- Arrest van 12 januari 2012

12/01/2012 - C.10.0610.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De verplichting voor de rechter om bij zijn beoordeling de mening te plaatsen in de context waarin deze werd geuit, houdt in dat wanneer bewoordingen meerdere betekenissen kunnen hebben die betekenis in aanmerking moet worden genomen die volgt uit de inhoud en de context van de publicatie en waaromtrent diegene die aan de hand van deze publicatie een maatschappelijk debat wil aangaan, geen onduidelijkheid laat bestaan (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0610.N

1. STUDIEKRING VOOR KRITISCHE EVALUATIE VAN PSEUDOWETENSCHAP EN HET PARANORMALE (SKEPP) vzw, met zetel te 1090 Jette, Firmin Lecharlierlaan 44, bus 10,

2. W. B.,

3. L. B.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

R. G.,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 juni 2010.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft op 15 december 2011 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 10.2 EVRM kan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, die de vrijheid omvat om inlichtingen of denkbeelden door te geven en plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn, onder meer tot bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

2. Een beperking van de vrijheid van meningsuiting is nodig in een democratische samenleving wanneer zij beantwoordt aan een dwingende sociale noodwendigheid, op voorwaarde dat de evenredigheid wordt geëerbiedigd tussen het aangewende middel en het beoogde doel en de beperking verantwoord is op grond van relevante en toereikende motieven.

Uit de beslissing van de rechter moet niet alleen blijken dat hij het recht op vrije meningsuiting heeft afgewogen tegen de andere rechten bedoeld in artikel 10.2 EVRM, zoals het recht op de goede naam, maar ook dat de opgelegde beperking, in acht genomen de context waarin de mening werd geuit, de hoedanigheid van de partijen en de overige bijzondere omstandigheden van de zaak, beantwoordt aan een dwingende sociale noodwendigheid en pertinent is en dat door de opgelegde beperking de evenredigheid wordt geëerbiedigd tussen het aangewende middel en het beoogde doel.

De verplichting voor de rechter om bij zijn beoordeling de mening te plaatsen in de context waarin deze werd geuit, houdt in dat wanneer bewoordingen meerdere betekenissen kunnen hebben die betekenis in aanmerking moet worden genomen die volgt uit de inhoud en de context van de publicatie en waaromtrent diegene die aan de hand van deze publicatie een maatschappelijk debat wil aangaan, geen onduidelijkheid laat bestaan.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, volgt dat de eisers in het artikel, voorwerp van het geschil, vermelden: "Voor alle duidelijkheid nog even herinneren aan onze definitie van kwakzalverij: het regelmatig verkopen of aanbevelen van behandelingen of producten waarvan de werking niet bewezen is".

4. De appelrechters oordelen: "Het begrip kwakzalver gaat in het gewone taalgebruik verder dan wat (eisers) hieronder menen te moeten verstaan, namelijk het regelmatig verkopen of aanbevelen van behandelingen of producten waarvan de werking niet bewezen is. De algemene zorgvuldigheidsnorm in het taalgebruik is het taalgebruik volgens de normale maatschappelijke norm. Het woordgebruik ‘hooggeschoolde kwak' roept een onmiskenbare connotatie op met oplichterij en bedriegerij."

5. De appelrechters die aldus weigeren aan de gewraakte bewoordingen de betekenis te geven die de eisers in het kader van het door hen aangegane maatschappelijke debat uitdrukkelijk eraan geven, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede onderdeel

6. Zoals vermeld in ro 1 dient uit de beslissing te blijken dat de rechter bij het opleggen van een beperking aan de vrijheid van meningsuiting, de context in aanmerking nam waarin de mening werd geuit.

De eisers voeren aan dat zulks niet het geval is voor dit onderdeel geviseerde passage betreft, waarvan de appelrechters de verwijdering hebben gelast.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, volgt dat de eisers in het artikel, voorwerp van het geschil, vermelden:

"Regelmatig vragen wanhopige zieken ons advies over een of andere wonderbehandeling. Als het om echte kwakzalverij gaat, is het antwoord meestal zeer eenvoudig en duidelijk te geven, maar er bestaat ook nog een ander soort kwakzalvers, dat erin slaagt zich een aureool van wetenschap te verlenen. (...)

Een ander aspect van illegaal tot crimineel gedrag is het uitvoeren van experimenten op mensen zonder dat aan de voorwaarden van de Europese en nationale richtlijnen werd voldaan. De voornaamste regels daarvan zijn dat elk experiment aan een ethische commissie moet worden voorgelegd en door deze goedgekeurd. De zieke moet volledig op de hoogte gebracht worden van het feit dat hij aan een experiment meedoet, moet de mogelijke gevaren ervan kennen en dan uitdrukkelijk zijn instemming geven om als proefkonijn te fungeren. Zo werd ons gevraagd wat we dachten van een alternatief centrum voor kankerbehandeling in Keulen, het Koelner Modell van Dr. Robert Görter."

8. Uit de beslissing blijkt niet dat de appelrechters de in dit onderdeel bedoelde passage, waarvan zij de verwijdering hebben gelast, hebben geplaatst in de ro 7 aangehaalde context ervan, namelijk die van een algemene ten aanzien van eender wie geldende gedachtegang, die als uitgangspunt voor hun verdere analyse geldt.

Het onderdeel is gegrond.

Derde onderdeel

9. Ook voor de in dit onderdeel geviseerde passage waarvan de appelrechters de verwijdering hebben gelast, voeren de eisers aan dat de appelrechters nalieten de context in aanmerking te nemen waarin de mening werd geuit.

10. Uit de beslissing blijkt niet dat de appelrechters de in dit onderdeel bedoelde passage hebben geplaatst in de onder ro 7 aangehaalde context ervan, namelijk die van een algemene ten aanzien van eender wie geldende gedachtegang die als uitgangspunt voor hun verder analyse geldt.

Het onderdeel is gegrond.

Vierde onderdeel

11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, volgt dat de eisers in het artikel, voorwerp van het geschil, vermelden:

"Eerlijke wetenschappers die een nieuwe behandeling uitproberen, doen dat met het goedvinden van hun patiënten en enkel na melding en toelating van een ethische commissie. Zij publiceren ook hun resultaten in ernstige tijdschriften, zodat de rest van de wereld hun ervaring kan genieten of hun fouten niet hoeft te herhalen. Men krijgt eerder de indruk dat deze jongens zowat alles aanbieden als het maar verkoopt, en het niet nauw nemen of er nu al dan niet enig bewijs is voor de werking. Aan wanhopige mensen is veel te verdienen. (...) Dit zijn verstandige en goed geschoolde mensen, op de hoogte van de literatuur, die wanhopige zielen bieden wat ze zoeken: het comfort van een diagnose en een overtuigend klinkende therapie. Het is daarom niet dom, wel sluw. Zoals dat gaat met ideeën, is het niet op voorhand uitgesloten dat er goede tussenzitten. Maar deze ideeën worden in klassieke wetenschap onderzocht, getoetst, en verworpen als ze vals blijken (99 keer) en verfijnd tot therapieën als ze goed blijken (een enkele keer). Hier mankeren echter klinische testen die aantonen dat het wat toevoegt aan de bestaande therapeutische keuzen. (...) Het is daarom niet gemakkelijk om een heel duidelijk antwoord te geven: dit is niet de doorzichtige domheid van alternatieve behandelaars, wel de doortrapte sluwheid van hooggeschoolde kwakzalvers. Patiënten dienen gewaarschuwd te worden voor dit allegaartje van ongetoetste therapieën. Indien ze er veel geld voor moeten neertellen, is het waarschijnlijk dat ze worden afgezet."

12. Geplaatst in die context voeren de eisers binnen van het door hen aangegane maatschappelijke debat ondubbelzinnig aan dat de verweerder gedreven door geldgewin het niet nauw neemt met het al dan niet voorhanden zijn van een wetenschappelijk bewijs voor de werking van de aangeboden therapieën.

13. De appelrechters oordelen dat de door dit onderdeel geviseerde passage slechts verantwoord zou zijn indien zou zijn aangetoond dat de verweerder overtuigd was of diende te zijn dat zijn geneeswijzen zonder baat en inefficiënt zijn.

Door aldus na te laten de gewraakte bewoordingen in hun context te plaatsen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Vijfde onderdeel

14. Zoals vermeld bij de behandeling van het vierde onderdeel voeren de eisers binnen het door hen aangegane maatschappelijke debat ondubbelzinnig aan dat de verweerder gedreven door geldgewin het niet nauw neemt met het al dan niet voorhanden zijn van een wetenschappelijk bewijs voor de werking van de aangeboden therapieën.

15. De appelrechters oordelen dat de eisers met de door dit onderdeel geviseerde passage bedoelen dat de verweerder niet overtuigd zou zijn van de door hem toegepaste therapieën.

16. De appelrechters die aldus weigeren aan de gewraakte bewoordingen de betekenis te geven die de eisers in het kader van het door hen aangegane maatschappelijke debat er uitdrukkelijk aan geven, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit oordeelt over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 12 januari 2012 uitgesproken door waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy

Dubrulle, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Artikel 10.2

  • Vrijheid van meningsuiting

  • Beoordeling door de rechter

  • Criteria

  • Kwakzalverij