- Arrest van 11 januari 2012

11/01/2012 - P.11.1359.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest waarbij de opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt bevolen gedurende drie jaar, in plaats van de eenvoudige schuldigverklaring door de eerste rechter wegens de overschrijding van de redelijke termijn, moet vaststellen dat het met eenparige stemmen van zijn leden werd gewezen, aangezien het de toestand van de beklaagde verzwaart (1). (1) Cass. 25 april 2007, AR P.06.1597.F, AC, 2007, nr. 207 met concl. adv.-gen. Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1359.F

N. R.,

Mrs. Marie-Françoise Dubuffet en Romina Murru, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

CENTRE SCOLAIRE NOTRE-DAME DE LOURDES vzw,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 juni 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiseres verwijt het arrest dat het oordeelt dat haar conclusie niet vermeldt waarom de beschikking tot mededeling van 21 september 2005 de verjaring niet kon stuiten. Volgens het middel miskent die overweging de bewijskracht van de voormelde conclusie, aangezien zij wel degelijk de grond bevat die er volgens het arrest niet in voorkomt.

Uit het arrest blijkt dat het dossier tot driemaal toe werd meegedeeld, namelijk op 6 augustus 2003, 19 april 2004 en 21 september 2005.

De eiseres heeft aangevoerd dat de derde beschikking de verjaring niet kon stuiten namelijk omdat zij werd opgemaakt nadat machtiging was verleend om het dossier in te zien.

Het arrest neemt de aangevoerde grond in overweging vermits het vermeldt dat de derde beschikking weliswaar volgt op een nieuw verzoek, gegrond op artikel 61ter Wetboek van Strafvordering, maar dat hetzelfde geldt voor de eerste beschikking, waarvan de eiseres erkent dat zij de verjaring stuit.

De grond die volgens het arrest niet in de conclusie van de eiseres staat, werd dus door het hof van beroep niet afdoende bevonden om daaruit de gevolgtrekking te maken die de voormelde conclusie eruit wilde afleiden.

Daaruit volgt dat het middel geen belang heeft en bijgevolg niet ontvankelijk is.

Tweede onderdeel

De beschikking waarbij de onderzoeksrechter zijn dossier mededeelt aan het parket, stelt de zaak in staat van wijzen. Zij verliest haar waarde van verjaringstuitende daad niet, alleen maar omdat zij was genomen na één of meerdere beschikkingen van dezelfde aard, omdat zij volgt op een machtiging tot inzage van het strafdossier, of omdat de onderzoeksmagistraat reeds eerder van oordeel was dat zijn onderzoek voltooid was.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, verwijt het arrest dat het niet antwoordt op de conclusie waarin het bedrieglijk opzet dat artikel 491 Strafwetboek vereist, wordt betwist.

Om de telastlegging bedrieglijke verduistering (A.1) ten bedrage van 2.330,20 euro bewezen te verklaren, stelt het arrest evenwel vast dat dit bedrag overeenkomt met de bedragen die door de eiseres aan geldautomaten zijn afgehaald, dat het gaat om het totaal van ronde bedragen, zonder bewijs, en die geen betrekking hebben op een identificeerbare aankoop. Wat de telastlegging bedrieglijke verduistering (A.2) betreft, oordelen de appelrechters dat de uitleg van de eiseres, volgens welke de verschillende bankkaarten waarover zij beschikte, met elkaar zouden verward zijn, niet geloofwaardig was, rekening houdend met het feit dat de zogenaamde verwarringen zich herhaaldelijk hebben voorgedaan binnen een kort tijdsbestek en vooral omdat de eiseres die reeds verschillende maanden afwezig was, geen reden had om gebruik te maken van de bankkaarten van de school waarvan zij directrice was.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Het middel voert miskenning van het recht van verdediging aan.

Het arrest wordt verweten dat het de schuldigverklaring van de eiseres aan verduistering grondt op de bewering dat zij, in haar hoedanigheid van schooldirectrice, volmacht had op de bankrekeningen waarop de litigieuze afhalingen zijn gebeurd. Volgens de eiseres werd die volmacht niet door de partijen opgeworpen en konden de bodemrechters ze niet ambtshalve opwerpen.

De tegenpartij heeft echter aangevoerd dat de eiseres, in haar hoedanigheid van schooldirectrice, er de middelen van beheerde en daartoe over de bankkaarten beschikte van de rekeningen waarop de werkingstoelagen en de eigen fondsen van de inrichting waren gestort.

Om die situatie als volmacht te omschrijven, baseren de appelrechters zich niet op een juridische regel of grondslag die niet kon worden voorzien of die de verdedigingsstrategie van een partij kon verrassen. Zij beperken zich ertoe om één van de voorhanden standpunten aan te vullen met een reden die zij ambtshalve konden opwerpen, aangezien zij die reden afleiden uit de feiten en stukken die aan de tegenspraak van de partijen werden onderworpen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve middel: schending van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering

Met de vaststelling dat de redelijke termijn was overschreden, had het beroepen vonnis zich ertoe beperkt de eiseres schuldig te verklaren, met toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

Op het hoger beroep van het openbaar ministerie had het hof van beroep haar bij eenparige stemmen van zijn leden bij verstek veroordeeld tot één enkele gevangenisstraf en geldboete.

Het bestreden arrest dat het verzet van de eiseres ontvankelijk heeft verklaard en uitspraak doet bij wege van nieuwe beschikkingen, verklaart de feiten bewezen en schort de uitspraak van de veroordeling op gedurende drie jaar.

Die maatregel waarvoor een proeftijd is opgelegd en die de wettelijke mogelijkheid tot herroeping inhoudt, verzwaart de schuldigverklaring waartoe de eerste rechter zich beperkt had.

Aangezien het arrest niet vaststelt dat het met eenparige stemmen van zijn leden werd gewezen, schendt het de in het middel bedoelde wettelijke bepaling.

Aangezien de schuldigverklaring zelf niet wordt vernietigd, wordt de vernietiging beperkt zoals hieronder gezegd.

Het vierde middel behoeft geen onderzoek daar het niet tot ruimere cassatie of tot cassatie zonder verwijzing kan leiden.

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering

De eiseres voert geen bijzonder middel aan.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het op de strafvordering de gewone opschorting beveelt van de uitspraak van de veroordeling gedurende drie jaar.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in drie vierde van de kosten van haar cassatieberoep en laat het overige vierde ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 11 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Eenvoudige schuldigverklaring

  • Opschorting van de veroordeling