- Arrest van 11 januari 2012

11/01/2012 - P.11.1411.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De onderzoeksrechter kan beslag leggen op een pand als er redenen bestaan om aan te nemen dat het in het vermogen van de verdachte een goed uitmaakt waarvan de waarde gelijk is aan die van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen of een goed dat in de plaats daarvan is gesteld; de vordering van de onderzoeksrechter waarbij een gerechtsdeurwaarder wordt aangewezen om dat beslag te betekenen moet niet alleen een raming bevatten van het bedrag van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf maar ook de ernstige aanwijzingen in concreto die het beslag motiveren, m.a.w. de gegevens die doen vermoeden dat een misdrijf is gepleegd en dat de verdachte daaruit een vermogensvoordeel heeft gehaald; zij moet eveneens in concreto vermelden op grond van welke gegevens van het strafdossier de magistraat die beslag legt ertoe komt een bedrag vast te stellen dat overeenkomt met een vermoedelijk vermogensvoordeel; die motivering is een substantieel vormvereiste.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1411.F

J.-F. N.,

Mr. Jean-Martin Rathmès, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 juni 2011.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens de artikelen 35bis, 35ter en 89 Wetboek van Strafvordering kan de onderzoeksrechter beslag leggen op een onroerend goed als er redenen bestaan om aan te nemen dat het in het vermogen van de verdachte een goed uitmaakt waarvan de waarde gelijk is aan die van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen of een goed dat in de plaats daarvan is gesteld.

De vordering waarbij een gerechtsdeurwaarder wordt aangewezen om het beslag te betekenen, moet niet alleen een raming bevatten van het bedrag van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf maar ook de ernstige en concrete aanwijzingen die het beslag verantwoorden, met andere woorden de gegevens die doen vermoeden dat een misdrijf is gepleegd en dat de verdachte daaruit een vermogensvoordeel heeft gehaald. De magistraat die het beslag legt, moet eveneens concreet vermelden op grond van welke gegevens van het strafdossier hij ertoe komt een bedrag vast te stellen dat overeenstemt met een vermoedelijk vermogensvoordeel.

De motivering die de voormelde wetsbepalingen vereisen, is een substantieel vormvereiste.

De eiser heeft bij de kamer van inbeschuldigingstelling een conclusie neergelegd waarin hij de onwettigheid van het beslag aanvoert op grond dat de vordering van de onderzoeksmagistraat niet de vereiste motivering bevat maar zich ertoe beperkt stukken van de rechtspleging en deskundigenverslagen te vermelden en een cijfer op te geven van het geraamde bedrag van de fraude.

Het arrest verwerpt dat verweermiddel op grond dat het als motivering van de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het beslag volstaat dat het bedoelde goed kan worden verbeurdverklaard. Het arrest leidt daaruit af dat de door de kamer van inbeschuldigingstelling gedane opgave van de aanwijzingen betreffende het bestaan van een vermogensvoordeel uit het misdrijf of de opsomming van die aanwijzingen die de onderzoeksrechter geeft in de met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering gewezen beschikking, de wettige grondslag vormen van de betwiste onderzoekshandeling.

De beslissing van de appelrechters die erop neerkomt dat de vordering tot onroerend beslag wordt onttrokken aan de motiveringsplicht niettegenstaande die een substantieel vormvereiste is, schendt de artikelen 35bis, 35ter, en 89 Wetboek van Strafvordering.

Het middel is wat dat betreft gegrond.

Het tweede en derde middel behoeven geen onderzoek omdat ze niet tot vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 11 januari 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Luc Van hoogenbemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel

  • Onroerende goederen

  • Bewarend beslag op onroerende goederen

  • Vordering

  • Motivering

  • Verplichting