtreding, de omvang van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en het voordeel dat voor die ordening voortvloeit uit het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand tegenover de last die eruit zou voortvloeien voor de overtreder.

Het arrest oordeelt dat het kennelijk onredelijk zou zijn om de afbraak uit te breiden tot de delen die niet gebouwd zijn in strijd met de bouwvergunning die op regelmatige wijze is verleend en die nu definitief is.

Die beslissing schendt de artikelen 159 Grondwet en 155, § 1en 2, Waals Wetboek van Ruimtelijke ordening, Stedenbouw en Patrimonium niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

Het middel oefent kritiek uit op de reden van het arrest volgens welke een volledige afbraak van het gebouw zou neerkomen op een nietigverklaring van de nochtans op regelmatige wijze aan de verweerder verleende bouwvergunning.

Volgens de eiser schendt die reden het gezag van gewijsde in strafzaken : de overtreder kan niet, zelfs niet gedeeltelijk, het voordeel behouden van een vergunning waarvan de miskenning een strafbaar feit oplevert.

De bewezen verklaarde telastlegging beperkt de niet conform bevonden gedeelten van het gebouw tot het aantal vensters en de afmetingen van de vensters, tot het plafond dat de vloerplaat van een nog in te richten verdieping uitmaakt en tot de hoogte van de opbouw vóór- en achteraan.

De door het arrest bevolen herstelmaatregel slaat op dezelfde gedeelten als die welke in de telastlegging strijdig met de bouwvergunning werden geacht, daar de verweerder het bevel krijgt om de hoogte van de muren te verlagen, de betonplaat weg te halen, het niet geplande venster te schrappen en de afmeting van de overige vensters te verminderen.

De weigering om de volledige afbraak van het gebouw te bevelen is dus niet in strijd met de schuldigverklaring, maar houdt dezelfde beperkingen in als die schuldigverklaring.

Die weigering tast evenmin de prerogatieven van de gemachtigd ambtenaar aan, aangezien de redenen waarop zij gegrond is en die hierboven in het antwoord op het derde onderdeel zijn samengevat, niet zijn afgeleid uit gegevens die uitsluitend tot zijn beoordelingsbevoegdheid behoren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 11 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Etienne Goethals en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Herstel van plaats in de vorige staat

  • Beoordeling door de rechter